Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4317

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200901421/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan Modulus Noordeinde Monumenten B.V. (hierna: Modulus) vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van de panden aan de Molenstraat 4 tot en met 14 en Oude Molstraat 49 en de bovengedeelten van de panden aan het Noordeinde 44 en 46 tot kantoren, restaurants, 14 woningen en een parkeergarage voor 16 auto's.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901421/1/H1.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2009 in zaak nr. 08/7105 in het geding tussen:

[appellant] en anderen

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 4 april 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) aan Modulus Noordeinde Monumenten B.V. (hierna: Modulus) vrijstelling en reguliere bouwvergunning verleend voor het veranderen van de panden aan de Molenstraat 4 tot en met 14 en Oude Molstraat 49 en de bovengedeelten van de panden aan het Noordeinde 44 en 46 tot kantoren, restaurants, 14 woningen en een parkeergarage voor 16 auto's.

Bij besluit van 15 augustus 2008 heeft het college het door [appellant] en anderen daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2009, verzonden op 15 januari 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] en anderen daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 februari 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 24 maart 2009.

Modulus heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2009, waar [appellant] en anderen, bijgestaan door mr. R.B. van Heijningen, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Remeijer-Schmitz, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting Modulus, vertegenwoordigd door mr. A. Knottnerus, bijgestaan door mr. M.A.T. Schroots, advocaat te Rotterdam, als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan is in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "St. Jacobskerk e.o." (hierna: het bestemmingsplan) op grond waarvan op de percelen de bestemming "Gedetailleerde gemengde bebouwing (GB-gd)" rust. Teneinde het bouwplan mogelijk te maken heeft het college met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling verleend.

2.2. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.

Ingevolge het eerste lid, voor zover thans van belang, wordt onder een goede ruimtelijke onderbouwing bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.

2.3. [appellant] en anderen betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college niet bevoegd was tot het verlenen van vrijstelling. Daartoe voeren zij aan dat het college ten onrechte gebruik heeft gemaakt van de door het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland (hierna: het college van gedeputeerde staten) bij besluit van 13 december 2005 verleende verklaring van geen bezwaar, die bij besluit van 19 december 2006 is verlengd, nu deze verklaring slechts tot 1 januari 2008 geldig was. Voorts voeren zij aan dat het bouwplan niet voldoet aan de randvoorwaarden als bedoeld in de ten tijde van het besluit op het bezwaar geldende en door het college van gedeputeerde staten bij besluit van 9 oktober 2007 vastgestelde lijst met categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO (hierna: de provinciale lijst).

2.3.1. Anders dan [appellant] en anderen betogen, brengt de omstandigheid dat het college vrijstelling heeft verleend onder verwijzing naar een ten tijde van het besluit op bezwaar niet meer geldige bijzondere verklaring van geen bezwaar niet mee dat het college toen niet meer bevoegd was die vrijstelling te verlenen. Ten tijde van het besluit op bezwaar gold immers de bij besluit van 9 oktober 2007 vastgestelde provinciale lijst die is gepubliceerd in het Provinciaal Blad van Zuid-Holland (nr. 96) van 24 oktober 2007. Volgens de provinciale lijst kan vrijstelling worden verleend voor het bouwen ten behoeve van de woonfunctie (woningen, woonzorgcentra, woonwagens,

et cetera) - inclusief bij die functie behorende bijgebouwen, bouwwerken geen gebouwen zijnde en voorzieningen (garages, carports, parkeerkelders, zwembaden, et cetera) - en het omzetten van bestaande functies naar een woonfunctie. Daarbij is, voor zover thans van belang, als randvoorwaarde gesteld dat ontwikkelingen in de op kaart 4 van de Nota Regels voor Ruimte aangegeven gebieden in overeenstemming moeten zijn met de ter plaatse aanwezige cultuurhistorische waarden, zoals aangegeven in het beleidskader behorende bij de Cultuurhistorische Hoofdstructuur. De locatie waarop het bouwplan is voorzien is gelegen in een gebied dat in dat beleidskader is aangemerkt als een nederzetting met zeer hoge waarde. In een zodanig gebied geldt volgens het beleidskader in de planvorming onder meer als uitgangspunt dat nieuwbouw een versterking dient te zijn van de bestaande structuur met inachtneming van de in dit onderdeel van het beleidskader genoemde beeldkwaliteitsaspecten.

Door het college is voldoende aannemelijk gemaakt dat het bouwplan strookt met voormeld uitgangspunt. In hetgeen [appellant] en anderen naar voren hebben gebracht is geen grond te vinden voor het oordeel dat het bouwplan niet voldoet aan de hiervoor weergegeven randvoorwaarden uit de provinciale lijst. Het college was derhalve bevoegd tot het verlenen van vrijstelling.

2.4. [appellant] en anderen betogen voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat zij in hun belangen zijn geschaad door de omstandigheid dat bij het ontwerpbesluit een andere ruimtelijke onderbouwing ter inzage is gelegd dan de aan het besluit op bezwaar ten grondslag liggende ruimtelijke onderbouwing.

2.4.1. Ten behoeve van het voornemen om vrijstelling te verlenen heeft het college een ruimtelijke onderbouwing opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing is bij het ontwerpbesluit ter inzage gelegd en aan het besluit van 4 april 2008 ten grondslag gelegd. Nadien is het college gebleken dat in opdracht van Modulus ook een ruimtelijke onderbouwing is opgesteld. Deze ruimtelijke onderbouwing, het rapport "Noordeinde/Molenstraat" van SAB-Arnhem van 15 januari 2006, is gedurende de bezwaarfase aan [appellant] en anderen kenbaar gemaakt en het college heeft deze ruimtelijke onderbouwing mede aan het besluit op bezwaar ten grondslag gelegd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat niet is gebleken dat [appellant] en anderen daardoor processueel nadeel hebben geleden.

2.5. [appellant] en anderen betogen verder dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing, nu daarin geen relatie is gelegd tussen het bouwplan, dat mede voorziet in zelfstandige woningen op het binnenterrein, en de omstandigheid dat in het bestemmingsplan woonfuncties op het binnenterrein zijn wegbestemd.

2.5.1. In de ruimtelijke onderbouwing van het project is opgemerkt dat het Hofkwartier onderdeel uitmaakt van de zogeheten statige kern, welke bestaat uit een mix van hoogwaardig wonen, werken in kantoren, detailhandel en horeca, waarin het bouwinitiatief naadloos past. Volgens het college is een woonfunctie op het binnenterrein, gelet op de grootte van dit terrein en de opzet van het bouwplan, goed inpasbaar. Stedenbouwkundig vindt er nauwelijks een verandering plaats, aldus het college.

Zoals [appellant] en anderen terecht betogen is er in de ruimtelijke onderbouwing ten onrechte aan voorbijgegaan dat bij het tot stand brengen van het geldende bestemmingsplan woonfuncties op het binnenterrein zijn wegbestemd. Ook in het geval toepassing wordt gegeven aan artikel 19, tweede lid, van de WRO geldt onverkort het vereiste dat, indien geen structuurplan is of wordt opgesteld, in elk geval wordt ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan en wordt gemotiveerd waarom het project past binnen de toekomstige bestemming van het gebied. Het belang van dit vereiste klemt in dit geval te meer, nu er in het geldende bestemmingsplan uitdrukkelijk voor is gekozen om, ondanks de feitelijke aanwezigheid van bebouwing, op het binnenterrein geen woonfuncties toe te laten en thans, zonder dat aan dit gegeven aandacht is besteed, aanleiding wordt gezien daarvan terug te komen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de ruimtelijke onderbouwing in voormeld opzicht te kort schiet.

2.6. Het betoog van [appellant] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan niet voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein, faalt. Het bouwplan voorziet in 16 parkeerplaatsen op eigen terrein. [appellant] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat dit aantal niet in overeenstemming is met de Haagse parkeernormen.

2.7. Het betoog van [appellant] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de verkeersveiligheid aan het verlenen van vrijstelling in de weg staat, faalt. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de verkeersveiligheid niet zal verslechteren door de vergroting van de bestaande parkeergarage van 8 naar 16 parkeerplaatsen, aangezien sprake is van een autoluwe omgeving, het verkeer ter plaatse alleen uit bestemmingsverkeer bestaat en aan de ontsluiting van de parkeergarage niets zal veranderen.

2.8. Ten slotte faalt het betoog van [appellant] en anderen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het bouwplan ook voorziet in wijzigingen aan de voorgevels van de panden. De rechtbank heeft overwogen dat ter zitting vast is komen te staan dat het bouwplan niet voorzien in wijzigingen aan de voorgevels van de panden die van betekenis zijn. [appellant] en anderen hebben het tegendeel niet aangetoond.

2.9. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 15 augustus 2008 alsnog gegrond verklaren. Dit besluit komt in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.

2.10. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 14 januari 2009 in zaak nr. 08/7105;

III. verklaart het door [appellant] en anderen bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag van 15 augustus 2008, kenmerk B.2.08.0493.004;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Den Haag tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VI. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag aan [appellant] en anderen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 361,00 (zegge: driehonderdeenenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Graaff-Haasnoot, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Graaff-Haasnoot

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

531.