Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5049

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-12-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200901643/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2007 heeft de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpsbeheerder) [appellant], naar aanleiding van zijn verzoek om een afschrift van documenten die betrekking hebben op een zevental aangelegenheden, een aantal gegevens verstrekt.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2010, 34 met annotatie van B.W.N. de Waard
ABkort 2009/515
JB 2010/25 met annotatie van J.H. Keinemans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901643/1/H3.

Datum uitspraak: 2 december 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2009 in zaak nr. 08/2115 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2007 heeft de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond (hierna: de korpsbeheerder) [appellant], naar aanleiding van zijn verzoek om een afschrift van documenten die betrekking hebben op een zevental aangelegenheden, een aantal gegevens verstrekt.

Bij besluit van 7 april 2008 heeft de korpsbeheerder beslist op het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar, dat besluit gedeeltelijk herroepen en nogmaals een deel van de gevraagde gegevens verstrekt.

Bij uitspraak van 30 januari 2009, verzonden op 2 februari 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 maart 2009, hoger beroep ingesteld.

De korpsbeheerder heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. H. van Drunen, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Maury te Utrecht, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt een bestuursorgaan, alvorens te beslissen op het bezwaar, de belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.

2.2. Bij besluit van 21 december 2007 heeft de korpsbeheerder gegevens verstrekt over demonstraties van de Nationale Alliantie op 17 maart 2007 en op 14 april 2007, politie-invallen in woningen aan de Frederik Hendrikstraat te Maassluis op 8 augustus 2006 en de Orchideestraat te Spijkenisse op 17 maart 2007, bedreigingen aan het adres van dominee Visser, een politieoptreden in een woning in de Proveniersstraat te Rotterdam op 13 april 2007 en overlastmeldingen en onderzoek rond het café "Het Oude Tramstation" te Hellevoetsluis vanaf februari 2007. Bij het besluit op bezwaar van 7 april 2008 zijn de eerder onleesbaar gemaakte cameranummers, registratie- en formuliernummers van RID-rapporten en de volledige tekst van een passage in een RID-rapport inzake een demonstratie van de Nationale Alliantie verstrekt. De korpsbeheerder heeft zich in dit besluit op het standpunt gesteld dat [appellant] op behoorlijke wijze is uitgenodigd en in de gelegenheid gesteld zijn bezwaren toe te lichten. In dit verband heeft hij in het besluit vermeld dat naar aanleiding van een faxbericht van [appellant]s gemachtigde van 21 februari 2008, inhoudende een bericht van verhindering bij de geplande hoorzitting op 4 maart 2008 te verschijnen, en diens verzoek in overleg een nieuwe hoorzitting vast te stellen, verschillende keren zonder resultaat telefonisch contact met hem is gezocht en op 26 februari 2008 een boodschap op zijn antwoordapparaat is achtergelaten, waarin hem is verzocht contact met de korpsbeheerder op te nemen. Na die datum is wederom diverse malen getracht telefonisch contact met de gemachtigde te krijgen, maar dit is niet tot stand gekomen, aldus de korpsbeheerder. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat het op de weg van [appellant]s gemachtigde lag voorzieningen te treffen om op deze boodschappen te reageren, aangezien de gemachtigde in zijn correspondentie op overleg heeft aangedrongen en hij in zijn zakelijke verkeer uitdrukkelijk wijst op de mogelijkheid van telefonisch contact en het inspreken van een boodschap.

2.3. De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpsbeheerder geen verwijten vallen te maken die zouden moeten leiden tot de conclusie dat de in artikel 7:2, eerste lid, van de Awb neergelegde hoorplicht is geschonden. Daartoe heeft zij overwogen dat zij aannemelijk acht dat de korpsbeheerder na het faxbericht van 21 februari 2008 meermalen heeft geprobeerd contact met [appellant]s gemachtigde te zoeken en heeft getracht en bedoeld diens antwoordapparaat in te spreken. Zij heeft voorts overwogen dat in het faxbericht van [appellant]s gemachtigde niet is vermeld dat hij de navolgende dagen telefonisch niet of moeilijk bereikbaar zou zijn en dat niet zonder meer is uitgesloten dat het antwoordapparaat van de gemachtigde door technische storingen niet goed heeft gewerkt.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de korpsbeheerder ten onrechte geen nieuwe hoorzitting heeft georganiseerd.

Hij bestrijdt dat zijn gemachtigde een bericht van de korpsbeheerder op zijn antwoordapparaat heeft ontvangen en dat aannemelijk is dat de korpsbeheerder telefonisch contact met zijn gemachtigde heeft gezocht.

2.4.1. Dit betoog slaagt. Het horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure, waarvan slechts bij uitzondering mag worden afgezien.

Niet in geschil is dat voor het verzetten van de aanvankelijk geplande hoorzitting aanleiding bestond. Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat met de enkele mededeling in het besluit op bezwaar dat diverse pogingen zijn gedaan [appellant]s gemachtigde telefonisch te bereiken en dat een boodschap op diens antwoordapparaat is achtergelaten, zonder dat die stellingen worden gestaafd met enig nader stuk, zoals een overzicht van de data en tijden waarop die pogingen zijn ondernomen dan wel een telefoonnotitie van de ingesproken boodschap, de korpsbeheerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zich in voldoende mate heeft ingespannen om [appellant] alsnog in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het had voorts in de rede gelegen dat, nu telefonisch contact niet tot stand was gekomen, [appellant] en zijn gemachtigde alsnog schriftelijk waren benaderd. De korpsbeheerder heeft dit evenwel nagelaten. Het besluit op bezwaar is gelet hierop in strijd met artikel 7:2, eerste lid, van de Awb genomen.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van 7 april 2008 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen.

Ingeval een besluit wordt vernietigd, onderzoekt de Afdeling de mogelijkheden van finale beslechting van het geschil, waarbij onder meer aan de orde is of aanleiding bestaat om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, gelezen in samenhang met artikel 39, eerste lid, van de Wet op de Raad van State, de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Doordat de korpsbeheerder zich bij de inhoudelijke behandeling van de zaak ter zitting bij de rechtbank op 6 januari 2009 noch ter zitting bij de Afdeling heeft laten vertegenwoordigen om zijn standpunt in dezen toe te lichten, ziet de Afdeling hiertoe evenwel geen mogelijkheid. De korpsbeheerder dient daarom een nieuw besluit op het door [appellant] tegen het besluit van 21 december 2007 gemaakte bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak.

2.6. Gelet op het voorgaande behoeven de overige gronden van het hoger beroep geen bespreking.

2.7. De korpsbeheerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 januari 2009 in zaak nr. 08/2115;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond van 7 april 2008, kenmerk TB 15668;

V. veroordeelt de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1449,00 (zegge: veertienhonderdnegenenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat de korpsbeheerder van de politieregio Rotterdam-Rijnmond aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 2 december 2009.

176-598.