Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4340

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200900242/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 december 2008, kenmerk 1412115, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) bij besluit van 22 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Gestel binnen de Ring 2007".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900242/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te Eindhoven,

2. [appellanten sub 2], wonend te Eindhoven,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 december 2008, kenmerk 1412115, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Eindhoven (hierna: de raad) bij besluit van 22 april 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Gestel binnen de Ring 2007".

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 januari 2009, en [appellanten sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 januari 2009, beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn beroep aangevuld bij brief van 5 februari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2009, waar [appellant sub 1], bijgestaan door mr. N. Moghtader, advocaat te Eindhoven, en [appellanten sub 2], bijgestaan door [gemachtigde], zijn verschenen. Voorts is daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door A.A. Renwarin, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plangebied is gelegen ten zuidwesten van het centrum van Eindhoven en maakt deel uit van het stadsdeel Gestel. Met het plan wordt hoofdzakelijk beoogd de bestaande situatie vast te leggen.

2.2.1. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] richten zich in de eerste plaats tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" die zien op de stroken grond achter de bijgebouwen behorend tot hun percelen aan de [locaties]. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] voeren aan dat deze stroken ten onrechte zijn bestemd voor "Verkeers- en verblijfsdoeleinden". Als eigenaren van deze stroken betogen zij dat de toegekende bestemming afbreuk doet aan het privékarakter van deze stroken. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] vrezen voorts voor parkeeroverlast, nu het gebruik van de stroken als parkeerplaats door anderen niet is uitgesloten.

2.2.2. Het college stelt dat de stroken achter de bijgebouwen op de percelen aan de [locaties] zijn bestemd voor "Verkeers- en verblijfsdoeleinden", opdat wordt voorkomen dat de toegankelijkheid van de bijgebouwen wordt beperkt. Voorts komt deze bestemming volgens het college overeen met het huidige gebruik van de stroken.

2.2.3. Ingevolge artikel 17.1, aanhef en onder a, b, c, d en h, van de planvoorschriften zijn de voor verkeers- en verblijfsdoeleinden aangewezen gronden bestemd voor woonstraten; pleinen en paden; met de daarbij behorende parkeervoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.2.4. De Afdeling stelt voorop dat uit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening eigendomsverhoudingen niet van doorslaggevende betekenis zijn. Aan eigendomsverhoudingen kan wel betekenis toekomen indien zij van dusdanige aard zijn dat daarmee verwezenlijking van de bestemming binnen de planperiode niet aannemelijk is. Gelet op het feitelijke gebruik van de stroken als stoep en ontsluiting voor de bijgebouwen en de doeleindenomschrijving van artikel 17.1 van de planvoorschriften, is hiervan niet gebleken. Voor zover [appellant sub 1], [appellanten sub 2] de stroken wensen te gebruiken als eigen parkeerplaats of op deze stroken een afscheiding aan willen brengen, overweegt de Afdeling dat de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" gelet op de doeleindenomschrijving van artikel 17.1 van de planvoorschriften niet aan dit gebruik of een dergelijke voorziening in de weg staat. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen dat de stroken feitelijk worden gebruikt als stoep heeft het college dan ook in redelijkheid kunnen instemmen met de keuze van de raad om de desbetreffende stroken voor "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" te bestemmen.

2.3. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd met betrekking tot de plandelen met de bestemming "Verkeers- en verblijfsdoeleinden" die zien op de stroken grond achter de bijgebouwen behorend tot de percelen aan de [locaties], geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt in zoverre evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. De beroepen zijn in zoverre ongegrond.

2.4. De beroepen van [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] richten zich in de tweede plaats tegen de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Garageboxen" die zien op de bijgebouwen behorend tot hun percelen aan de [locaties]. [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] wensen dat aan deze plandelen, evenals in het vorige plan, de bestemming "Woondoeleinden" wordt toegekend, zodat zij de bedoelde bijgebouwen kunnen gebruiken voor kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of een beroep aan huis. In dit verband brengen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] naar voren dat de bijgebouwen horen bij de voor "Woondoeleinden" bestemde woningen.

2.4.1. Het college stelt dat de bijgebouwen overeenkomstig het bestaande gebruik zijn bestemd. Daarbij brengt het college, in navolging van de raad, naar voren dat het gebruik van de bijgebouwen voor woondoeleinden uit planologisch oogpunt niet wenselijk is.

2.4.2. Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, wordt onder een aan-huis-verbonden-beroep verstaan een vrij beroep, zoals administratieve, juridische en daarmee gelijk te tellen beroepen, dat in of bij een woongebouw wordt uitgeoefend en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden" aangewezen gronden bestemd voor woongebouwen, al dan niet in combinatie met ruimte voor een aan-huis-verbonden beroep, met dien verstande dat de vloeroppervlakte ten behoeve van een aan-huis-verbonden-beroep niet meer dan 50 m2 mag bedragen.

Ingevolge artikel 6.1, aanhef en onder, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor garageboxen aangewezen gronden bestemd voor gebouwen voor de stalling van auto's en andere voertuigen, alsmede voor de berging van huisraad.

2.4.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de bijgebouwen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] op hun perceel liggen, direct grenzen aan de tuin en vanaf die zijde ook bereikbaar zijn. Voorts is van belang dat ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder a, van de planvoorschriften 50 m2 binnen de bestemming "Woondoeleinden" mag worden gebruikt voor een aan huis gebonden beroep zoals omschreven in artikel 1, vierde lid, van de planvoorschriften. Gelet op dit artikellid kunnen de door [appellant sub 1], [appellanten sub 2] gewenste activiteiten wel in de woningen aan de [locaties] worden uitgeoefend, maar niet in de bijgebouwen, terwijl deze bijgebouwen, naar ter zitting is gebleken, zich hiervoor goed lenen. Gelet op deze omstandigheden heeft het college de belangen van [appellant sub 1], [appellanten sub 2] bij een bestemming voor hun bijgebouwen die dit gebruik mogelijk maakt, onvoldoende bij de besluitvorming betrokken.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en [appellanten sub 2] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Garageboxen" die zien op de bijgebouwen behorend tot de percelen aan de [locaties], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. De beroepen zijn in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.6. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 2 december 2008, kenmerk 1412115, voor zover het betreft de goedkeuring van de plandelen met de bestemming "Garageboxen" die zien op de bijgebouwen behorend tot de percelen aan de [locaties];

III. verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 681,69 (zegge: zeshonderdeenentachtig euro en negenenzestig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en tot vergoeding van bij [appellanten sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 37,69 (zegge: zevenendertig euro en negenenzestig cent), met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 1] vergoedt en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 2] vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

234-589.