Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4338

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200809313/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2008, kenmerk 1403070, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna: de raad) bij besluit van 25 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Culitsrode, Innovatief Hippisch Expertisecentrum te Hooge Mierde".

Wetsverwijzingen
Wet geurhinder en veehouderij
Wet geurhinder en veehouderij 1
Wet geurhinder en veehouderij 3
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 1.1
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer
Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/366

Uitspraak

200809313/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Hooge Mierde, gemeente

Reusel-De Mierden,

appellant,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008, kenmerk 1403070, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Reusel-De Mierden (hierna: de raad) bij besluit van 25 maart 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Culitsrode, Innovatief Hippisch Expertisecentrum te Hooge Mierde".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2008, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 4 februari 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. M.J. Smaling, werkzaam bij DAS Rechtsbijstand, en ing. C.A.M. Spapens, werkzaam bij R&S Advies, zijn verschenen. Voorts zijn daar gehoord de raad, vertegenwoordigd door G. Linden en mr. D. van Laerhoven, ambtenaren in dienst van de gemeente, en de [Horse Academy], vertegenwoordigd door mr. A.P. Cornelissen, advocaat te Middelharnis, en [gemachtigde].

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet ten behoeve van de Horse Academy, een innovatief hippisch expertisecentrum met een paardenhouderij, in een uitbreiding met een cursusruimte, een hooi- en stro-opslag, een stapmolen, een kantoor en een leslokaal, stallen en circa tien verblijfsruimten. Daarnaast voorziet het plan in een regeling voor enkele percelen ten noorden van de Horse Academy die als landgoed zijn ingericht.

De Horse Academy is gelegen aan de Koestraat 9-11 te Hooge Mierde. Het plangebied maakt deel uit van de buurtschap Kuilenrode, die wordt gekenmerkt door een mengeling van agrarische bedrijven en burgerwoningen.

2.3. [appellant], die een varkenshouderij exploiteert op het naastgelegen perceel aan de [Koestraat], vreest voor een toename van het aantal verkeersbewegingen over de Koestraat vanwege de uitbreiding van de Horse Academy en vanwege de jaarlijkse evenementen die ingevolge artikel 3.1, onder r, van de planvoorschriften ter plaatse zijn toegestaan.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat gelet op het educatieve karakter van de Horse Academy de publieks- en verkeersaantrekkende werking van de Horse Academy beperkt blijft. Daarnaast acht het college, in het licht van de activiteiten die ter plaatse worden uitgeoefend, de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de evenementen aanvaardbaar.

2.3.2. Uit artikel 3.1, onder r, van de planvoorschriften volgt dat ter plaatse van de gronden met de bestemming "Innovatief hippisch expertisecentrum" maximaal vijf evenementen per kalenderjaar mogen worden gehouden met een duur van maximaal drie dagen per evenement, met uitzondering van één evenement per jaar met een duur van maximaal zeven dagen.

2.3.3. In de Memorie van toelichting bij het raadsvoorstel van 18 maart 2008 is door het college van burgemeester en wethouders een inschatting gemaakt van de groei van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van de Horse Academy. In deze Memorie wordt de verwachting uitgesproken dat het aantal verkeersbewegingen van vrachtauto's met 18 per week zal toenemen. Verder staat in de Memorie dat het aantal verkeersbewegingen tijdens de bestaande evenementen ongeveer gelijk blijft en dat bij de nieuwe evenementen 300 auto's per dag worden verwacht.

Het huidige aantal verkeersbewegingen per dag bedraagt blijkens de Memorie ruim 600 per rijbaan op de Koestraat en ongeveer 1000 per rijbaan in Kuilenrode. Gelet op deze intensiteit heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersaantrekkende werking als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van de Horse Academy beperkt blijft. Wat betreft de toename als gevolg van de evenementen neemt de Afdeling in aanmerking dat deze toename gelet op artikel 3.1, onder r, van de planvoorschriften incidenteel van aard is en zich slechts een beperkt aantal dagen per jaar voordoet.

2.4. [appellant] stelt dat ten minste een deel van de uitbreidingslocatie is gelegen in de Groene Hoofdstructuur landbouw (hierna: GHS-landbouw) met de aanduiding "leefgebied struweelvogels", waarmee een uitbreiding van de Horse Academy zich volgens hem niet verdraagt. Daarnaast voert [appellant] aan dat de uitbreidingsmogelijkheden voor de Horse Academy dusdanig groot zijn, dat wordt afgeweken van de gebruikelijke maximale uitbreidingsmogelijkheden van 15 à 25% van de bestaande bebouwing in het buitengebied.

2.4.1. Het college stelt zich, in navolging van de raad, op het standpunt dat het plangebied buiten de GHS-landbouw ligt. Voor zover met dit plan wordt afgeweken van het provinciale beleid brengt het college naar voren dat de Horse Academy gelet op haar innovatieve functie een belangrijke trekkersrol heeft en in verband hiermee een uitbreiding van de bestaande bebouwing noodzakelijk is. Verder wijst het college erop dat de Horse Academy is gelegen in het bebouwingscluster "Kuilenrode" en dat het noordelijk gelegen buitenterrein voor een groot deel is ingericht met bos en struiken, aansluitend op de natuurwaarden in de omgeving.

2.4.2. Per 1 juli 2008 vervangt de Interimstructuurvisie Brabant in Ontwikkeling van juni 2008 (hierna: Interimstructuurvisie) het Streekplan Noord-Brabant 2002. De Interimstructuurvisie is nader uitgewerkt in de Paraplunota Ruimtelijke Ordening van juli 2008 (hierna: Paraplunota).

In de Interimstructuurvisie staat dat bij een toename van het stedelijk ruimtebeslag binnen de GHS-landbouw het zogeheten "nee, tenzij-principe" geldt. Uit de Paraplunota volgt dat dit principe inhoudt dat de uitbreiding van het stedelijk ruimtebeslag alleen toelaatbaar is als daar zwaarwegende maatschappelijke belangen aan ten grondslag liggen en niet is gebleken van alternatieve locaties buiten de GHS of andere oplossingen waardoor de aantasting van de natuur- en de hiermee samenhangende landschapswaarden wordt voorkomen.

Ingevolge de Paraplunota krijgen agrarisch verwante bedrijven, waaronder de Horse Academy, in beginsel een uitbreidingsruimte van maximaal 25% van het in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsvlak. Niet in geschil is dat het plan in een grotere uitbreiding van het bestemmingsvlak voorziet.

2.4.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de Horse Academy in een bebouwingslint langs de Koestraat in de buurtschap Kuilenrode ligt, waarbinnen agrarische bedrijven en burgerwoningen zijn gevestigd. Voorts is aannemelijk geworden dat de Horse Academy als paardenhouderij een vooraanstaande positie bekleedt vanwege haar innovatieve en educatieve activiteiten. Om de doelstellingen van het bedrijf te realiseren is volgens [gemachtigde] uitbreiding van de huidige faciliteiten noodzakelijk. In het Reconstructieplan Beerze-Reusel van april 2005 (hierna: Reconstructieplan) staat voorts nog vermeld dat de ontwikkeling van de paardenhouderijen in de omgeving van Hooge en Lage Mierde, in het bijzonder de Horse Academy, nadrukkelijk wordt gestimuleerd. Reële alternatieve locaties zijn niet aanwezig en ook het door [appellant] aangedragen alternatief in de zogeheten recreatieve poort kan niet als zodanig worden aangemerkt.

Verder is van belang dat het noordelijk gelegen buitenterrein van de Horse Academy met een omvang van 7 hectare, dat voorheen werd gebruikt voor landbouw, inmiddels is ingericht als landgoed met onder meer bos, struikgewas en open landschap. Bij de vormgeving van het landgoed is blijkens de plantoelichting nadrukkelijk aandacht geschonken aan het feit dat het hier een leefgebied voor struweelvogels betreft. De in het plan met betrekking tot dit terrein toegekende bestemming "Natuur, bos en open landschap" maakt deze inrichting ook mogelijk.

2.4.4. Wat betreft het in de Paraplunota opgenomen uitbreidingspercentage en voor zover het plangebied waarop de uitbreiding is voorzien in de GHS-landbouw ligt, heeft het college zich gelet op het voorgaande in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er dusdanig zwaarwegende belangen ten grondslag liggen aan de uitbreiding van de Horse Academy op deze locatie dat een mogelijke afwijking van de uitgangspunten van het provinciale beleid met betrekking tot de uitbreiding van bedrijfsbebouwing in de GHS-landbouw is gerechtvaardigd.

2.5. [appellant] stelt dat geurgevoelige objecten als verblijfsruimten, kantoren en cursus- en trainingsruimten binnen de geurcontour van zijn bedrijf komen te liggen. Gelet hierop vreest [appellant] dat de voorgenomen uitbreiding de ontwikkeling van zijn bedrijf zal belemmeren.

2.5.1. Het college verwijst naar de op 15 februari 2008 door de SRE Milieudienst berekende geurcontour van 14,0 odeur units per kubieke meter lucht en stelt dat hieruit blijkt dat de uitbreiding van de Horse Academy geheel buiten de geurcontour van de veehouderij zal komen te liggen. Voor zover de veehouderij van [appellant] nog uitbreidingsmogelijkheden heeft, worden deze beperkt door de woningen aan de Koestraat [nummer] en [nummer], aldus het college.

2.5.2. Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder n, o, p en q, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, zijn de gronden met de bestemming "Innovatief hippisch expertisecentrum" mede bestemd voor verblijfsruimten, detailhandel, kantoren en een trainingsruimte. Ingevolge artikel 3.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften is bouwen ten dienste van de in artikel 3.1 omschreven doeleinden uitsluitend toegestaan binnen de op de plankaart opgenomen bouwvlakken.

2.5.3. Ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b en d, van de Wet geurhinder en veehouderij (hierna: Wgv) dient een vergunning voor een veehouderij te worden geweigerd indien de geurbelasting voor een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied en buiten de bebouwde kom, meer dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht bedraagt.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv, voor zover thans van belang, bedraagt in afwijking van het eerste lid van dit artikel de afstand tussen een veehouderij en een geurgevoelig object dat onderdeel uitmaakt van een andere veehouderij ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Een veehouderij is ingevolge artikel 1 van de Wgv een inrichting die tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer aangewezen categorie behoort en is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

Artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur categorieën van inrichtingen worden aangewezen, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken. Deze algemene maatregel van bestuur betreft het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van dit besluit worden als categorieën van inrichtingen als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer, die nadelige gevolgen voor het milieu kunnen veroorzaken, aangewezen de categorieën van inrichtingen, die in bijlage I zijn genoemd. In bijlage I wordt bij categorie 8.1, onder a, voor zover thans van belang, genoemd: het kweken, fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren.

2.5.4. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat het houden en fokken van paarden belangrijke activiteiten van de Horse Academy zijn. Gelet hierop behoort de Horse Academy tot de in artikel 1.1, derde lid, van de Wet milieubeheer in samenhang met artikel 2.1, eerste lid, van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer bedoelde categorieën en moet zij worden aangemerkt als een veehouderij in de zin van artikel 1 van de Wgv. Dit in aanmerking genomen is in dit geval de norm van artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv van toepassing en geldt voor de veehouderij van [appellant], anders dan het college kennelijk veronderstelt, een afstand van 50 meter tot aan de geurgevoelige objecten van de Horse Academy.

2.5.5. Op de plankaart zijn bouwvlakken weergegeven waarbinnen ingevolge artikel 3.2, aanhef en onder a, van de planvoorschriften de bebouwing van de Horse Academy kan worden gerealiseerd. De locatie waarop geurgevoelige objecten, waaronder in ieder geval de verblijfsruimten, kunnen worden gerealiseerd is in de bindende onderdelen van het plan niet nader begrensd. De kortste afstand tussen het bouwvlak van de veehouderij van [appellant] zoals dat in het bestemmingsplan "Buitengebied '98" met betrekking tot het perceel van [appellant] aan de [Koestraat] is toegekend, tot aan het noordelijke bouwvlak van de Horse Academy bedraagt ongeveer 24 meter. Derhalve maakt het plan de realisatie van geurgevoelige objecten binnen de in artikel 3, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wgv voorgeschreven afstand van 50 meter mogelijk.

Ter zitting is gebleken dat de veehouderij van [appellant] nog uitbreidingsmogelijkheden heeft aan de noordzijde van zijn bouwvlak. Nu het plan geurgevoelige objecten mogelijk maakt binnen 50 meter ten opzichte van dit bouwvlak kan het plan leiden tot een beperking van de uitbreidingsmogelijkheden van de veehouderij van [appellant].

2.5.6. Nu het college het belang van [appellant] bij het behoud van de uitbreidingsmogelijkheden van zijn veehouderij niet voldoende bij het bestreden besluit heeft betrokken, is het bestreden besluit in zoverre niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen. Voor zover het college in dit verband stelt dat het belang van [appellant] in het kader van de beoordeling van de bouwvergunningaanvraag in aanmerking wordt genomen, overweegt de Afdeling dat dit belang hierbij geen rol kan spelen.

2.6. Gelet op het voorgaande is het beroep, voor zover gericht tegen de goedkeuring van het gedeelte van het noordelijke bouwvlak ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Innovatief hippisch expertisecentrum" dat binnen 50 meter van het in het bestemmingsplan "Buitengebied '98" aan het perceel aan de [Koestraat] toegekende bouwvlak van de veehouderij van [appellant] ligt, gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

2.7. Voor het overige is de conclusie dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt in zoverre evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 21 oktober 2008, kenmerk 1403070, voor zover het betreft de goedkeuring van het gedeelte van het noordelijke bouwvlak ter plaatse van het plandeel met de bestemming "Innovatief hippisch expertisecentrum" dat binnen 50 meter van het in het bestemmingsplan "Buitengebied '98" aan het perceel aan de Koestraat 17-17a toegekende bouwvlak van de veehouderij van [appellant] ligt;

III. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

IV. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 674,39 (zegge: zeshonderdvierenzeventig euro en negenendertig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant] het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. Th.C. van Sloten, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

234-589.