Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4333

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200901746/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 december 2008, kenmerk 1168290, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Helmond (hierna: de raad) bij besluit van 10 januari 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Tuincentrum [locatie]".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901746/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 16 december 2008, kenmerk 1168290, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Helmond (hierna: de raad) bij besluit van 10 januari 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Tuincentrum [locatie]".

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 11 maart 2009, beroep ingesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld heeft [partij] een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2009, waar [appellant], bijgestaan door mr. L.M.A. Schrieder, werkzaam bij Achmea rechtsbijstand, en [gemachtigde], is verschenen. Voorts zijn daar gehoord, de raad, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus en ir. E. de Ruiter, ambtenaren in dienst van de gemeente, en [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigden], en mr. M.J.H.M. Verhoeven, advocaat te Waalre.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in een tuincentrum met een bedrijfswoning aan de [locatie] in de wijk Mierlo-Hout van Helmond. Bij besluit van 22 augustus 2006 heeft het college besloten over de goedkeuring van het plan. De Afdeling heeft bij uitspraak van 10 oktober 2007 in zaak nr. 200607640/1 dit besluit vernietigd, voor zover dit betrekking heeft op de goedkeuring van het plandeel met de bestemming "Tuincentrum". Hiertoe heeft de Afdeling overwogen:

2.4.1 Met betrekking tot hetgeen appellanten hebben gesteld over de uitbreiding van de bebouwde oppervlakte van het tuincentrum die het plandeel met de bestemming "Tuincentrum" mogelijk maakt, stelt de Afdeling vast dat verweerder in het bestreden besluit verwijst naar het onderdeel "Cijfers en toelichting" in het raadsvoorstel van 15 november 2005 tot vaststelling van het plan. Hierin wordt een overzicht gegeven van de huidige verkoopoppervlakte van het tuincentrum en de door het plan mogelijk gemaakte oppervlaktematen. Er wordt onderscheid gemaakt naar binnenverkoop, buitenverkoop en bebouwde oppervlakte. De Afdeling stelt vast dat geen onderscheid wordt gemaakt naar activiteiten die feitelijk plaatsvinden en welke planologisch zijn toegestaan. Voorts is in het deskundigenbericht geconstateerd dat onduidelijk is hoe groot de oppervlakte is, die voor buitenverkoop wordt gebruikt. Het overzicht zoals dit is voorgelegd aan de gemeenteraad geeft derhalve geen duidelijkheid over de van belang zijnde vraag of er sprake is van een uitbreiding van de voor detailhandel toegestane oppervlakte ten opzichte van de oppervlakte detailhandel die op grond van de voorheen geldende planologische regelingen was toegestaan. Nu verweerder in het bestreden besluit van de bij het raadsvoorstel behorende cijfers is uitgegaan, is de Afdeling van oordeel dat het bestreden besluit in zoverre is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid.

2.4.2. Gelet op de wezenlijke verandering door middel van een aanzienlijke uitbreiding van de bebouwde oppervlakte van het tuincentrum ten opzichte van de bestaande situatie en gelet op het feit dat ingevolge artikel 5.1, aanhef en onder b, van de planvoorschriften maximaal 90% van het totale bebouwingsvlak van het tuincentrum mag worden gebruikt als verkoopvloeroppervlak, had mogen worden verwacht dat onderzoek was gedaan naar de mogelijke toename van het aantal te verwachten bezoekers ten opzichte van de bestaande situatie. De enkele stelling van de exploitant van het tuincentrum dat bezoekers zich, naar de ervaring leert, niet laten lokken door overdekt winkelen, acht de Afdeling onvoldoende om aan te nemen dat het bezoekersaantal niet substantieel zal toenemen. Gelet op de onduidelijkheid over de mogelijke toename van het aantal te verwachten bezoekers, is evenmin duidelijk wat de gevolgen zijn van het plan voor de verkeersveiligheid op de toegangswegen naar het tuincentrum. De Afdeling merkt in dit verband op dat ook in de in opdracht van de gemeenteraad uitgevoerde verkeerstelling, welke dateert van na het bestreden besluit, geen inschatting is gemaakt van een toename van bezoekers als gevolg van het plan.

Rekening houdend met een toename van het aantal bezoekers ten opzichte van de bestaande situatie als gevolg van de aanzienlijke uitbreiding van de overdekte verkoopruimte, is evenmin duidelijk of het bestreden besluit in overeenstemming is met het Besluit luchtkwaliteit 2005 en of dat gebrek wordt weggenomen door het in opdracht van [partij] e.a. uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek van PRA Odournet B.V. van 16 april 2007, waarover verweerder zich overigens niet heeft uitgelaten.

2.3. Bij het bestreden besluit heeft het college wederom goedkeuring verleend aan het plandeel met de bestemming "Tuincentrum". Het beroep van [appellant] richt zich tegen de goedkeuring van dit plandeel. [appellant] voert aan dat het plan in een te grootschalige uitbreiding van het tuincentrum voorziet, nu de bestaande bebouwde oppervlakte met ruim 3000 m2 wordt uitgebreid tot 6953 m2. Een tuincentrum van die omvang tast volgens hem het landelijk karakter van het gebied waarbinnen dit is gevestigd aan. Bovendien zal door de vergroting van de inpandige verkoopoppervlakte het aantal bezoekers flink toenemen, aldus [appellant]. In dit verband vreest [appellant] voor een afname van de verkeersveiligheid op de wegen in de omgeving en een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast vreest hij voor parkeeroverlast, omdat het plan volgens hem niet voorziet in voldoende mogelijkheden voor parkeren.

Verder wijst [appellant] erop dat op 75 meter ten oosten van het tuincentrum het natuurgebied het Groot Goor ligt. In dit verband stelt hij dat het plan onvoldoende ruimte laat voor de Elderse loop en dat er onvoldoende aandacht is besteed aan de natuurwaarden van de omgeving.

Ten slotte stelt [appellant] dat alternatieve locaties voor het tuincentrum onvoldoende zijn onderzocht, nu tegen de huidige locatie van het tuincentrum ernstige bezwaren bestaan.

2.3.1. Het college stelt zich op het standpunt dat een toename van het verkeer binnen de bestaande wegenstructuur kan worden opgevangen en dat de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt. Met betrekking tot de luchtkwaliteit brengt het college in navolging van de raad naar voren dat de grenswaarden niet zullen worden overschreden. Bovendien valt het aantal extra verkeersbewegingen als gevolg van de uitbreiding van het tuincentrum onder de zogenaamde "niet in betekenende mate"-drempel uit de nieuwe Wet milieubeheer (luchtkwaliteiteisen), aldus het college.

2.3.2. Met betrekking tot de stelling dat het tuincentrum niet past in de landelijke omgeving, de vrees voor aantasting van de natuurwaarden in de omgeving van het tuincentrum en de stelling dat het plan niet voorziet in voldoende parkeermogelijkheden overweegt de Afdeling dat deze beroepsgronden ook aan de orde zijn gesteld in het beroep tegen het eerste besluit omtrent goedkeuring van 22 augustus 2006. Deze beroepsgronden hebben echter niet geleid tot de gedeeltelijke vernietiging van dit besluit. [appellant] heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan niet meer kan worden uitgegaan van hetgeen in de eerste uitspraak van 10 oktober 2007 ten aanzien van deze beroepsgronden is overwogen.

2.3.3. Voor zover [appellant] betoogt dat [partij] een uitgebreider assortiment voert dan ingevolge het plan is toegestaan, overweegt de Afdeling dat dit een handhavingskwestie betreft die in deze procedure niet kan worden beoordeeld.

2.3.4. Het college heeft bij de besluitvorming de brief van 17 november 2008 van de raad in aanmerking genomen. In deze brief heeft de raad, in navolging van de uitspraak van de Afdeling van 10 oktober 2007, uiteengezet welke gevolgen van de in het plan voorziene uitbreiding kunnen worden verwacht.

Met betrekking tot de verwachten toename van het aantal bezoekers vermeldt de brief van 17 november 2008 het volgende. Met het plan wordt een uitbreiding van de bebouwing voor binnenverkoop met 3953 m2 mogelijk gemaakt. Het oppervlak voor buitenverkoop neemt af van 6900 m2 naar 1300 m2. Bij gebrek aan concrete cijfers met betrekking tot de gevolgen van veranderingen in verkoopoppervlak voor bezoekersaantallen heeft de raad de toename van het bezoekersaantal bij nabij gelegen tuincentra als gevolg van uitbreiding en de algemene ontwikkelingen in de tuinbranche onderzocht. Op basis hiervan verwacht de raad een groei van het aantal bezoekers met 7% per jaar.

Met betrekking tot de te verwachten toename van het aantal verkeersbewegingen staat in de brief van 17 november 2008 vermeld dat, als de uitbreiding uitzonderlijk succesvol blijkt, op zeer drukke dagen, waarvan er jaarlijks ongeveer tien zijn, een groei van ongeveer 700 autoverkeersbewegingen per dag wordt verwacht. Dit aantal is tot stand gekomen door een groeiverwachting van 10% per jaar gedurende vijf jaren op de door [partij] verstrekte bezoekersaantallen in 2007 toe te passen. Voor reguliere dagen wordt een groei van ongeveer 200 autoverkeersbewegingen per dag verwacht.

Met betrekking tot de luchtkwaliteit heeft de raad het luchtkwaliteitsonderzoek dat [partij] in 2005 heeft laten verrichten door PRA Odournet B.V. in aanmerking genomen. In dit onderzoek is berekend hoeveel verkeer zich maximaal naar het tuincentrum kan begeven zonder dat overschrijding van de normen ingevolge het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) plaatsvindt. De raad heeft vervolgens de huidige verkeersintensiteit op de wegen nabij het tuincentrum en de te verwachten groei hiervan bepaald. Hierbij heeft de raad naast de groei vanwege de uitbreiding van het tuincentrum, ook de groei vanwege de toename van het autobezit in Nederland in aanmerking genomen. Vervolgens heeft de raad deze verkeersintensiteit getoetst aan de maximale verkeersintensiteiten uit het luchtkwaliteitsonderzoek. De uitkomst van deze toets is dat binnen de in deze maximale verkeersintensiteiten wordt gebleven en dat de normen met betrekking tot de luchtkwaliteit uit het Blk 2005 derhalve niet worden overschreden.

2.3.5. Voor zover [appellant] betoogt dat niet had mogen worden uitgegaan van de juistheid van de door [partij] verstrekte gegevens overweegt de Afdeling dat deze gegevens zijn gecontroleerd door de afdeling Economische Aangelegenheden van de gemeente Helmond. Gelet hierop en gelet op de omstandigheid dat bij de berekeningen is uitgegaan van een maximale groeiverwachting heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat aan de berekeningen in de brief van 17 november 2008 zodanige gebreken kleven dat het college deze niet bij de besluitvorming had mogen betrekken. De door hem eerst ter zitting naar voren gebrachte berekeningen wat betreft de bezoekersaantallen en de verkeersintensiteit, dienen, zoals ter zitting is medegedeeld, met het oog op een goede procesorde buiten beschouwing te worden gelaten. Gelet op het moment van indiening was het voor partijen niet mogelijk om ter zitting op passende wijze te reageren. [appellant] heeft voorts geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan van hem redelijkerwijs niet kon worden verlangd dat hij dit eerder naar voren had gebracht.

2.3.6. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat op de toegangswegen van het tuincentrum een maximumsnelheid van 30 km per uur geldt en verkeersremmende drempels aanwezig zijn. Blijkens de ter zitting overgelegde foto's zijn de toegangswegen niet breed, maar kunnen auto's elkaar goed passeren. Uit de brief van 17 november 2008 en het verhandelde ter zitting blijkt voorts dat de verkeersintensiteit op de Walvisstraat, een belangrijke toegangsweg van het tuincentrum, ter hoogte van de [locatie 2] ongeveer 6000 autoverkeersbewegingen per dag en ter hoogte van de [locatie 3] ongeveer 3000 autoverkeersbewegingen per dag bedraagt. Gelet op het voorgaande en gelet op de te verwachten groei van het aantal autoverkeersbewegingen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat als gevolg van de in het plan voorziene uitbreiding de verkeersveiligheid niet in het gedrang komt. Het aantal zeer drukke dagen is voorts niet dusdanig, dat de verkeersdrukte dan niet met praktische maatregelen, zoals de inzet van een verkeersregelaar, kan worden opgevangen.

Met betrekking tot de luchtkwaliteit overweegt de Afdeling dat op 15 november 2007 de wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteiteisen) in werking is getreden. Bij deze wet is het Blk 2005 ingetrokken. Gelet op het feit dat het plan is vastgesteld op 10 januari 2006, dus voor de inwerkingtreding van voormelde wet, is het Blk 2005 in dit geval nog van toepassing, en is de zogeheten "niet in betekende mate - regeling" van de Wet milieubeheer in dit geval nog niet aan de orde. Uit de toets aan de uitkomsten van het luchtkwaliteitsonderzoek van Odournet B.V. komt blijkens de brief van 17 november 2008 naar voren dat de invloed van de uitbreiding op de luchtkwaliteit niet dusdanig is dat niet meer aan de grenswaarden van het Blk 2005 wordt voldaan.

Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat het plan voorziet in overkapping van het vloeroppervlak, hetgeen een reductie van eventuele bestaande geluidoverlast voor [appellant] met zich kan brengen.

2.3.7. Het bestaan van alternatieven kan voorts op zichzelf geen grond vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Gelet op hetgeen hiervoor onder 2.3.6. is overwogen is hiervan niet gebleken. Overigens is blijkens de plantoelichting bij de voorbereiding van dit plan een onderzoek gedaan naar alternatieve locaties voor het tuincentrum. De conclusie van dit onderzoek is dat de huidige locatie voor het tuincentrum de meest haalbare en wenselijke locatie is.

2.3.8. Gelet op het voorgaande heeft het college in redelijkheid een doorslaggevend gewicht kunnen toekennen aan het belang dat is gemoeid met de uitbreiding van het tuincentrum. De conclusie is dan ook dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Tuincentrum", niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Troost, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Troost

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

234-589.