Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4371

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200901919/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college) besloten bestuursdwang toe te passen ter zake van een asbestbrand van de sporthal van [appellanten] op het perceel [locatie] te [plaats].

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 5:21
Algemene wet bestuursrecht 5:24
Algemene wet bestuursrecht 5:25
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
M en R 2010/25 met annotatie van F.C.S. Warendorf
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/3648
Milieurecht Totaal 2009/5447
JBO 2009/47 met annotatie van D. van der Meijden
JOM 2010/39
JM 2010/2 met annotatie van Wolters
JAF 2009/109 met annotatie van Van der Meijden
OGR-Updates.nl 10-08
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901919/1/M2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], gevestigd te [plaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Twenterand,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Twenterand (hierna: het college) besloten bestuursdwang toe te passen ter zake van een asbestbrand van de sporthal van [appellanten] op het perceel [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 3 februari 2009 heeft het college het door [appellanten] hiertegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 19 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 16 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. drs. B.F.J. Bollen, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door drs. E. Nijhuis, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de nacht van 12 op 13 januari 2008 is de sportaccommodatie de Hoekenhof afgebrand. Hierbij is asbest vrijgekomen. Op 13 januari 2008 heeft het college bestuurdwang aangezegd gericht op verwijdering van de vrijgekomen asbest. Dit besluit is op 15 januari 2008 op schrift gesteld.

2.2. Ingevolge artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht, (zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde) wordt onder bestuursdwang verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Ingevolge artikel 5:24, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde) wordt in de beschikking tot toepassing van bestuursdwang een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

Ingevolge artikel 5:24, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde) behoeft geen termijn te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

Ingevolge artikel 5:24, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde) zorgt het bestuursorgaan, indien de situatie dermate spoedeisend is dat het de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

Ingevolge artikel 5:25, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (zoals dat ten tijde van het bestreden besluit luidde) is de overtreder de kosten verschuldigd die zijn verbonden aan de toepassing van bestuursdwang tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2.3. [appellanten] voeren aan dat zij artikel 1.1a van de Wet milieubeheer niet hebben overtreden. Volgens hen is de brand niet veroorzaakt door hun handelen of nalaten en kan hun derhalve niets worden verweten. In dit kader voeren zij tevens aan dat [appellante sub 1, de B.V.] de eigenaresse en exploitante van het afgebrande pand is en [appellant sub 1, de persoon] slechts bestuurder van [appellante sub 1, de B.V.] is.

2.3.1. Het college stelt dat de verwijtbaarheid van het ontstaan van de brand en de daaropvolgende verspreiding van asbest bij het bestreden besluit geen rol speelt. Enkel van belang is dat [appellanten] geen maatregelen hebben getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. Omdat de asbestverontreiniging afkomstig is van het gebouw van [appellanten], liggen de gevolgen van de calamiteit, volgens het college, in hun risicosfeer. Het college stelt verder dat ook [appellant sub 1, de persoon] valt aan te merken als overtreder. Hij is de enige zelfstandig bevoegde directeur en enige aandeelhouder van [appellante sub 1, de B.V.] Alleen [appellant sub 1, de persoon] ten heeft zeggenschap over het bedrijf.

2.3.2. Artikel 1.1a, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat een ieder voldoende zorg voor het milieu in acht neemt.

In het tweede lid is bepaald dat de zorg, bedoeld in het eerste lid, in ieder geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt, verplicht is dergelijk handelen achterwege te laten voor zover zulks in redelijkheid kan worden gevergd, dan wel alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of, voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

2.3.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 8 december 2004 in zaak no. 200401808/1, geldt de in artikel 1.1a van de Wet milieubeheer vervatte zorgplicht in beginsel slechts in gevallen waarin ernstige nadelige gevolgen optreden of acuut dreigen op te treden, terwijl de Wet milieubeheer er niet op andere wijze in voorziet om die gevolgen te voorkomen of zo veel mogelijk te beperken.

2.3.4. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat door het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels ten gevolge van de brand in de sportaccommodatie de Hoekenhof ernstige nadelige gevolgen zijn ontstaan of acuut dreigden te ontstaan voor mens en milieu, die niet op andere wijze door de Wet milieubeheer dan op grond van artikel 1.1a van die wet worden gereguleerd.

2.3.5. [appellanten] hebben niet direct na het vrijkomen en de verspreiding van asbest tengevolge van de brand in hun pand maatregelen getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

De exploitant of de eigenaar van een pand die na het vrijkomen en de verspreiding van asbest tengevolge van een brand in dat pand nalaat direct maatregelen te treffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, kan redelijkerwijs vermoeden dat door dit nalaten nadelige gevolgen voor het milieu kunnen worden veroorzaakt. Door niet de maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hen kunnen worden gevergd teneinde die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, heeft [appellant sub 1, de B.V.] artikel 1.1a van de Wet milieubeheer overtreden.

Uit de stukken blijkt dat [appellant sub 1, de persoon] enig aandeelhouder en de enige zelfstandig bevoegde directeur van [appellante sub 1, de B.V.] is. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat ook [appellant sub 1, de persoon] artikel 1.1a van de Wet milieubeheer heeft overtreden.

De beroepsgrond treft geen doel.

2.4. [appellanten] voeren aan dat de situatie niet dusdanig spoedeisend was dat het college van een voorafgaande schriftelijke aanzegging van bestuursdwang kon afzien. De toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht was volgens hen niet gerechtvaardigd.

2.4.1. Het college stelt dat de brand volgens het gehanteerde Twents Protocol Asbestbranden beschouwd moest worden als een zeer grote brand met verspreiding van asbest buiten het terrein in een woon-, werk- of recreatiegebied. De bij de brand vrijgekomen asbest vormde een acute bedreiging voor de volksgezondheid en veiligheid. De situatie vanwege het vrijgekomen asbest was, naar het oordeel van het college en de brandweer, dermate spoedeisend, dat onverwijld tot de verwijdering daarvan moest worden overgegaan. Bovendien toonden [appellanten] direct na de brand geen enkel initiatief om de noodzakelijke maatregelen te treffen.

2.4.2. Het college heeft aannemelijk gemaakt dat door het vrijkomen en de verspreiding van asbestvezels ten gevolge van de brand ernstige nadelige gevolgen optraden of acuut dreigden op te treden voor mens en milieu, die onmiddellijk ingrijpen noodzakelijk maakten. Nu [appellanten] niet direct na het vrijkomen en de verspreiding van asbest tengevolge van de brand in hun pand maatregelen hebben getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te voorkomen, dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat direct ingrijpen met toepassing van artikel 5:24, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht noodzakelijk was.

De beroepsgrond faalt.

2.5. [appellanten] voeren aan dat het college in strijd met de rechtszekerheid heeft gehandeld door hun op 13 februari 2008 een voornemen tot toepassing van bestuursdwang toe te zenden, terwijl het college op dat moment reeds had besloten bestuursdwang uit te oefenen en ook daadwerkelijk met de uitvoering van bestuursdwang was begonnen. Zij stellen dat zij er op mochten vertrouwen dat het college niet eerder tot de uitvoering van bestuursdwang zou overgaan dan nadat zij niet aan de in de vooraankondiging gestelde voorwaarden zouden hebben voldaan.

2.5.1. Het college erkent dat de brief van 13 februari 2008 ten onrechte vermeldt dat het voornemen bestaat bestuursdwang uit te oefenen. Zij stellen dat deze mededeling toch geen misverstand kon wekken, nu de brief duidelijk vermeldt welke acties het college reeds in gang heeft gezet, alsmede welke maatregelen [appellanten] dienden te treffen om de gevolgen van de brand te beperken. Tevens stelt het college dat [appellanten] actief zijn in de bouwwereld, bekend waren met de gevaren van asbest en konden begrijpen dat onmiddellijk optreden geboden was.

2.5.2. De Afdeling overweegt dat [appellanten] konden weten dat onmiddellijk optreden geboden was. Zij konden, toen zij de brief van 13 februari 2008 ontvingen, mede gelet op het mondelinge overleg op 13 januari 2008, begrijpen dat het besluit tot het oefenen van spoedeisende bestuursdwang reeds die dag was genomen, ook al sprak die brief van het voornemen om bestuursdwang toe te passen.

De beroepsgrond faalt.

2.6. Het beroep is ongegrond.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, voorzitter, en mr. G.N. Roes en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

315.