Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4339

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200900082/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 6 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) voorschriften verbonden aan de bij besluit van 22 juni 2007 aan de besloten vereniging met beperkte aansprakelijkheid Delta Milieu Groencompostering B.V. (hierna: Delta Milieu) verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer. Dit besluit is op 24 november 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.12
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:72
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/296
Omgevingsvergunning in de praktijk 2009/4020

Uitspraak

200900082/1/M1.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Buurtvereniging Recht door Recht, gevestigd te Voorschoten,

appellante,

en

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 november 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college) voorschriften verbonden aan de bij besluit van 22 juni 2007 aan de besloten vereniging met beperkte aansprakelijkheid Delta Milieu Groencompostering B.V. (hierna: Delta Milieu) verleende vergunning als bedoeld in artikel 8.4 van de Wet milieubeheer. Dit besluit is op 24 november 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Buurtvereniging Recht door Recht (hierna: de Buurtvereniging) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 januari 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 november 2009, waar de Buurtvereniging, vertegenwoordigd door W.J. ter Keurs, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.H.J.F. Verstege en B. de Hoop, beiden werkzaam bij de provincie, zijn verschenen. Voorts is Delta Milieu, vertegenwoordigd door G.J.M. Goverde, ter zitting als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Bij het besluit van 22 juni 2007 is aan Delta Milieu een vergunning verleend voor een inrichting voor groencompostering gelegen aan de Papelaan-West 109 te Voorschoten.

Bij uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 in zaak nr. 200706121/1 is het beroep van de Buurtvereniging tegen dit besluit gedeeltelijk gegrond verklaard en is het besluit vernietigd voor zover het de aan de vergunning verbonden voorschriften 3.1.1 en 3.1.2 betreft en voor zover aan de vergunning geen controlevoorschriften waren verbonden ten aanzien van voorschrift 3.1.3. Daarbij is het college opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Het thans bestreden besluit strekt tot uitvoering van deze uitspraak.

2.2. Het college betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard voor zover het betrekking heeft op het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek, omdat het geuronderzoek onderdeel is van zijn besluit van 22 juni 2007. Gelet op de uitspraak van de Afdeling is dat besluit in rechte onaantastbaar voor zover het niet is vernietigd.

2.2.1. De Afdeling overweegt dat het college het onderzoek van Odournet heeft gebruikt om de milieugevolgen van de inrichting te beoordelen voor zover het geur betreft, en om te beoordelen welke voorschriften gesteld dienen te worden om die gevolgen te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken. Het thans bestreden besluit heeft betrekking op voorschriften ter beperking van geurhinder. Tevens heeft het college in het kader van dit besluit de noodzaak tot het verbinden van controlevoorschriften aan een doelvoorschrift betreffende geur beoordeeld. Gelet daarop ligt het geuronderzoek ook ten grondslag aan het thans bestreden besluit. Anders dan het college betoogt is er geen reden het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te achten.

2.3. Het college betoogt dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, voor zover dit is gericht tegen de formulering van voorschrift 3.1.1 en het niet ingaan op voorschrift 3.1.2, aangezien deze voorschriften, die bij de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 zijn vernietigd, geen deel uitmaken van het bestreden besluit.

2.3.1. De Afdeling verstaat het beroep van de Buurtvereniging aldus, dat de volgens de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 vereiste duidelijkheid door de in het onderhavige besluit opgenomen voorschriften niet wordt geboden. Gelet daarop is er geen aanleiding het beroep in zoverre niet-ontvankelijk te achten.

2.4. De Buurtvereniging betoogt dat de jaarlijkse geuremissie van het omzetten in het bij de aanvraag om vergunning gevoegde geurrapport van PRA Odournet van november 2006 onjuist is berekend. Volgens de Buurtvereniging is in de berekeningen uitgegaan van een onjuiste omzetcapaciteit. Volgens haar zou moeten worden uitgegaan van een omzetcapaciteit van 625 ton per uur, zoals waargenomen bij de op het bedrijf verrichte metingen, en niet van de in de berekeningen gehanteerde veel hogere omzetcapaciteit van 3375 ton.

2.4.1. Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 20 augustus 2008 is er geen aanleiding voor het oordeel dat het geuronderzoek onvolledig of onjuist is, noch voor het oordeel dat niet kan worden voldaan aan de geurcontour in voorschrift 3.1.3 behorende bij de vergunning. Hetgeen de Buurtvereniging thans naar voren brengt geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college ten onrechte heeft afgezien van nader onderzoek. De door de Buurtvereniging aangenomen omzet van 625 ton per uur heeft plaatsgevonden ten behoeve van de metingen ter bepaling van de geuremissie per ton. Er is geen aanleiding om aan te nemen dat daarom in de berekeningen moet worden uitgegaan van een reguliere omzetcapaciteit van de inrichting van 625 ton per uur. De beroepsgrond faalt.

2.5. De Buurtvereniging voert aan dat de voorschriften A.3.1, A.3.2 en A.3.3 die het college heeft gesteld ter vervanging van het vernietigde voorschrift 3.1.1 de kern van haar bezwaren niet wegneemt. De buurtvereniging is van mening dat de door haar verlangde duidelijkheid nog steeds niet wordt geboden.

2.5.1. Ten aanzien van voorschrift 3.1.1 heeft de Afdeling in haar uitspraak van 20 augustus 2008 overwogen dat het tot de standaardmaatregelen van de bijzondere regeling G2 voor compostering van groenafval van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: de bijzondere regeling) behoort dat het composteringsproces wordt bewaakt door controle van de temperatuur en het vochtgehalte van de composthoop. Deze maatregelen waren niet in de vergunning opgenomen, en konden hooguit worden geschaard onder voorschrift 3.1.1, dat in zoverre niet voldoende duidelijkheid bood. In zoverre was het toen bestreden besluit naar het oordeel van de Afdeling in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

2.5.2. In het thans bestreden besluit heeft het college aan de vergunning de voorschriften A.3.1, A.3.2 en A.3.3 verbonden.

Volgens voorschrift A.3.1 moet tweemaal per week het vochtgehalte en het zuurstofgehalte van het composterende materiaal worden gemeten en in het logboek genoteerd, en mag het vochtgehalte niet hoger worden dan 60%.

Volgens voorschrift A.3.2 moet, als op grond van metingen van de temperatuur blijkt dat deze hoger is dan 80º C, het composterend materiaal worden beregend of omgezet.

Volgens voorschrift A.3.3 moet, als uit metingen blijkt dat dit het zuurstofgehalte lager is dan 10 %, het composterend materiaal worden omgezet. Indien de windrichting op dat moment richting Dobbewijk is moet worden belucht in plaats van omgezet.

2.5.3. Naar het oordeel van de Afdeling is, nu voornoemde voorschriften aan de vergunning zijn verbonden, Delta Milieu verplicht de maatregelen te nemen die gelet op de bijzondere regeling nodig zijn om geurhinder te beperken tot het volgens de bijzondere regeling acceptabel hinderniveau. De voorschriften bieden, anders dan het door de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 vernietigde voorschrift 3.1.1, voldoende duidelijkheid. Het college heeft zich gelet daarop op het standpunt mogen stellen dat voldoende maatregelen zijn voorgeschreven om geurhinder te beperken tot het volgens voorschrift 3.1.3 toegestane niveau. De beroepsgrond faalt.

2.6. De Buurtvereniging betoogt dat het college in het nieuwe besluit ten onrechte niet ingaat op haar bezwaren en de overwegingen van de Afdeling inzake het vernietigde voorschrift 3.1.2, waarin was bepaald dat bij ernstige hinder in de omgeving de procesvoering onmiddellijk dient te worden beëindigd en het bevoegd gezag hiervan onverwijld in kennis dient te worden gesteld. Volgens de Buurtvereniging was het de vraag hoe en door wie zou worden vastgesteld of sprake is van ernstige hinder in de omgeving.

2.6.1. Het college betoogt dat gelet op de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2008 het voorschrift 3.1.2 is vernietigd en dat uit deze uitspraak volgt dat artikel 17.1 van de Wet milieubeheer geen ruimte biedt om een dergelijk voorschrift aan de vergunning te verbinden. Er was volgens het college daarom geen aanleiding om in het bestreden besluit nog op dit voorschrift in te gaan.

2.6.2. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 augustus 2008 overwogen dat niet voldoende zeker is in welke situaties voorschrift 3.1.2 toepassing kan krijgen. Ten aanzien van het betoog van het college dat voorschrift 3.1.2 betrekking had op calamiteiten of andere uitzonderlijke situaties heeft de Afdeling overwogen dat uit artikel 17.1 van de Wet milieubeheer volgt dat indien zich in de inrichting een ongewoon voorval voordoet of heeft voorgedaan, waardoor negatieve gevolgen voor het milieu zijn ontstaan of dreigen te ontstaan, degene die de inrichting drijft onmiddellijk de maatregelen treft die redelijkerwijs van hem kunnen worden verlangd om de gevolgen van die gebeurtenis te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. In zoverre biedt artikel 17.1 van de Wet milieubeheer geen ruimte om het toen bestreden voorschrift 3.1.2 aan de vergunning te verbinden. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich, gelet op de uitspraak, terecht op het standpunt gesteld dat er geen voorschrift met betrekking tot de gevolgen van calamiteiten en ongewone voorvallen aan de vergunning dient te worden verbonden. De Afdeling overweegt voorts dat het college zich in redelijkheid op het standpunt kon stellen dat voor de reguliere situatie doel- en middelvoorschriften zijn gesteld en dat er geen aanleiding is om aan te nemen dat deze zonder een bepaling ten aanzien van ernstige hinder, anders dan door calamiteiten en ongewone voorvallen, onvoldoende bescherming bieden.

2.7. De Buurtvereniging betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de naleving van voorschrift 3.1.3 kan worden gecontroleerd door controle of de voorgeschreven maatregelen, waaronder de voorschriften voor de procesvoering, worden nageleefd. In voorschrift 3.1.3 is voorgeschreven dat de geuremissie vanwege de inrichting 3 geureenheden per kubieke meter (3 ge/m3), bepaald als uurgemiddelde concentratie, op de contour die is getekend in de bij de aanvraag gevoegde bijlage 7, figuur d, niet meer dan 2 % van de tijd (98-percentiel) mag overschrijden. Volgens de Buurtvereniging gaat de bepaling van de contour gepaard met onzekerheden en zijn de omstandigheden onderhevig aan veranderingen, zodat regelmatige controlemetingen nodig zijn om een juiste gemiddelde waarde te bepalen. Ter zitting heeft de Buurtvereniging gezegd te doelen op herhaalde berekeningen en een snuffelploegonderzoek.

2.7.1. Het college betoogt dat de controle van immissiegrenswaarden voor geur alleen kan plaatsvinden door een concentratiemeting aan de bron gevolgd door een verspreidingsberekening. Het college wijst in dit verband op de Nederlandse emissierichtlijn lucht, paragraaf 2.9.3. Aangezien de inrichting van Delta Milieu ten tijde van het bij de aanvraag gevoegde geuronderzoek al overeenkomstig de aanvraag in werking was, zijn de metingen voor dit onderzoek al onder de aangevraagde omstandigheden uitgevoerd. Gelet daarop zal het opnieuw uitvoeren van het geuronderzoek volgens het college geen nieuwe informatie opleveren. Volgens het college is het niet nodig daarnaast een snuffelploegonderzoek te verlangen, en is dat, gelet op de onbetrouwbaarheid van de resultaten van zo'n onderzoek, ook niet gewenst. De controle van voorschrift 3.1.3 moet volgens het college plaatsvinden door controle op de procesvoering.

2.7.2. Het aan de vergunning verbonden voorschrift 3.1.3 is een doelvoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, eerste lid, van de Wet milieubeheer. Uit de tekst van artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, volgt dat, voor zover aan de vergunning doelvoorschriften zijn verbonden, in ieder geval ook een of meerdere controlevoorschriften als bedoeld in het vierde lid aan de vergunning dienen te worden verbonden. Daarbij is geen ruimte voor een bestuurlijke afweging. Gelet op het voorgaande had het college een voorschrift aan de vergunning moeten verbinden, inhoudende dat op een daarbij aan te geven wijze moet worden bepaald of aan voorschrift 3.1.3 wordt voldaan. Nu dit is nagelaten, is het bestreden besluit op dit punt in strijd met artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt.

2.8. Het beroep is gegrond voor zover aan het bij de vergunning behorende voorschrift 3.1.3 geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit is verbonden.

Inmiddels is artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer gewijzigd en is aan dit artikel een zesde lid toegevoegd. Uit artikel 8.12, vierde lid, vloeit thans geen verplichting meer voort om in dit geval controlevoorschriften aan de vergunning te verbinden. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het niet nodig is om daartoe op grond van het zesde lid over te gaan nu de metingen en berekeningen ter bepaling van de geurcontour reeds onder de aangevraagde omstandigheden hebben plaatsgevonden en van een herhaling van dat onderzoek geen andere resultaten zijn te verwachten. Naar het oordeel van de Afdeling kon het college op grond van de door het college genoemde overwegingen in redelijkheid afzien van een snuffelploegonderzoek. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in zoverre in stand te laten.

2.9. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland van 6 november 2008, kenmerk PZH-2008-991130 voor zover aan het bij de vergunning behorende voorschrift 3.1.3 geen controlevoorschrift als bedoeld in artikel 8.12, vierde lid, van de Wet milieubeheer, zoals dat luidde ten tijde van het bestreden besluit, is verbonden;

III. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand blijven;

IV. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland aan Buurtvereniging Recht door Recht het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en drs. H. Borstlap en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

539.