Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5032

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200908039/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) aan Portaal Arnhem-Nijmegen (hierna: Portaal) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee woongebouwen met elk zeven appartementen voor lichamelijk gehandicapten op het perceel Weissenbruchstraat 10 te Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200908039/2/H1.

Datum uitspraak: 23 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 17 september 2009 in zaak nr. 09/754 in het geding tussen:

[verzoeker]

en

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (hierna: het college) aan Portaal Arnhem-Nijmegen (hierna: Portaal) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van twee woongebouwen met elk zeven appartementen voor lichamelijk gehandicapten op het perceel Weissenbruchstraat 10 te Arnhem.

Bij besluit van 17 april 2008 heeft het college het door [verzoeker] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 september 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Arnhem (hierna: de rechtbank) het door [verzoeker] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2009, hoger beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 20 oktober 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 november 2009, waar [verzoeker], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door G. Weenink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Portaal, vertegenwoordigd door mr. M. van Hal Scheffer, advocaat te Den Haag, en M.J.R. Baakers en M.M. Geurts, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure. Daarbij geldt dat besluiten in het algemeen uitvoerbaar zijn, ook als daartegen een rechtsmiddel is aangewend. Dit geldt temeer indien, zoals in dit geval, de rechter in eerste aanleg het besluit heeft getoetst en het daartegen ingestelde beroep ongegrond heeft verklaard.

2.2. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Hoogkamp-Sterrenburg-Gulden Bodem" (hierna: het bestemmingsplan). Om realisering van het bouwplan mogelijk te maken, heeft het college krachtens artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling van het bestemmingsplan verleend.

2.3. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO, voor zover thans van belang, kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en onder 1, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 (hierna: het Bro), voor zover thans van belang, komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van een woongebouw in de bebouwde kom, mits het aantal woningen gelijk blijft.

2.4. Het verzoek strekt tot schorsing van de besluiten van 21 december 2007 en 17 april 2008. Aan het verzoek heeft [verzoeker] onder meer ten grondslag gelegd dat het college niet bevoegd was krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen, nu het aantal woningen niet gelijk blijft als bedoeld in artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a en onder 1, van het Bro. Voorts voert hij aan dat het college geen deugdelijke motivering ten grondslag heeft gelegd aan de verlening van de vrijstelling en geen goede belangenafweging heeft verricht.

2.4.1. In hetgeen [verzoeker] naar voren heeft gebracht, ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand moet worden aangenomen dat het besluit van 17 april 2008 in de bodemprocedure niet in stand zal blijven, althans dat uiteindelijk zal blijken dat de vrijstelling en de bouwvergunning niet mochten worden verleend. Daartoe wordt overwogen dat de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 3 december 2003 in zaak nr. 200303114/1 en 4 juni 2003 in zaak nr. 200205076/1 heeft geoordeeld dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een gelijkblijvend aantal woningen aansluiting moet worden gezocht bij de bebouwingsmogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In dit geval stelt het bestemmingsplan geen beperkingen aan het aantal te realiseren woningen ter plaatse, zodat niet kan worden geoordeeld dat het bouwplan leidt tot een toename van het aantal ingevolge het bestemmingsplan toegelaten woningen. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het college bevoegd was krachtens artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen. Het betoog van [verzoeker] dat het bouwplan voorziet in twee woongebouwen met elk zeven appartementen, terwijl in de bij het bestemmingsplan gevoegde bijlage 4 "Nota van uitgangspunten locatie Weissenbruchstraat" wordt uitgegaan van de bouw van vier woningen, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel. Die nota betreft een bijlage bij de toelichting op het bestemmingsplan. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 16 februari 2005 in zaak nr. 200404104/1), maakt de toelichting geen deel uit van het bestemmingsplan. Aan die bijlage komt dan ook niet de betekenis toe die [verzoeker] daaraan gehecht wenst te zien.

Voorts is het college naar het oordeel van de voorzitter in het primaire besluit en het besluit op bezwaar voldoende gemotiveerd ingegaan op de strijdigheid van het bouwplan met het bestemmingsplan, de gevolgen van het bouwplan voor de omgeving en de redenen om daaraan toch medewerking te verlenen. Voor het oordeel dat aan de motivering van het college zwaardere eisen moeten worden gesteld dan die waaraan zij voldoet, omdat bij het vaststellen van het bestemmingsplan al bekend was dat ter plaatse woningen voor lichamelijk gehandicapten zouden worden gerealiseerd, ziet de voorzitter op voorhand geen aanleiding.

Anders dan [verzoeker] verder betoogt, blijkt uit het besluit op bezwaar duidelijk wat het belang is bij het verlenen van vrijstelling, namelijk het realiseren van adequate woonruimte voor zelfstandig wonende lichamelijk gehandicapten. De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college na afweging van alle betrokken belangen niet in redelijkheid groter gewicht heeft kunnen toekennen aan dat belang dan aan het belang van [verzoeker] bij weigering van de vrijstelling.

2.5. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Roessel

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2009

457.