Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4307

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200903274/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft de commandant van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de Commandant) de ten behoeve van [appellant] verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden op de luchthaven Schiphol ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903274/1/H3.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 maart 2009 in zaak nr. 08-5031 in het geding tussen:

[appellant]

en

de commandant van de Koninklijke Marechaussee.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 maart 2008 heeft de commandant van de Koninklijke Marechaussee (hierna: de Commandant) de ten behoeve van [appellant] verleende toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden op de luchthaven Schiphol ingetrokken.

Bij besluit van 3 juni 2008 heeft de Commandant het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 27 maart 2009, verzonden op 7 april 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

De Commandant heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, en de Commandant, vertegenwoordigd door mr. O. Cinkiz en H. de Best, beiden werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Wpbr) stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, anders dan de leiding van de organisatie of het bureau, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef van het politiekorps in de regio waar de beveiligingsorganisatie dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd. Indien de beveiligingsorganisatie dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd op een luchtvaartterrein, is toestemming nodig van de commandant van de Koninklijke Marechaussee.

Ingevolge het vijfde lid wordt de toestemming onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Ingevolge het zesde lid kan de toestemming worden ingetrokken indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet zou zijn verleend, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

Volgens paragraaf 2.1 van de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (hierna: de Circulaire), die de Commandant als beleidsregel hanteert, wordt toestemming onder meer onthouden indien op grond van omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

Bij de toetsing hiervan gaat het erom dat tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal in het algemeen slechts sprake zijn, indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Ook tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of rapporten kunnen ertoe leiden dat de betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie te werken. Daarbij is van belang of tegen de betrokkene nog altijd een serieuze verdenking bestaat.

Volgens paragraaf 2.1.1 van de Circulaire kan de Commandant hiervan afwijken, indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan een voor betrokkene onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

2.2. Op 19 november 2007 is tegen [appellant] een strafrechtelijk onderzoek aangevangen, omdat hij als verdachte van het plegen van ontucht met een minderjarige en aanranding is aangemerkt. Op 20 maart 2008 is [appellant] in bewaring gesteld. Op 26 maart 2008 heeft de raadkamer van de rechtbank Haarlem de door de officier van justitie gevorderde voortzetting van de voorlopige hechtenis afgewezen en de invrijheidstelling van [appellant] bevolen met ingang van 27 maart 2008.

2.3. De Commandant heeft aan de in bezwaar gehandhaafde intrekking van de toestemming voor het verrichten van beveiligingswerkzaamheden ten grondslag gelegd dat [appellant] als verdachte van vermoedelijke overtreding van de artikelen 244, 245, 247 en 249, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht is aangemerkt. De Commandant heeft in het besluit op bezwaar het standpunt ingenomen dat dit laat zien dat op goede gronden getwijfeld kon worden of [appellant] nog wel de vereiste betrouwbaarheid en geschiktheid had die voor een goede vervulling van de functie van beveiliger is vereist. Het uitgangspunt is, gelet op de aard van deze branche, dat de Commandant ervan mag uitgaan dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven is. De Commandant heeft geen toepassing gegeven aan de in paragraaf 2.1.1 opgenomen hardheidsclausule.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen schending van het beginsel van hoor en wederhoor is die zou moeten leiden tot de vernietiging van het bestreden besluit. Voorts betoogt [appellant] dat de Commandant in strijd met het recht de toestemming heeft ingetrokken tot oktober 2008 en dat de rechtbank deze onrechtmatigheid niet juist heeft beoordeeld.

2.4.1. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het beginsel van hoor en wederhoor niet is geschonden. Ten tijde van de bezwaarprocedure heeft de Commandant telefonisch informatie ingewonnen bij de Afdeling Jeugd en Zeden van de regiopolitie Kennemerland. Een medewerker van die afdeling gaf te kennen dat de Officier van Justitie had bevestigd dat [appellant] als verdachte van het plegen van ontucht met een minderjarige en aanranding zou worden vervolgd. Tijdens de hoorzitting van de bezwaarcommissie van 14 mei 2008 is [appellant] geconfronteerd met deze informatie en is hem gelegenheid gegeven om zijn visie kenbaar te maken. De gemachtigde van [appellant] heeft als reactie op deze informatie gesteld dat er onvoldoende verdenking bestaat, zodat de voorlopige hechtenis niet is verlengd, en dat [appellant] geen verdachte meer is. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de gemachtigde gewezen op de raadkamerbeschikking van 26 maart 2008.

Deze handelwijze van de Commandant ter voorbereiding op het besluit van 3 juni 2008 is niet onzorgvuldig. Dat [appellant] de later verzonden fax met de bevestiging van het standpunt van de Officier van Justitie niet heeft gezien, doet daar niet aan af, nu deze geen nieuwe informatie bevat. Dit deel van het betoog faalt.

2.4.2. Bij de beoordeling van de vraag of aanleiding bestaat een verleende toestemming in te trekken op grond van het zesde lid van artikel 7 van de Wpbr, waarbij wordt aangesloten bij de norm in het vijfde lid van dit artikel, beschikt de Commandant over beoordelingsvrijheid. Deze norm is ingevuld met het beleid van paragraaf 2.1 van de Circulaire.

Over de toepassing van deze norm heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat ten tijde van het bestreden besluit nog steeds een serieuze verdenking bestond van een ernstig strafbaar feit, omdat [appellant] wel heeft gesteld dat hij geen verdachte meer was, maar niet aannemelijk heeft gemaakt dat het Openbaar Ministerie deze mening ook was toegedaan. De raadkamerbeslissing waarop [appellant] zich beroept, vermeldt enkel dat geen grond bestaat tot voortzetting van de voorlopige hechtenis en niet dat in het geheel geen verdenking meer bestaat. Gelet op de verdenking en de van het parket verkregen informatie heeft de Commandant [appellant] niet voldoende betrouwbaar en geschikt hoeven achten om voor een beveiligingsorganisatie te werken, zodat een grondslag tot intrekking van de verleende toestemming bestond.

Bij de beoordeling van de vraag of de Commandant in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot intrekking gebruik heeft mogen maken, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de Commandant als uitgangspunt mocht hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven moeten zijn. Aan medewerkers in de beveiligingsbranche mogen hogere eisen gesteld worden dan aan medewerkers in willekeurige andere branches. De Commandant heeft het belang van de betrouwbaarheid daarom zwaarder mogen laten wegen dan het belang van [appellant] bij behoud van de toestemming en de verleende toestemming in redelijkheid kunnen intrekken. Ook dit deel van het betoog van [appellant] faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.F.N. Pikart-van den Berg, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Pikart-van den Berg

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

350-637.