Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4311

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200907508/2/M1 en 200907510/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

j besluit van 6 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zijpe (hierna: het college) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd, terzake van overtreding van een voorschrift, verbonden aan de bij besluit van 13 juli 2004 verleende en bij besluiten van 5 juli 2005 en 5 september 2008 gewijzigde revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een agrarisch bedrijf mede omvattende een windturbine. De inrichting is gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200907508/2/M1 en 200907510/1/M1.

Datum uitspraak: 17 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

[verzoeker], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Zijpe,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 6 maart 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zijpe (hierna: het college) aan [verzoeker] een last onder dwangsom opgelegd, terzake van overtreding van een voorschrift, verbonden aan de bij besluit van 13 juli 2004 verleende en bij besluiten van 5 juli 2005 en 5 september 2008 gewijzigde revisievergunning als bedoeld in de Wet milieubeheer voor een agrarisch bedrijf mede omvattende een windturbine. De inrichting is gelegen aan de [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 24 augustus 2009 heeft het college het door [verzoeker] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij besluit van 28 augustus 2009 heeft het college een nieuwe last onder dwangsom opgelegd.

Tegen het besluit op bezwaar van 24 augustus 2009 heeft [verzoeker] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 september 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft [verzoeker] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij deze brief heeft [verzoeker] tevens verzocht om een voorlopige voorziening te treffen inzake het besluit van 28 augustus 2009.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 3 november 2009, waar [verzoeker], in persoon, en bijgestaan door Mr. G. Creutzberg, advocaat te Alkmaar, en ir. M. Dijkstra, en het college, vertegenwoordigd door F.G. Allard en C.T.M. Reus, beiden werkzaam bij de Milieudienst Kop van Noord-Holland, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) in werking getreden. Ingevolge artikel IV, eerste lid, van deze wet blijft, indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing. Dit betekent dat het nieuwe recht niet van toepassing is op de behandeling van het verzoek dat betrekking heeft op het besluit van 24 augustus 2009, dat is genomen wegens overtredingen die in de periode van 30 januari tot en met 22 februari 2009 zouden hebben plaatsgevonden. Het nieuwe recht is wel van toepassing op de behandeling van het verzoek dat betrekking heeft op het besluit van 28 augustus 2009, dat is genomen wegens overtredingen die zouden hebben plaatsgevonden in de periode van 17 juli tot en met 13 augustus 2009. Gelet daarop heeft het bezwaar tegen het besluit van 28 augustus 2009 ingevolge artikel 5:39, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, tevens betrekking op besluiten die strekken tot invordering van de op grond van dat besluit verbeurde dwangsommen.

2.3. Bij de besluiten van 6 maart 2009 en 28 augustus 2009 heeft het college [verzoeker] gelast om te voldoen aan voorschrift 2.4, verbonden aan de aan hem verleende vergunning, op verbeurte van een dwangsom per geconstateerde overtreding.

Voorschrift 2.4 heeft betrekking op de tot de inrichting van [verzoeker] behorende windturbine. In het voorschrift is bepaald dat, indien van 7.00 uur tot 22.36 uur de gemiddelde windsnelheid tussen de 4 en 7 meter per seconde ligt op 10 meter hoogte, de windturbine tussen 22.36 uur en 7.00 uur (de volgende dag) moet worden stilgezet. Volgens de toelichting bij het voorschrift kan aldus worden voldaan aan het aan de vergunning verbonden voorschrift V6 waarin is bepaald dat het equivalente geluidsniveau (LAr,Lt) veroorzaakt door de windturbine, ter plaatse van de gevel van een woning van derden of andere geluidgevoelige bestemming niet meer mag bedragen dan in de bij het voorschrift behorende tabel per windsnelheidscategorie.

2.4. [verzoeker] betoogt dat volgens dit voorschrift de windturbine stil moet worden gezet indien tussen 7.00 uur en 22.36 uur de gemiddelde windsnelheid continue tussen de 4 en 7 meter per seconde is geweest. Met gemiddelde snelheid is volgens [verzoeker] bedoeld de gemiddelde snelheid per tien minuten, zoals vastgelegd door het meetsysteem van de windturbine. In dit verband betoogt [verzoeker] dat voorschrift V6 wordt overtreden indien de windsnelheid meer dan 15.36 uur per etmaal tussen de 4 en 7 meter per seconde is. Alleen bij deze snelheid worden namelijk de geluidgrenswaarden overschreden. Dan dient compensatie plaats te vinden door een periode van stilstand tussen 22.36 uur en 7.00 uur (de volgende dag). Bij deze lezing is volgens [verzoeker] geen sprake is geweest van overtreding van voorschrift 2.4. Het college gaat volgens [verzoeker] uit van een verkeerde interpretatie van het voorschrift.

2.5. Volgens het college dient voor de naleving van het voorschrift het gemiddelde van alle windsnelheden over de gehele periode van 7.00 uur tot 22.36 uur in acht te worden genomen, en niet alleen de perioden waarin de wind de snelheid van 4 tot 7 meter per seconde heeft gehad waarbij de geluidgrenswaarden overschreden worden.

2.6. De voorzitter overweegt dat voorschrift 2.4 dat zou zijn overtreden, in samenhang bezien met voornoemd voorschrift V 6, onduidelijk is. Naar het voorlopig oordeel van de voorzitter zijn de milieueffecten bij de lezing van dit voorschrift door [verzoeker] ten opzichte van die van het college betrekkelijk gering. De voorzitter is van oordeel dat niet in het kader van deze procedure maar in het kader van de hoofdzaak na nader onderzoek dient te worden vastgesteld of sprake is van overtreding van voorschrift 2.4.

Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding om het besluit op bezwaar van 24 augustus 2009 en de besluiten van 6 maart 2009 en 28 augustus 2009 te schorsen. Gelet op artikel 5.39, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zoals dit thans luidt heeft de schorsing tevens betrekking op besluiten tot invordering van op grond van het besluit van 28 augustus 2009 verbeurde dwangsommen. De voorzitter zal trachten de behandeling van de hoofdzaak te bespoedigen.

2.7. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Zijpe van 6 maart 2009, kenmerk HJ/AJS/594 en van 24 augustus 2009, kenmerk HJ/AJS/2065;

II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van 28 augustus 2009, kenmerk HJZ/KR/DB tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op het gemaakte bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Zijpe tot vergoeding van bij [verzoeker] in verband met de behandeling van de verzoeken opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 675,69 (zegge: zeshonderdvijfenzeventig euro en negenenzestig cent), waarvan € 644,00 is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zijpe aan [verzoeker] het door hem voor de behandeling van de verzoeken betaalde griffierecht ten bedrage van € 300,00 (zegge: driehonderd euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. H.E. Postma, ambtenaar van Staat.

w.g. Brink w.g. Postma

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009

539.