Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5042

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200902453/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 20 februari 2001, in zaak nr. E01.99.0226/1, heeft de Afdeling het beroep van de vereniging Vereniging de Bovengrondse (hierna: De Bovengrondse) gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:119
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/48
Milieurecht Totaal 2009/4867
ABkort 2009/518

Uitspraak

200902453/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzoek van:

de vereniging Vereniging de Bovengrondse, gevestigd te Amsterdam,

verzoekster,

om herziening (artikel 8:88 van de Algemene wet bestuursrecht) van de uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2001, in zaak nr. E01.99.0226/1.

1. Procesverloop

Bij uitspraak van 20 februari 2001, in zaak nr. E01.99.0226/1, heeft de Afdeling het beroep van de vereniging Vereniging de Bovengrondse (hierna: De Bovengrondse) gedeeltelijk gegrond en gedeeltelijk ongegrond verklaard. De uitspraak is aangehecht.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 8 april 2009, heeft De Bovengrondse de Afdeling verzocht die uitspraak te herzien.

De Afdeling heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 oktober 2009, waar De Bovengrondse, vertegenwoordigd door mr. H.A. Sarolea, advocaat te Amsterdam, [gemachtigden]r, en het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland, vertegenwoordigd door mr. M.C. Jonkman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts is daar de raad van de gemeente Amsterdam, vertegenwoordigd door mr. A. ten Veen, advocaat te Amsterdam, mr. K.M. van der Velde, drs. H. Detmar, ir. J.F.W. Joustra en mr. J.P. Smits, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2.2. De Bovengrondse voert als onderbouwing van het verzoek om herziening aan dat pas onlangs is gebleken dat de technische haalbaarheid van de aanleg van de Noord-Zuidlijn ten tijde van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 20 februari 2001 niet naar behoren was onderzocht en vastgesteld. Over de risico's verbonden aan het boorproces is volgens De Bovengrondse destijds onjuiste informatie gegeven. Deze gegevens baseert De Bovengrondse met name op uitlatingen van [naam persoon], gedaan in februari 2009 bij zijn aftreden als projectwethouder van de Noord-Zuidlijn. Voorts onderbouwt De Bovengrondse dit door verwijzing naar een rapport uit 1998, dat pas in 2003 openbaar is gemaakt en derhalve destijds is achtergehouden.

De Bovengrondse stelt verder dat destijds de suggestie is gewekt dat het project werd gesteund door buitenlandse deskundigen, maar dat nooit bekend is geworden wie deze deskundigen zijn. Daarnaast stelt De Bovengrondse dat ook de financiële risico's onjuist zijn ingeschat. De Bovengrondse verwijst hierbij naar het feit dat de raad heeft verzwegen dat tegen het lump-sum beding uit de Rijkssubsidiebeschikking bezwaar is ingediend, hetgeen destijds niet is gemeld aan de adviseur van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak.

2.3. In hun beroepschrift in de zaak waarvan herziening is verzocht, heeft De Bovengrondse onder meer aangevoerd dat de bouwkundige risico's zijn onderschat, waardoor schade zal ontstaan aan de bestaande bebouwing van de historische binnenstad. De Bovengrondse heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de techniek die bij de aanleg van de lijn en de bouw van de stations wordt toegepast de experimentele fase moet zijn ontstegen en dat het noodzakelijk is dat op voorhand komt vast te staan dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid geen schade van betekenis wordt toegebracht aan de gebouwen op en naast het tracé. Voorts heeft De Bovengrondse destijds aangevoerd dat het lump-sum karakter van de beschikking onaanvaardbare financiële risico's met zich brengt voor de gemeente Amsterdam.

2.4. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 februari 2001 deze beroepsgronden behandeld en heeft daarbij, mede op basis van het rapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 28 april 2000 (hierna: het deskundigenbericht) dat in de procedure is uitgebracht, bezien welke onderzoeken zijn verricht inzake de boormethode en de gevolgen van de aanleg van de Noord-Zuidlijn. De Afdeling heeft deze onderzoeken afdoende bevonden en heeft hierbij belang gehecht aan de te treffen aanvullende maatregelen om de uitvoeringsrisico's te minimaliseren. Onder meer in verband met bouwkundige risico's heeft de Afdeling het goedkeuringsbesluit, voor zover het betreft een in het plan opgenomen afwijkingsmogelijkheid, vervolgens op onderdelen vernietigd.

2.5. De Afdeling stelt vast dat ten tijde van de uitspraak van 20 februari 2001 bekend was dat bouwkundige risico's aanwezig zijn maar dat dit niet heeft geleid tot vernietiging van het besluit. De stellingen van De Bovengrondse dat de techniek de experimentele fase moet zijn ontstegen en dat moet vast staan dat geen schade van betekenis wordt toegebracht aan gebouwen op en naast het tracé hebben evenmin tot vernietiging geleid. Hieruit kan worden afgeleid dat destijds bekend en afgewogen is dat geen zekerheid bestond omtrent de exacte aard van de risico's doch dat de maatregelen die werden genomen om met deze risico's om te gaan afdoende zijn geacht. De argumenten van De Bovengrondse inzake de financiële haalbaarheid van het plan hebben evenmin tot vernietiging geleid.

Voor de stelling dat destijds bewust onjuiste informatie is verstrekt heeft De Bovengrondse geen bewijs geleverd. Uit de door De Bovengrondse genoemde uitlatingen van de wethouder valt dit niet af te leiden. Het rapport dat in 2003 openbaar is geworden waarnaar De Bovengrondse in dit verband voorts verwijst heeft niet binnen redelijke termijn geleid tot een verzoek om herziening en kan derhalve in dit late stadium niet alsnog aan het verzoek ten grondslag worden gelegd.

Voorts is het enkele gegeven dat de onderzoeksresultaten, anders dan destijds gesteld, mogelijk niet door buitenlandse deskundigen worden ondersteund, wat daarvan ook verder zij, niet bepalend geweest voor de uitspraak van 20 februari 2001. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat deze door De Bovengrondse genoemde feiten, waren zij destijds bij de Afdeling bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

De brief van het college van burgemeester en wethouders aan de minister van Verkeer en Waterstaat, waarin het standpunt is ingenomen dat het lump-sum beding een te groot financieel risico zou opleveren, wordt in het deskundigenbericht genoemd en was als bijlage bij het deskundigenbericht gevoegd. Inzake het bezwaar dat nadien is gemaakt tegen deze beschikking is door het college van gedeputeerde staten en de raad gesteld dat dit uitsluitend betrekking had op de daarin opgenomen termijnen en niet op het lump-sum beding als zodanig. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat deze door De Bovengrondse genoemde feiten, waren zij destijds bij de Afdeling bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

Het gegeven dat eind 2008 is besloten tot een nadere risicoanalyse en een second opinion waarna definitieve besluitvorming zal plaats vinden over het bij de huidige kennis wel of niet doorgaan van het geboorde deel van het tracé, zoals De Bovengrondse naar voren heeft gebracht, kan voorts evenmin tot toewijzing van het verzoek om herziening leiden. Dat inmiddels zou zijn gebleken dat de aanleg van de Noord-Zuidlijn meer risico's met zich brengt dan waarvan ten tijde van eerdere besluitvorming is uitgegaan is geen feit of omstandigheid die heeft plaatsgevonden vóór de uitspraak en voldoet daarom niet aan het vereiste van artikel 8:88, onder a, van de Awb. Het bijzondere rechtsmiddel van herziening strekt er immers niet toe om een partij de gelegenheid te bieden het debat te heropenen op basis van inmiddels verkregen inzichten dan wel nieuw bewijs ten aanzien van een bekend feit.

2.6. Gelet op het vorenstaande dient het verzoek te worden afgewezen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, voorzitter, en mr. R.J. Hoekstra en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. Langeveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

317.