Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4302

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200902965/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902965/1/H3.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 9 maart 2009 in zaak nr. 08-5028 in het geding tussen:

[appellant]

en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 januari 2008 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: de minister) geweigerd ten behoeve van [appellant] een verklaring van geen bezwaar af te geven.

Bij besluit van 29 mei 2008 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 9 maart 2009, verzonden op 11 maart 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2009, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 oktober 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. J. Singh, advocaat te Hoofddorp, en de minister, vertegenwoordigd door mr. O.J. Elbertsen, ambtenaar in dienst van het ministerie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet veiligheidsonderzoeken (hierna: de Wvo) wordt in deze wet verstaan onder vertrouwensfunctie: een functie die krachtens artikel 3, eerste lid, als zodanig is aangewezen.

Ingevolge die aanhef en onder b, wordt verstaan onder verklaring: een verklaring dat uit het oogpunt van de nationale veiligheid geen bezwaar bestaat tegen vervulling van een bepaalde vertrouwensfunctie door een bepaalde persoon.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, meldt de werkgever een persoon die hij wil belasten met de vervulling van een vertrouwensfunctie aan bij het hoofd van de AIVD.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, wordt, alvorens een verklaring wordt afgegeven of geweigerd, ten aanzien van de betrokken persoon door de AIVD een veiligheidsonderzoek ingesteld.

Ingevolge het tweede lid omvat het veiligheidsonderzoek het instellen van een onderzoek naar gegevens die uit het oogpunt van de nationale veiligheid van belang zijn voor de vervulling van de desbetreffende vertrouwensfunctie, waarbij uitsluitend wordt gelet op gegevens betreffende het aldaar onder a tot en met d vermelde. Onder a zijn vermeld justitiële en strafvorderlijke gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens en gegevens uit politieregisters als bedoeld in de Wet politieregisters.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, kan een verklaring slechts worden geweigerd, indien onvoldoende waarborgen aanwezig zijn dat de betrokkene onder alle omstandigheden de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten getrouwelijk zal volbrengen of indien het veiligheidsonderzoek onvoldoende gegevens heeft kunnen opleveren om daarover een oordeel te geven.

In de Beleidsregel vertrouwensfuncties en veiligheidsonderzoeken op de burgerluchthavens van 30 januari 1997 (Stcrt. 1997, nr. 35, p. 9; hierna: de Beleidsregel) heeft de minister een leidraad neergelegd voor het afgeven van verklaringen van geen bezwaar in verband met de vervulling van vertrouwensfuncties op de burgerluchthavens.

In artikel 1, eerste lid, van de Beleidsregel is als uitgangspunt neergelegd dat indien het naar de betrokken persoon ingestelde veiligheidsonderzoek gegevens heeft opgeleverd als bedoeld in artikel 7, tweede lid, onder a, van de Wvo, bij de beoordeling daarvan rekening wordt gehouden met:

a. de aard van de gegevens;

b. de ouderdom van de gegevens;

c. de aard en de zwaarte van de delicten waarop de gegevens betrekking hebben;

d. de zwaarte van de opgelegde straffen of maatregelen;

e. het aantal in een bepaalde tijdspanne vastgelegde gegevens;

f. de leeftijd van betrokkene ten tijde van het vastleggen van de gegevens.

Volgens het tweede lid wordt bij voormelde beoordeling in het bijzonder gelet op gegevens betreffende:

[…];

g. openlijke geweldpleging of zware vormen van mishandeling;

[…].

2.2. [appellant], geboren op 28 mei 1988, is op 13 september 2007 bij de AIVD aangemeld voor een veiligheidsonderzoek in verband met een door hem geambieerde vertrouwensfunctie op een Nederlandse burgerluchthaven. [appellant] zou in deze functie loodswerkzaamheden gaan verrichten en daarmee regulier toegang hebben tot zones van een burgerluchthaven die om veiligheidsredenen beperkt toegankelijk zijn.

2.3. De minister heeft, in overeenstemming met de minister van Justitie, de verklaring bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 9 januari 2008 geweigerd omdat uit informatie uit het Centraal Justitieel Documentatieregister is gebleken dat [appellant] op 30 oktober 2007 een transactie is aangegaan van € 500,00 voor openlijke geweldpleging tegen personen, als bedoeld in artikel 141, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

2.4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende waarde heeft toegekend aan de omstandigheid dat de transactie niet door hem, maar zonder zijn toestemming door zijn moeder, is voldaan. [appellant] heeft zelf de transactie niet aanvaard of voldaan. De rechtbank is er daarnaast aan voorbij gegaan dat zijn verzoek om restitutie van het door zijn moeder betaalde transactiebedrag is afgewezen, waardoor hem ten onrechte de mogelijkheid is onthouden de rechter om een inhoudelijk oordeel over het aan de transactie ten grondslag gelegde feit te vragen, aldus [appellant].

2.4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de omstandigheid dat de moeder van [appellant], zonder zijn medeweten, de transactie heeft voldaan, voor rekening en risico van [appellant] komt. Voor het ongedaan maken van een dergelijke transactie bestaat een afzonderlijke procedure, die ook in dit geval is gevolgd. Nu in die procedure het verzoek om restitutie is afgewezen, heeft de rechtbank terecht overwogen dat [appellant] daarmee de status van verdachte heeft behouden, waardoor het veiligheidsrisico dat uitging van het strafbare feit niet kon worden uitgesloten. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de minister bij zijn beoordeling derhalve heeft mogen uitgaan van de gegevens zoals die in het Centraal Justitieel Documentatieregister vermeld stonden. Het betoog faalt.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat hij een blanco strafblad heeft en aan zijn persoonlijke omstandigheden voorbij is gegaan.

2.5.1. Bij de beoordeling of onvoldoende waarborgen aanwezig zijn als bedoeld in artikel 8, tweede lid, van de Wvo, komt de minister beoordelingsvrijheid toe die door de rechter terughoudend dient te worden getoetst. Bij het gebruik van deze vrijheid hanteert de minister de Beleidsregel, die ook voor artikel 8 van de Wvo van toepassing kan worden geacht. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de minister niet ten onrechte heeft overwogen dat het plegen van geweldsdelicten niet verenigbaar is met het vervullen van een vertrouwensfunctie op een burgerluchthaven, omdat uit het plegen van geweld blijkt dat iemand geen rekening houdt met de veiligheid van anderen, terwijl een vertrouwensfunctionaris op een burgerluchthaven juist dat veiligheidsaspect in acht moet nemen. De rechtbank heeft evenzeer terecht overwogen dat de minister onvoldoende waarborgen aanwezig heeft mogen achten dat [appellant] de uit de vertrouwensfunctie voortvloeiende plichten onder alle omstandigheden getrouwelijk zal volbrengen en dat het belang van [appellant] niet tot het oordeel leidt dat de minister de gevraagde verklaring niettemin niet had mogen weigeren. Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Kreveld, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Kreveld w.g. De Leeuw-van Zanten

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

97-624.