Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4376

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200902170/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2010, 59

Uitspraak

200902170/1/H1.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 februari 2009 in zaak nr. 08/2517 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel (hierna: het college) aan [vergunninghouder] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het plaatsen van een dakopbouw op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 2 oktober 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 12 februari 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 22 april 2008 (lees: 2009).

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[vergunninghouder] heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 september 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door J. Kok, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is [vergunninghouder] als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. De bebouwing op het perceel bestaat uit drie aaneengebouwde gedeelten, te weten een kapsalon met een oppervlakte van ongeveer 100 m², een middengedeelte, en een woning met een oppervlakte van eveneens ongeveer 100 m². [appellant] bewoont de woning en verhuurt de kapsalon aan een derde. Ter zitting is onweersproken gesteld dat tussen de gedeelten van de bebouwing geen inpandige doorgangen bestaan.

2.2. Het bouwplan voorziet in het plaatsen van een dakopbouw op het voorste gedeelte van de bebouwing, de kapsalon. Daarnaast voorziet het bouwplan in de bouw van een trapombouw, die tegen de kapsalon wordt aangebouwd. De ruimte zal volgens de aanvraag gaan dienen als hobbyruimte ten behoeve van de woning.

2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 15 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening meerdere vrijstellingen verleend.

2.4. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Oentsjerk" rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden, bouwklasse A" en is het voorzien van de aanduiding "gemengde functies toegestaan".

Ingevolge artikel 1, onder 15, van de bestemmingsplan-voorschriften (hierna: de planvoorschriften) wordt onder hoofdgebouw verstaan: een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt.

Ingevolge artikel 1, onder 16, wordt onder aan- of uitbouw verstaan: een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk dat architectonisch ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw en in functioneel opzicht onderdeel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw.

Ingevolge artikel 5, onder B, eerste lid, aanhef en onder b, geldt voor het bouwen van hoofdgebouwen de bepaling dat deze binnen een bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge artikel 5, onder B, eerste lid, aanhef en onder c, voor zover thans van belang, bedraagt de oppervlakte van het hoofdgebouw maximaal 120 m² en bedraagt de goothoogte maximaal 3,50 meter.

Ingevolge artikel 5, onder D, aanhef en eerste lid, onder b, kunnen Burgemeester en Wethouders, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B, sub 1 onder b, en toestaan dat een hoofdgebouw gedeeltelijk buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in artikel 3, lid 2.1.1 sub A, onder 2.

Ingevolge artikel 3, lid 2.1.1 sub A, onder 2, zal aan het bouwen van hoofdgebouwen buiten het bouwvlak in principe medewerking kunnen worden verleend. Daarbij dient er met name naar te worden gestreefd om het grootste gedeelte van het hoofdgebouw binnen het bouwvlak te houden.

Ingevolge artikel 5, onder D, aanhef en tweede lid, kunnen Burgemeester en Wethouders, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen, vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid B, sub 1 onder c, en toestaan dat de goothoogte van hoofdgebouwen in bouwklasse A wordt verhoogd tot ten hoogste 6,50 meter, mits met name rekening zal worden gehouden met het gestelde in artikel 3, lid 2.1.1. sub A, onder 1.

Ingevolge artikel 23, aanhef en eerste lid, kunnen Burgemeester en Wethouders, met inachtneming van het gestelde in de Beschrijving in Hoofdlijnen en met name het gestelde ten aanzien van de algemene criteria, vrijstelling verlenen van de bij recht in de voorschriften gegeven maten, afmetingen en percentages tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages.

Ingevolge het achtste lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van (hoofd)gebouwen binnen het bouwvlak en toestaan dat de grenzen van het bouwvlak worden overschreden door onder meer overstekende daken.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bebouwing als geheel als één gebouw met een totale oppervlakte van 235 m² dient te worden aangemerkt. Volgens [appellant] is aldus sprake van één hoofdgebouw, met een oppervlakte van 235 m². Hij betoogt dat daarom geen vrijstelling met toepassing van artikel 15, eerste lid, van de WRO, gelezen in verbinding met artikel 23, aanhef en eerste lid, van de planvoorschriften, kon worden verleend van artikel 5, onder B, eerste lid, aanhef en onder c, van de planvoorschriften. Daarnaast betoogt [appellant] dat de rechtbank, door voorbij te gaan aan zijn argumenten met betrekking tot de invulling van de begrippen hoofdgebouw en aan- of uitbouw, heeft miskend dat aanwijzing van de kapsalon als hoofdgebouw geen recht doet aan het feit dat "Woondoeleinden" de hoofdbestemming is.

2.5.1. Anders dan [appellant] betoogt, moeten de kapsalon en de woning als afzonderlijke gebouwen op het perceel worden aangemerkt, nu deze zowel architectonisch als functioneel strikt van elkaar gescheiden zijn. Daarbij is tevens van belang dat ter zitting - onweersproken - door vergunninghouder is gesteld dat in het middengedeelte van de bebouwing geen inpandige verbindingen aanwezig zijn tussen de kapsalon en de woning.

2.5.2. Uit de definitie van het begrip hoofdgebouw in de planvoorschriften volgt dat de bestemming uitgangspunt is voor de bepaling van het belangrijkste gebouw op het bouwperceel.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 21 november 2007, in zaak nr. 200700838/1; www.raadvanstate.nl) hoeven de planvoorschriften er niet aan in de weg te staan dat zich op een bouwperceel twee hoofdgebouwen bevinden, ten behoeve van twee gescheiden functies. Die situatie doet zich ook in dit geval voor. Nu de gebouwen zowel wat betreft afmetingen als in functioneel opzicht niet aan elkaar ondergeschikt zijn, dienen zowel de woning als de kapsalon te worden aangemerkt als hoofdgebouw.

2.5.3. Het bouwplan voorziet in hobbyruimte ten behoeve van de woning, maar het is voorzien op het gebouw waar de kapsalon is gevestigd. De hobbyruimte heeft geen relatie met de kapsalon. Het bouwplan voorziet evenmin in een inpandige verbinding tussen de kapsalon en de hobbyruimte. Zowel op grond van de gedingstukken, als op grond van het verhandelde ter zitting is komen vast te staan dat de hobbyruimte uitsluitend van buitenaf, via de te bouwen externe trap, bereikbaar is.

2.5.4. Onder de genoemde omstandigheden is geen sprake van uitbreiding van het hoofdgebouw waarop het bouwplan is voorzien. De betreffende uitbreiding kan in bouwkundig opzicht wellicht wel, maar in functioneel opzicht niet worden aangemerkt als een uitbreiding van dit hoofdgebouw. De strijd met het bestemmingsplan kan derhalve niet worden opgeheven door toepassing van de onder 2.4. genoemde vrijstellingsbepalingen zoals opgenomen in het bestemmingsplan. Het besluit op bezwaar berust derhalve in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht niet op een deugdelijke motivering. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.6. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen zal de Afdeling het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van 2 oktober 2008 gegrond verklaren. Dat besluit dient eveneens te worden vernietigd.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 12 februari 2009 in zaak nr. 08/2517;

III. verklaart het door [appellant] ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel van 2 oktober 2008;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 74,80 (zegge: vierenzeventig euro en tachtig eurocent);

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Tytsjerksteradiel aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

17-640.