Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5031

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200907905/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) aan [verzoeker] twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer in werking hebben van zijn inrichting voor het demonteren van auto's gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Tevens heeft het college geweigerd om een gedoogverklaring te verlenen.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/653
AB 2010, 25

Uitspraak

200907905/1/M1.

Datum uitspraak: 23 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2009 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) aan [verzoeker] twee lasten onder dwangsom opgelegd vanwege het in strijd met artikel 8.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer in werking hebben van zijn inrichting voor het demonteren van auto's gelegen aan de [locatie] te [plaats]. Tevens heeft het college geweigerd om een gedoogverklaring te verlenen.

Tegen dit besluit heeft [verzoeker] bezwaar gemaakt.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 oktober 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 9 november 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. G.J.A.M. Bogaers, advocaat te Laren, en ing. R. Braams, en het college, vertegenwoordigd door mr. U.A.E. Arnhold, A.R. Kuiter, ing. J. van Gog en G. Hibma, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het college van burgemeester en wethouders van Eemnes, vertegenwoordigd door drs. E.W. Boelmans en R.D.E. de Waart, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De eerste last onder dwangsom ziet op het per 1 juli 2010 buiten werking stellen, sluiten en volledig ontmantelen van de inrichting alsmede het afvoeren van het afval waaronder de autowrakken naar een erkende verwerker. De tweede last onder dwangsom ziet op het per 19 oktober 2009 stoppen met het accepteren van voor sloop bestemde voertuigen.

2.2. Voor zover het verzoek van [verzoeker] betrekking heeft op de weigering om een gedoogverklaring te verlenen, dient het te worden afgewezen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer in de uitspraak van 18 juni 2003 in zaak nr. 200205079/1, kan een weigering te gedogen behoudens bijzondere omstandigheden niet worden aangemerkt als een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Van bijzondere omstandigheden is onder meer sprake, indien er zeer klemmende, concrete gronden zijn voor het aannemen van een rechtsplicht tot gedogen. In het onderhavige geval is van bijzondere omstandigheden niet gebleken, zodat de voorzitter ervan uitgaat dat het bezwaar tegen de weigering om een gedoogverklaring te verlenen niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

2.3. De voorzitter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. De inrichting is sinds 1968 op de huidige locatie gevestigd. Vaststaat dat de krachtens de Hinderwet ten behoeve van de inrichting verleende vergunning in 1988 is vervallen. Sindsdien is de inrichting zonder geldige vergunning in werking geweest. De besluiten van het college uit 1990 en 1996 waarbij is geweigerd de benodigde vergunning te verlenen zijn door de Afdeling vernietigd. Bij besluit van 11 juli 2006 heeft het college aan [verzoeker] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer voor de inrichting verleend. Bij uitspraak van 25 juli 2007 in zaak nr. 200606420/1 heeft de Afdeling dit besluit van het college vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het college niet deugdelijk had onderbouwd waarom de natuurwaarden niet of niet in onaanvaardbare mate worden aangetast bij het in werking zijn van de inrichting.

2.4. Het college heeft eerst op 1 september 2009 een ontwerpbeschikking ter inzage gelegd strekkende tot afwijzing van de vergunningaanvraag van [verzoeker]. Daaraan is een rapport van Van den Bijtel ecologisch onderzoek van augustus 2009 ten grondslag gelegd. Volgens dit rapport zou vestiging van de inrichting significante negatieve gevolgen hebben voor wezenlijke waarden en kenmerken van de ecologische hoofdstructuur.

[verzoeker] heeft een rapport van AD.ECO ecologisch onderzoek- en adviesbureau van augustus 2009 aan het college overgelegd. De conclusie daarvan luidt dat de inrichting ingericht conform de vergunning zoals die was verleend geen negatieve invloed zal hebben op de omliggende natuur, noch, voor zover mogelijk in dit gebied, belemmeringen zal opleveren voor de ontwikkeling van deze natuur. In het kader van het nemen van een besluit op de vergunningaanvraag van [verzoeker] zal het college hierover nog een standpunt moeten innemen.

2.5. Ter zitting is niet gebleken van zodanig dringende belangen, waaronder mede begrepen het belang van de bescherming van het milieu, dat het noodzakelijk is de op het terrein van de inrichting uitgevoerde bedrijfsactiviteiten, die tot het bestreden handhavingsbesluit gedurende lange tijd ongemoeid zijn gelaten, met onmiddellijke ingang te beperken en op afzienbare termijn te beëindigen. [verzoeker] heeft daarentegen een spoedeisend belang bij het zonder beperking kunnen voortzetten van deze bedrijfsactiviteiten. Mede in aanmerking genomen dat niet vaststaat dat voor de onderhavige inrichting geen vergunning kan worden verleend, ziet de voorzitter na afweging van de betrokken belangen aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Utrecht van 7 september 2009, kenmerk 2009INT247378, voor zover daarbij aan [verzoeker] twee lasten onder dwangsom zijn opgelegd, tot zes weken na het besluit op bezwaar;

II. wijst het verzoek voor het overige af;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Utrecht tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 900,79 (zegge: negenhonderd euro en negenenzeventig cent), waarvan € 874,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Utrecht aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Melse

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2009

159-579.