Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4315

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200901603/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 mei 2008 heeft het College zorgverzekeringen (hierna: het College) de namens de stichting Woningstichting Rochdale (hierna: Rochdale) door [belanghebbende] ingediende aanvraag om subsidie voor het verwezenlijken van ADL-woningen in de gemeente Katwijk, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901603/1/H2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de stichting Woningstichting Rochdale, gevestigd te Amsterdam,

appellante,

en

het College zorgverzekeringen,

verweerster.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 mei 2008 heeft het College zorgverzekeringen (hierna: het College) de namens de stichting Woningstichting Rochdale (hierna: Rochdale) door [belanghebbende] ingediende aanvraag om subsidie voor het verwezenlijken van ADL-woningen in de gemeente Katwijk, afgewezen.

Bij besluit van 23 januari 2009 heeft het College het door [belanghebbende] namens Rochdale hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft Rochdale bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 26 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2009, waar Rochdale, vertegenwoordigd door mr. D.G. Lasschuit, advocaat te Noordwijk, en bijgestaan door [directeur] van [belanghebbende], en het college, vertegenwoordigd door mr. A.M.C. van Saase, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 44 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat het College subsidies verstrekt overeenkomstig de in die regeling gestelde regeling. Die regeling is de Regeling subsidies AWBZ (hierna: de Regeling). De aangevraagde subsidie viel onder paragraaf 2.7 van de Regeling. Deze paragraaf is met ingang van 1 januari 2009 vervallen. Daarbij is geen overgangsrecht vastgesteld. Daarom moet dit geschil worden beoordeeld aan de hand van de Regeling zoals die gold op 28 mei 2008, de datum van het primaire besluit.

2.2. Bij het bestreden besluit heeft het College de afwijzing van de subsidieaanvraag gehandhaafd, omdat die aanvraag in strijd met artikel 2.7.4 van de Regeling is ingediend nadat met de bouw van de ADL-woningen was aangevangen.

2.3. Onbetwist is dat in het vierde kwartaal van het jaar 2007 met de bouw van ADL-woningen is begonnen en dat de subsidieaanvraag op 2 april 2008 is ingediend.

2.4. In beroep betoogt Rochdale dat het College de subsidieaanvraag ten onrechte heeft afgewezen, nu bijzondere omstandigheden ertoe geleid hebben dat de aanvraag pas is ingediend nadat met de bouw van de ADL-woningen was aangevangen. Daartoe voert Rochdale aan dat de planning van het bouwproject het nodig maakte al met de bouw te beginnen voordat een woningcorporatie was gevonden die de ADL-woningen zou exploiteren.

2.5. Ingevolge artikel 2.7.4 van de Regeling wordt geen subsidie verstrekt indien met de bouw van het cluster een aanvang is gemaakt voordat is beslist op de subsidieaanvraag. De Afdeling heeft eerder overwogen (uitspraak van 10 oktober 2008 in zaak nr. 200806597/1 en 200806597/2) dat artikel 2.7.4 van de Regeling niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is en dat de Regeling het niet mogelijk maakt van deze bepaling af te wijken. Hetgeen Rochdale betoogt komt erop neer dat zij meent dat de Regeling ten onrechte niet voorziet in door haar gevolgde werkwijze. Dit biedt echter geen grond om de Regeling onverbindend te achten.

2.6. Uit het voorgaande volgt dat het College reeds op grond van artikel 2.7.4 van de Regeling de aanvraag moest afwijzen. Gelet hierop behoeven de overige door Rochdale en [belanghebbende] aangevoerde gronden geen bespreking.

2.7. Het beroep is ongegrond.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Meurs-Heuvel

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

47-616.