Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK5027

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-11-2009
Datum publicatie
02-12-2009
Zaaknummer
200907231/2/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een aannemersbedrijf voor grond-, weg- en waterbouw op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4274

Uitspraak

200907231/2/M1.

Datum uitspraak: 23 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Bernheze,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 juli 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bernheze (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een aannemersbedrijf voor grond-, weg- en waterbouw op het adres [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 7 augustus 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft onder meer [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, beroep ingesteld.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 september 2009, heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 oktober 2009, waar [verzoeker], in persoon en bijgestaan door mr. P. van Veen, en het college, vertegenwoordigd door J. de Wit en A.M.G.J. Seelen, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door mr. M. Bos, advocaat te 's-Hertogenbosch, [belanghebbenden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. [verzoeker] voert aan dat het gebruik van perceel sectie G, nummer 932 en het gebruik van de puinbreker in strijd is met het bestemmingsplan.

Het college voert aan dat het gebruik van het desbetreffende perceel een reeds bestaande situatie betreft en het gebruik van de puinbreker is beperkt tot twaalf keer per jaar. De voorzitter begrijpt uit de stukken en het verhandelde ter zitting verder dat een deel van de activiteiten in de toekomst wordt verplaatst naar een andere locatie, er een nieuw bestemmingsplan komt en het college - tot die tijd - planologisch medewerking wil verlenen

De voorzitter ziet bij afweging van de betrokken belangen in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.3. [verzoeker] vreest voor geluidhinder. Hij voert in dit verband aan dat is uitgegaan van een te laag bronvermogen voor de puinbreker en de geluidbelasting vanwege het be- en ontladen van de puinbreker en van het storten van puin ten onrechte niet is meegenomen. Voorts voert hij aan dat de geluidwal niet lang genoeg is. Ter zitting heeft [verzoeker] wat dit laatste aspect betreft toegelicht dat hij de wal liever iets verplaatst ziet, zodat zijn woning meer is afgeschermd.

In het akoestisch rapport dat is gevoegd bij de aanvraag, die deel uitmaakt van de vergunning, wordt ten aanzien van de puinbreker een bronvermogen vermeld van 105 dB(A). Dit bronvermogen is bepaald met behulp van methode II.2 van de Handleiding meten en rekenen industrielawaai van 1999, aldus het akoestisch rapport. In het akoestisch rapport wordt voorts rekening gehouden met de geluidbelasting vanwege de mobiele kraan waarmee de puinbreker wordt geladen. [vergunninghoudster] heeft ter zitting nog te kennen gegeven dat de meting ter bepaling van de geluidbelasting vanwege het puinbreken de activiteit als geheel betreft. Wat de geluidwal aangaat heeft [vergunninghoudster] ter zitting toegezegd deze te verplaatsen in de richting die [verzoeker] wil.

De voorzitter ziet, mede gezien het verhandelde ter zitting, vooralsnog geen aanleiding aan het gestelde in het akoestisch rapport te twijfelen. Gelet hierop en bij afweging van de betrokken belangen, waarbij onder meer is meegenomen de omstandigheid dat [vergunninghoudster] heeft toegezegd de wal te verplaatsten in de richting die [verzoeker] wenselijk acht, ziet de voorzitter in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.

2.4. Het betoog van [verzoeker] komt er voorts op neer dat hij vreest dat als gevolg van de emissie van zwevende deeltjes (PM10) vanwege de inrichting niet aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes wordt voldaan. Hij wijst er met name op dat twee verschillende onderzoeken zijn gedaan met het oog op de concentratie zwevende deeltjes, te weten in 2007 en 2008. Deze onderzoeken leiden tot niet te verklaren verschillende uitkomsten, aldus [verzoeker]. Hij wijst er in dit verband op dat in het onderzoek van 2008 vergeleken met het onderzoek van 2007 tot een lagere jaargemiddelde concentratie wordt gekomen, terwijl bij dit onderzoek in tegenstelling tot het eerste onderzoek ook rekening is gehouden met de puinbreker.

2.4.1. Uit artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, voor zover van belang, volgt dat bestuursorganen de bevoegdheid te beslissen op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in gevallen waarin bij uitoefening aannemelijk is gemaakt dat die uitoefening, rekening houdend met de effecten op de luchtkwaliteit van onlosmakelijk met die uitoefening samenhangende maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit, niet leidt tot het overschrijden, of tot het op of na het tijdstip van ingang waarschijnlijk overschrijden, van een in bijlage 2 opgenomen grenswaarde.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 bij de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m3 als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m3 als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.4.2. Bij de aanvraag zijn twee rapporten omtrent zwevende deeltjes gevoegd, een uit 2007 en een uit 2008. De voorzitter overweegt allereerst dat de verschillende uitkomsten waar [verzoeker] op doelt betrekking hebben op de achtergrondconcentratie, te weten die uit 2007 en die uit 2008. In beide gevallen is hier de emissie van zwevende deeltjes vanwege de puinbreker dan ook niet in meegenomen. Voor zover [verzoeker] betoogt dat de gehanteerde achtergrondconcentratie in 2008, waar in het laatste onderzoek van wordt uitgegaan, gezien de achtergrondconcentratie in 2007, niet juist kan zijn, overweegt de voorzitter dat de achtergrondconcentratie per jaar kan verschillen. Het is niet in strijd met het recht dat wordt uitgegaan van de laatst bekende gevalideerde gegevens. De voorzitter ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de gehanteerde waarde voor de achtergrondconcentratie niet juist is. In hetgeen [verzoeker] heeft aangevoerd ziet de voorzitter evenmin aanleiding voor het oordeel dat het college wat de emissie van zwevende deeltjes vanwege de inrichting betreft niet uit heeft kunnen gaan van de berekende emissie.

Gelet op het bovenstaande ziet de voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de emissie van zwevende deeltjes niet aan vergunningverlening in de weg staat. Gelet hierop ziet de voorzitter in zoverre geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening wat dit aspect aangaat.

2.5. [verzoeker] vreest tot slot dat het puin dat wordt gebroken asbest bevat.

In de aanvraag is vermeld dat het menggranulaat een secundaire bouwstof onder BRL 2506 certificaat betreft. Om die reden is het college van mening dat een toereikend beschermingsniveau wordt geboden.

De vraag of het college zich gelet hierop in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen, leent zich niet voor beantwoording in deze procedure. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, waar door [vergunninghoudster] een korte schets is gegeven over de gang van zaken ter voorkoming dat het puin asbest bevat, ziet de voorzitter bij afweging van de betrokken belangen geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening wat dit aspect aangaat.

2.6. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. L.A.M. van Hamond, ambtenaar van Staat.

w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Van Hamond

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 november 2009

446.