Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200901821/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om een geldelijke bijdrage buiten behandeling gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901821/1/H2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 januari 2009 in zaak nr. 08/15 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) een aanvraag van [appellante] om een geldelijke bijdrage buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 20 november 2007 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 29 januari 2009, verzonden op 3 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief van 11 maart 2009, ingekomen bij de rechtbank Utrecht op 12 maart 2009 en doorgezonden naar de Raad van State, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 14 april 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2009, waar [appellante], bijgestaan door mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven, is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Paragraaf 3.3.7 van de Subsidieverordening gemeente Eindhoven (hierna: de Reductieregeling) heeft als opschrift "Bevordering maatschappelijke participatie (reductieregeling)".

Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Reductieregeling, zoals deze voor het jaar 2006 luidde, verstrekt het college een subsidie voor activiteiten in het kader van sport, recreatie en cultuur alsmede voor kosten verbonden aan de activiteiten van Buurtbedrijven Eindhoven, indien wordt voldaan aan de volgende criteria:

a. de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin heeft woonplaats in Eindhoven; en

b. de alleenstaande, alleenstaande ouder of het gezin heeft een inkomen dat niet hoger is dan 110% van het sociaal minimum en

c. de alleenstaande, de alleenstaande ouder of het gezin heeft gedurende ten minste 12 maanden voorafgaand aan de aanvraag een inkomen genoten zoals genoemd onder b.

2.2. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college haar aanvraag om een geldelijke bijdrage in het kader van de Reductieregeling ten onrechte met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten behandeling heeft gesteld op de grond dat zij binnen de haar bij brief van 18 april 2007 gestelde termijn geen bewijsstukken heeft overgelegd van haar inkomen over de maand februari van het jaar 2006. [appellante] voert aan dat het college reeds over de benodigde gegevens beschikte in het kader van de aanvraag voor een uitkering ingevolgde de Wet werk en bijstand (hierna: Wwb).

2.3. Het betoog slaagt. In de uitspraak van heden in zaak nr. 200901825/1 op het hoger beroep van [appellante] inzake haar aanvraag van 6 december 2006 om een geldelijke bijdrage op grond van de Reductieregeling, heeft de Afdeling overwogen dat [appellante] er in de loop van die procedure consequent op heeft gewezen dat zij telefonisch contact heeft opgenomen met de Dienst, Werk Zorg en Inkomen (hierna: de Dienst) en daarbij heeft aangegeven de benodigde gegevens niet te kunnen overleggen, omdat zij niet over ander inkomen beschikte dan haar alimentatie, en dat zij daarover contact heeft gehad met een baliemedewerker van de Dienst, die geconstateerd zou hebben dat de gegevens met betrekking tot de alimentatie in het Wwb-dossier aanwezig waren. De Afdeling heeft in die uitspraak de door [appellante] geschetste gang van zaken aannemelijk geacht. Aangezien [appellante] ook in de onderhavige zaak heeft aangevoerd dat het college al over de benodigde gegevens beschikt, ziet de Afdeling aanleiding om in dit geval evenzo te oordelen. Van belang is verder dat het college niet heeft weersproken dat het reeds over gegevens beschikte in het kader van aanvragen van [appellante] om een uitkering ingevolge de Wwb. Aan de omstandigheid dat het college ten overstaan van de rechtbank heeft ontkend dat het beschikt over de alimentatiegegevens van [appellante], gaat de Afdeling voorbij, nu het college de Afdeling daarover ter zitting geen toelichting heeft kunnen verschaffen. In aanmerking voorts genomen dat het college [appellante] bij de brief van 18 april 2007 had meegedeeld dat bankafschriften niet als bewijsmiddel worden aanvaard en dat [appellante] in haar contact met de Dienst heeft vermeld dat zij van haar alimentatie uitsluitend bankafschriften kan overleggen, komt de Afdeling, gelet op het voorgaande, en anders dan de rechtbank, tot de slotsom dat het college de aanvraag van [appellante] niet wegens het ontbreken van voldoende gegevens buiten behandeling kon stellen.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 20 november 2007 van het college alsnog gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen waarbij de aanvraag in behandeling wordt genomen.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 29 januari 2009 in zaak nr. 08/15;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 20 november 2007, kenmerk 1379857/148856;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 359,00 (zegge: driehonderdnegenenvijftig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

47-616.