Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4361

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200902897/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis met een garage/carport aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Bouwregelgeving 2009/686
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902897/1/H1.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo van 3 april 2009 in zaak nrs. 09/277 en 09/281 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 november 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede (hierna: het college) [vergunninghouder] bouwvergunning verleend voor het bouwen van een woonhuis met een garage/carport aan de [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 april 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Almelo (hierna: de voorzieningenrechter) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft [vergunninghouder] een schriftelijke uiteenzetting gegeven

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2009, waar [appellante], bijgestaan door mr. C.E. van Staveren, advocaat te Zwolle, en het college, vertegenwoordigd door A. Haer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder], bijgestaan door mr. E. Boersma, advocaat te Enschede, en Z. Eganovic, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Horstlanden-Veldkamp" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden -W-". De aldus aangewezen gronden zijn, voor zover van belang, bestemd voor het wonen, complexen garageboxen en verblijfsgebieden.

Ingevolge artikel 10.1.5. van de planvoorschriften (bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en andere bouwwerken) gelden de volgende bepalingen:

a. aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen mogen niet worden gebouwd vóór de voorgevelrooilijn;

b. (…)

c. In afwijking van het bepaalde onder a mag aan de voorgevel van een hoofdgebouw een uitbouw, zoals een portaal of erker, worden gebouwd met een oppervlakte van maximaal 6 m² en een diepte van maximaal 1.5 m. De breedte van de uitbouw mag maximaal 2/3 van de voorgevel van het hoofdgebouw bedragen. De afstand tot de perceelsgrens dient minimaal 1 m te bedragen.

d. (…)

e. (…)

f. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering van bijgebouwen, waarbij geëist kan worden dat de afstand tot de voorgevelrooilijn tenminste 3 m bedraagt, mits deze eisen noodzakelijk zijn voor een verantwoorde stedenbouwkundige inpassing in de omgeving en ter waarborging van de stedenbouwkundige-, beeld-, en milieukwaliteit.

2.2. Het bouwplan, voor zover thans van belang, voorziet in het oprichten van een garage tot op de zijdelingse erfgrens met het perceel van [appellante]. Hierdoor ontstaat er tussen de beoogde garage en de naast het perceel gelegen woning van [appellante] een ruimte van 40 cm.

2.3. Ingevolge artikel 2.5.17, eerste lid, van de bouwverordening van de gemeente Enschede (hierna: de bouwverordening), moet de zijdelingse begrenzing van een bouwwerk ten opzichte van de zijdelingse grens van het erf zodanig zijn gelegen dat tussen dat bouwwerk en de op het aangrenzende erf aanwezige bebouwing geen tussenruimten ontstaan die:

a. vanaf de hoogte van het erf tot 2,2 meter daarboven minder dan 1 meter breed zijn;

b. niet toegankelijk zijn.

Ingevolge het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid, indien voldoende mogelijkheid aanwezig is voor reiniging en onderhoud van de vrij te laten ruimte.

2.4. [appellante] betoogt dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat het college geen bouwvergunning kon verlenen omdat de garage als voorzien in het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.17 van de bouwverordening.

2.4.1. Ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet blijven de voorschriften van de bouwverordening voor zover die niet overeenstemmen met de voorschriften van het desbetreffende bestemmingsplan buiten toepassing.

Ingevolge artikel 9, tweede lid, blijven de voorschriften van de bouwverordening van toepassing indien het desbetreffende bestemmingsplan geen voorschriften bevat, die hetzelfde onderwerp regelen, tenzij het desbetreffende bestemmingsplan anders bepaalt.

2.4.2. Artikel 10.1.5 van de planvoorschriften geeft regels over de situering van onder meer bijgebouwen. In artikel 10.1.5. aanhef en onder a, is de situering van aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen ten opzichte van de voorgevelrooilijn geregeld. In artikel 10.1.5. aanhef en onder c, van de planvoorschriften is alleen voor uitbouwen de situering ten opzichte van de perceelsgrens geregeld. Uit deze bepalingen en uit de regeling ten aanzien van de nader te stellen eisen als bedoeld in artikel 10.1.5. aanhef en onder f, van de planvoorschriften kan worden afgeleid dat de planwetgever bewust voor een bijgebouw als de beoogde garage uitsluitend de situering ten opzichte van de voorgevelrooilijn heeft willen regelen. Dit betekent dat met artikel 10.1.5 van de planvoorschriften de situering van bijgebouwen wat betreft de bestemming Woondoeleinden in alle opzichten een uitputtende regeling kent. Aangezien het bepaalde in artikel 2.5.17. van de bouwverordening waarin hetzelfde onderwerp is geregeld daarmee niet overeenstemt, blijft die bepaling ingevolge artikel 9, eerste lid, van de Woningwet, in zoverre buiten toepassing. Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. J.A. Hagen en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

163-543.