Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4346

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200901560/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) het verzoek van [appellant] van 9 december 2005 om het hem in eigendom toebehorende pand aan de [locatie] te [plaats] van de gemeentelijke monumentenlijst te verwijderen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901560/1/H2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 januari 2009 in zaak

nr. 07/1543 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek (hierna: het college) het verzoek van [appellant] van 9 december 2005 om het hem in eigendom toebehorende pand aan de [locatie] te [plaats] van de gemeentelijke monumentenlijst te verwijderen, afgewezen.

Bij besluit van 24 juli 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 5 januari 2009, verzonden op 20 januari 2009, heeft de rechtbank Zutphen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, hoger beroep ingesteld.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 september 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. F.B.M. van Aanhold, advocaat te Zutphen, en het college, vertegenwoordigd door F.L. Kroesen, ambtenaar in dienst van de gemeente Oude IJsselstreek en J. Westerman, werkzaam bij het Gelders Genootschap te Arnhem en lid van de gemeentelijke monumentencommissie, zijn verschenen.

2.1. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a1, van de Monumentenverordening gemeente Oude IJsselstreek (hierna: de Monumentenverordening) wordt daarin onder monument verstaan een zaak die van algemeen belang is wegens zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde.

Ingevolge die aanhef en onder c, wordt onder gemeentelijk monument verstaan een onroerend monument, dat overeenkomstig de bepalingen van deze verordening als beschermd gemeentelijk monument is aangewezen.

Ingevolge artikel 3, eerste lid, kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, een monument aanwijzen als gemeentelijk monument.

Ingevolge het tweede lid vraagt het college advies aan de monumentencommissie, voordat hij een besluit neemt over de aanwijzing.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, is, voor zover thans van belang, artikel 3, tweede lid, van overeenkomstige toepassing indien het college de aanwijzing intrekt.

Volgens de toetsingscriteria bij adviezen inzake plaatsing op de monumentenlijst dient, om te bepalen of een object aangemerkt kan worden als monument, getoetst te worden aan twee basisnormen en een reeks toetsingscriteria waarbij het object in ieder geval dient te voldoen aan de basisnormen en één of meer van de toetsingscriteria.

Basisnormen:

- het object heeft een zekere architectuurhistorische waarde;

- het casco (muurwerk en fundering) verkeert in redelijke staat: het object is te restaureren zonder volledige afbraak.

De toetsingscriteria zijn te verdelen in de volgende hoofdgroepen:

- architectuurhistorische waarde;

- stedenbouwkundige criteria;

- cultuurhistorische criteria.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in het besluit op bezwaar van 24 juli 2007 gemotiveerd is afgeweken van het advies van de Commissie bezwaarschriften. Deze commissie had geadviseerd het bezwaar gegrond te verklaren omdat de monumentencommissie onvoldoende was ingegaan op het door [appellant] overgelegde rapport van het Monumenten Advies Bureau te Nijmegen (hierna: het MAB).

2.2.1. Dit betoog faalt. De monumentencommissie heeft in de bezwaarfase naar aanleiding van het advies van de Commissie bezwaarschriften een nader advies uitgebracht. Hierin is de monumentencommissie ingegaan op de door het MAB gebruikte toetsingscriteria. Ter motivering van het besluit op bezwaar van 24 juli 2007 heeft het college verwezen naar dit advies van de monumentencommissie. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat met dit advies is beoogd de door de Commissie bezwaarschriften aangegeven tekortkoming weg te nemen en dat in dit opzicht niet kan worden gezegd dat het besluit op bezwaar ontoereikend is gemotiveerd. Het college is met deze handelwijze gemotiveerd afgeweken van het advies van de Commissie bezwaarschriften.

2.3. [appellant] betoogt tevens dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies van de monumentencommissie op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. In dit verband voert [appellant] aan dat het in de bezwaarfase overgelegde advies van de monumentencommissie geen onafhankelijk oordeel behelst omdat zij reeds twee maal eerder ter zake van hetzelfde geschil advies heeft uitgebracht. Voorts voert [appellant] aan dat de rechtbank heeft miskend dat het college hem ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om te reageren op dit advies omdat het niet slechts een nadere motivering inhoudt van het door de monumentencommissie in november 2006 uitgebrachte advies.

2.3.1. Dit betoog faalt. De Commissie bezwaarschriften heeft in het advies van de monumentencommissie van november 2006 tekortkomingen gesignaleerd. Het is niet onbegrijpelijk of onjuist dat de monumentencommissie vervolgens de gelegenheid krijgt dit advies nader aan te vullen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat sprake is van een consistente en logische wijze van adviseren en dat er geen grond is voor het oordeel dat de monumentencommissie niet op objectieve wijze heeft geadviseerd. Niet valt in te zien dat de omstandigheid dat de monumentencommissie voorafgaande aan de bezwaarfase reeds twee maal ter zake van hetzelfde geschil advies heeft uitgebracht, van invloed is op de onafhankelijkheid van haar oordeel. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het de onafhankelijkheid van de monumentencommissie - zoals zij ook aangeeft in haar in beroep overgelegde advies van 8 november 2007 - dient dat geen gemeentebestuurder in de monumentencommissie zitting heeft en dat de ambtelijk secretaris geen stemrecht heeft. Voorts heeft de rechtbank terecht overwogen dat het in de bezwaarfase uitgebrachte advies van de monumentencommissie geen nieuwe feiten of omstandigheden bevat die noopten tot het nader horen van [appellant] op de voet van artikel 7:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het was evenmin noodzakelijk om vanuit een oogpunt van zorgvuldige besluitvorming [appellant] in de gelegenheid te stellen schriftelijk op het nadere advies te reageren.

2.4. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het advies van de monumentencommissie naar inhoud niet zodanige gebreken vertoont dat het college hierop niet mocht afgaan. In dit verband voert [appellant] aan dat het pand geen monumentale waarde heeft. Ter ondersteuning van zijn betoog verwijst [appellant] naar de overgelegde rapporten van het MAB. Voorts voert [appellant] in dit verband aan dat het pand niet op economisch aanvaardbare wijze en met behoud van de - door hem bestreden - monumentale waarde geschikt is te maken voor herbestemming. [appellant] verwijst hierbij naar de in hoger beroep overgelegde nadere stukken, met name een rapport van het MAB en een rapport van IBG Architektuur en Bouwplanburo BV.

2.4.1. Het college heeft beoordelingsruimte bij de beantwoording van de vraag of een onroerende zaak kan worden aangemerkt als monument in de zin van de Monumentenverordening. Dat geldt ook indien, zoals hier, aan de orde is of een aangewezen monument nog steeds monumentale waarde heeft. Die beoordelingsruimte is ingevuld met de in overweging 2.1 vermelde toetsingscriteria, zoals deze thans bij aanwijzingsbesluiten worden gehanteerd. In de Monumentenverordening is aan de monumentencommissie een belangrijke adviserende rol toegekend.

De monumentencommissie heeft het pand in het in de bezwaarfase uitgebrachte advies gewaardeerd volgens deze toetsingscriteria. De monumentencommissie heeft daartoe bezien of het pand voldoet aan de basisnormen en of het pand van architectuurhistorische-, stedenbouwkundige- of cultuurhistorische waarde is. Anders dan [appellant] heeft betoogd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het pand niet volgens die criteria gewaardeerd mocht worden.

2.4.2. De monumentencommissie is in het in de bezwaarfase overgelegde advies tot de conclusie gekomen dat het pand voldoet aan de basisnormen, omdat de boerderij waarvan de hoofdvorm gaaf bewaard is gebleven, zoals wordt erkend door het MAB, in redelijk goede staat verkeert. Tevens heeft de monumentencommissie geconcludeerd dat het pand van architectuurhistorische-, stedenbouwkundige- en cultuurhistorische waarde is. De monumentencommissie heeft daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan de omstandigheid dat het pand, zoals eveneens door het MAB wordt erkend, zeldzaam is. De monumentencommissie heeft voorts in het in beroep overgelegde advies van 8 november 2007 het belang van een beoordeling van de waarde van het pand voor de gemeente Oude IJsselstreek in het algemeen en voor de kern Etten in het bijzonder benadrukt.

Gelet op het vorenstaande heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het pand voor de gemeente monumentale waarde heeft. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen dat, zoals hiervoor is overwogen, het college ter bepaling hiervan beoordelingsruimte toekomt en dat de toetsingscriteria vermelden dat deze bij grote zeldzaamheid ruimhartiger kunnen worden toegepast. De door [appellant] overgelegde adviezen van het MAB geven geen aanleiding voor het oordeel dat de adviezen van de monumentencommissie wat het pand betreft innerlijk tegenstrijdig of inhoudelijk onjuist zijn. De verschillen tussen de adviezen worden verklaard door een verschil in waardering dat valt binnen de beoordelingsruimte die het college toekomt.

De monumentencommissie heeft evenwel in het in beroep overgelegde advies van 8 november 2007 haar opvatting dat een schuurtje dat zich op het perceel van [appellant] bevindt en de restanten van de fruitboomgaard, die eveneens zijn aangewezen als monument, met de boerderij samen ensemblewaarde hebben als onderdelen die verwijzen naar een historisch erf en toegevoegd kunnen worden aan de stedenbouwkundige waarde van de boerderij, onvoldoende gemotiveerd. In eerdere adviezen was hieraan niet expliciet aandacht besteed. Het verzoek van [appellant] concentreerde zich weliswaar op het pand maar zag, zoals hij terecht heeft aangevoerd, ook op de desbetreffende schuur. Ook de rechtbank heeft dat onvoldoende onderkend. [appellant] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat de desbetreffende schuur een bouwval is. Gelet hierop is het standpunt van het college, zoals toegelicht in verweer, dat de monumentale waarde van het pand zich mede uitstrekt tot de schuur niet draagkrachtig gemotiveerd.

2.4.3. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college beleidsvrijheid heeft bij de besluitvorming of de aanwijzing van het nog steeds als monumentaal aan te merken pand als gemeentelijk monument kan worden ingetrokken. Die vrijheid brengt mee dat het verzoek van [appellant] afgewezen mag worden, tenzij dat gezien zijn belangen apert onredelijk is.

[appellant] heeft in dat verband zijn eerder in de procedure naar voren gebrachte stelling dat het pand niet op economisch aanvaardbare wijze en met behoud van de monumentale waarde geschikt is te maken voor bewoning, in hoger beroep nader gemotiveerd. Volgens [appellant] volgt uit de in hoger beroep overgelegde rapporten en het eerdere rapport van het MAB van 18 oktober 2007 dat herstel van het pand zoveel geld kost dat deze investering niet in verhouding staat tot de waarde van het pand na herstel. Uit deze stukken volgt echter niet zonder meer dat herstel van het pand ten behoeve van bewoning economisch niet haalbaar is. Aannemelijk is dat er deels sprake is van achterstallig onderhoud en deels van het uitvoeren van eigen wensen die verder gaan dan hetgeen strikt noodzakelijk is. Dergelijke aspecten leiden er niet toe dat het college niet in redelijkheid de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument heeft kunnen handhaven. Het college heeft daarbij betekenis mogen toekennen, zoals het in het verweer in beroep heeft gedaan, aan het advies in beroep van 8 november 2007 van de monumentencommissie waarin zij tot uitdrukking heeft gebracht dat de structuur en de inhoud van het pand geen onoverkomelijke belemmering vormen voor een herbestemming als woning en dat het pand mogelijkheden biedt voor passende wijzigingen en comfortverbetering zonder noemenswaardig verlies van de monumentale waarde. De wensen van [appellant] kunnen aan de orde komen in het kader van een aanvraag om een monumentenvergunning voor het wijzigen van het monument.

2.5. Uit hetgeen in 2.4.2 is overwogen, volgt dat het hoger beroep gegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank niet expliciet een overweging heeft gewijd aan de beroepsgrond met betrekking tot de eveneens aangewezen schuur en niet heeft onderkend dat de monumentale waarde van het pand zich op basis van de daarvoor door het college gegeven motivering niet mede uitstrekt tot de schuur. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van het college van 24 juli 2007 in zoverre alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt wegens strijd met artikel 7:12 van de Awb voor vernietiging in aanmerking, voor zover dat wordt geacht mede betrekking te hebben op de schuur. Wat betreft de schuur zal het college opnieuw op het bezwaar dienen te besluiten.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Voor een door [appellant] geclaimde vergoeding van de kosten van de door hem overgelegde deskundigenrapporten is geen aanleiding, nu het college in redelijkheid de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument heeft kunnen handhaven en het hoger beroep in zoverre ongegrond is en deze rapporten wat de schuur betreft in dit geval niet een relevante bijdrage hebben geleverd aan een voor [appellant] gunstige beantwoording van een voor de uitkomst van het geschil relevante vraag.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 5 januari 2009 in zaak nr. 07/1543, voor zover deze betrekking heeft op de bij het pand behorende en eveneens als gemeentelijk monument aangewezen schuur;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek van 24 juli 2007, kenmerk 07uit02961, voor zover dit betrekking heeft op de bij het pand behorende en eveneens als gemeentelijk monument aangewezen schuur;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.972,96 (zegge: negentienhonderdtweeënzeventig euro en zesennegentig cent), waarvan € 1.288,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Oude IJsselstreek aan [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Dallinga

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

18-616.