Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4298

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200805564/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 mei 2008, nummer 1340464, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad) bij besluit van 18 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bouverijen-Woonakker" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200805564/1/R1.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend te [woonplaats], en [appellant sub 1C], wonend te [woonplaats],

2. [appellant sub 2] en anderen, alle gevestigd te [plaats],

3. [appellante sub 3], gevestigd te [plaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2008, nummer 1340464, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Breda (hierna: de raad) bij besluit van 18 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Bouverijen-Woonakker" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1A], [appellant sub 1B] en [appellant sub 1C] (hierna: [appellanten sub 1]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 juli 2008, [appellant sub 2] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 juli 2008, en [appellante sub 3] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 juli 2008, beroep ingesteld. [appellanten sub 1] hebben hun beroep aangevuld bij brief van 20 augustus 2008. [appellante sub 3] heeft haar beroep aangevuld bij brief van 3 september 2008.

De raad heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[appellanten sub 1], [appellant sub 2] en anderen en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellant sub 2] en andere hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 oktober 2009, waar [appellanten sub 1], in de personen van [appellant sub 1C] en [appellant sub 1A], [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door mr. M.P. Wolf, advocaat te Breda, en [appellante sub 3], vertegenwoordigd door mr. R.Th.J. van 't Zelfde, advocaat te Breda, en het college, vertegenwoordigd door B.C. Coolen, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. J.A.M. van der Velden, advocaat te Breda, en J.A. de Bokx, J. Lange en C. Prins, allen ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. De raad stelt dat [appellanten sub 1] op zodanig grote afstanden van het plangebied wonen dat zij om die reden niet als belanghebbenden bij het bestreden besluit kunnen worden aangemerkt.

2.2. Ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent goedkeuring van een bestemmingsplan.

2.2.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

De wetgever heeft deze eis gesteld teneinde te voorkomen dat een ieder, in welke hoedanigheid ook, of een persoon met slechts een verwijderd of indirect belang als belanghebbende zou moeten worden beschouwd en beroep zou kunnen instellen. Om als belanghebbende in de zin van de Awb te kunnen worden aangemerkt, dient een natuurlijk persoon een voldoende objectief en actueel, eigen, persoonlijk belang te hebben dat hem in voldoende mate onderscheidt van anderen en dat rechtstreeks wordt geraakt door het bestreden besluit.

2.2.2. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] wonen beiden in de bebouwde kom van Teteringen te midden van andere woonbebouwing. [appellant sub 1A] woont op een afstand van ongeveer 250 meter tot de grens van het gebied Woonakker, [appellant sub 1B] op een afstand van minimaal 400 meter van het gebied Bouverijen. Vanuit hun woningen hebben zij geen zicht op de gebieden Woonakker en Bouverijen waar de woningbouw is voorzien. De ruimtelijke uitstraling van de woonbebouwing ter hoogte van hun woningen moet, gelet op de afstand en de tussengelegen woonbebouwing, beperkt worden geacht. Onder deze omstandigheden is de afstand naar het oordeel van de Afdeling in beginsel te groot om een bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

De Afdeling overweegt echter dat in de situatie van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet op voorhand kan worden uitgesloten dat zij door het bestreden besluit, ondanks de afstanden van hun woningen tot het plangebied, rechtstreeks in een objectief en persoonlijk belang worden geraakt. In dat verband is van belang dat hun woningen zich op korte afstand van de Oosterhoutseweg bevinden en dat zowel de woonwijken waarin zij wonen als de voorziene woonwijken Woonakker en Bouverijen zullen ontsluiten op deze weg. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] vrezen dat het realiseren van de woningen in de gebieden Woonakker en Bouverijen gevolgen zal hebben voor de intensiteit van het verkeer op de Oosterhoutseweg, waardoor sluipverkeer zal ontstaan in dat deel van Teteringen waar zij wonen. De Afdeling acht deze vrees niet op voorhand van iedere grond ontbloot, zodat, nu een toename van het sluipverkeer van invloed is op de kwaliteit van hun directe woonomgeving, daarin voldoende grond is gelegen voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] om een voldoende objectief bepaalbaar, eigen en persoonlijk belang aan te nemen dat rechtstreeks is betrokken bij het besluit tot goedkeuring van het plan.

Hieruit volgt dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] een rechtstreeks betrokken belang hebben bij het bestreden besluit en kunnen worden aangemerkt als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

Het beroep van [appellanten sub 1], voor zover ingediend door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], is ontvankelijk.

2.2.3. [appellant sub 1C] woont op het perceel [locatie] te Oosterhout, op een afstand van meer dan 2 kilometer ten noorden van het dichtsbijzijnde plangebied Woonakker.

Vanuit zijn woning heeft [appellant sub 1C] geen zicht op de voorziene woningbouw. De ruimtelijke uitstraling van de voorziene woonwijken moet, gelet op de afstand en de tussengelegen woonbebouwing, beperkt worden geacht. Onder deze omstandigheden is de afstand naar het oordeel van de Afdeling in beginsel te groot om een bij het bestreden besluit betrokken belang te kunnen aannemen.

Verder overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1C] niet woonachtig is aan of in de directe nabijheid van een van de ontsluitingswegen voor de voorziene woonwijken, zodat voor relevante nadelige gevolgen vanwege de toename van het verkeer in zijn situatie niet behoeft te worden gevreesd.

De conclusie is dat [appellant sub 1C] geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb is bij het bestreden besluit en dat hij daartegen ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de WRO geen beroep kan instellen.

Het beroep van [appellanten sub 1], voor zover ingediend door [appellant sub 1C], is niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.3. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

Het plan

2.4. Bij uitspraak van 9 juni 2004, zaak nrs. 200303896/1, 200303897/1 en 200303898/1, heeft de Afdeling de besluiten van het college van 22 april 2003 tot goedkeuring van de bestemmingsplannen "Om de Haenen", "Nieuwe Dorpsrand en Waterakkers" en "De Woonakker" vernietigd. Daartoe heeft de Afdeling, voor zover thans van belang, het volgende overwogen:

"2.3.2. De plannen hebben betrekking op buiten de bebouwde kom gelegen gronden. Niet in geschil is dat elk plan afzonderlijk niet voorziet in de mogelijke bouw van 2.000 of meer woningen. Uit de toelichting bij de plannen volgt dat de plannen in samenhang bezien wel voorzien in de mogelijke bouw van 2.000 of meer woningen.

(…)

De plangebieden van de drie plannen grenzen derhalve niet aan elkaar.

Dit feit op zichzelf brengt naar het oordeel van de Afdeling evenwel niet zonder meer met zich dat de in de plannen mogelijk gemaakte woningbouw geen betrekking heeft op een aaneengesloten gebied in de zin van het Besluit m.e.r. 1994. Uit de Nota van Toelichting bij de wijziging van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (Stb. 1999, 224) volgt dat met de zinsnede "in een aaneengesloten gebied" bedoeld is aan te geven dat bij de beoordeling of voor een woningbouwproject voor een dergelijk gebied, dat de gestelde drempelwaarde overschrijdt een MER moet worden gemaakt, de deelprojecten waar dit woningbouwproject uit bestaat niet afzonderlijk maar in samenhang met elkaar moeten worden bezien. Gelet op het doel waartoe deze zinsnede in het Besluit m.e.r. 1994 is opgenomen, kan naar het oordeel van de Afdeling onder omstandigheden ook voldaan zijn aan het daarin gestelde vereiste indien plangebieden die deel uitmaken van één woningbouwproject niet direct aaneensluiten maar een zodanige geografische samenhang vormen dat de milieu-effecten van dit project worden gebundeld en elkaar versterken. Zodanige omstandigheden zijn in het voorliggende geval aanwezig. De plangebieden maken deel uit van één woningbouwproject en behoren blijkens de toelichtingen en het Structuurplan Breda Noordoost - Teteringen tot de VINEX-locatie Breda Noordoost - Teteringen, waar op grond van de bijbehorende taakstelling 3.000 woningen dienen te worden gebouwd. De plangebieden liggen alle aansluitend aan de relatief kleinschalige, uit ongeveer 2.200 woningen bestaande kern Teteringen.

Door de plannen wordt de kern Teteringen wat betreft oppervlakte en aantal inwoners ongeveer verdubbeld. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is bovendien gebleken dat de bestaande voorzieningen, zoals winkels, scholen en sportvelden, in de kern Teteringen in aantal en omvang moeten worden uitgebreid. Daar komt nog bij dat de in de plangebieden aan te leggen woonwijken voor het verkeer geheel worden ontsloten op de Oosterhoutseweg, waardoor de verkeerseffecten van de plannen worden geconcentreerd op deze bestaande hoofdontsluitingsweg van de kern Teteringen en bovendien cumulatie optreedt met het bestaande verkeer op deze weg.

Gelet op het vorenstaande stelt de Afdeling vast dat de plannen onderdeel uitmaken van een woningbouwproject voor een aaneengesloten gebied in de zin van het Besluit m.e.r. 1994 dat voorziet in de mogelijke bouw van 2.000 of meer woningen. Voor het antwoord op de vraag welk plan het ruimtelijke plan is dat als eerste in de mogelijke bouw voorziet en derhalve het MER-plichtige besluit is, is naar het oordeel van de Afdeling de geografische samenhang van de plannen doorslaggevend. Hoe deze samenhang in de tijd tot stand is gekomen, dan wel zichtbaar wordt is niet bepalend. De verplichting tot het opstellen van een MER is derhalve niet zozeer verbonden aan één bepaald plan dat op zeker moment in de tijd tot stand is gekomen, als wel aan het samenhangende geheel van plannen dat als één plan dient te worden aangemerkt. De Afdeling stelt vast dat in het voorliggende geval niet aan de MER-plicht is voldaan. Nu ten onrechte is nagelaten dit MER op te stellen voorafgaande aan het besluit tot verlening van vrijstelling op grond van artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor de bouw van 279 woningen, dient dit MER alsnog mede betrekking te hebben op het gebied waar op grond van de vrijstelling deze 279 woningen reeds zijn gerealiseerd, aangezien ook dit gebied deel uitmaakt van de geografisch samenhangende plannen. Nu de plannen zijn vastgesteld in strijd met het bepaalde in artikel 7.27, eerste lid, van de wet, heeft verweerder door aan de plannen niettemin goedkeuring te verlenen gehandeld in strijd met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht.

(…)

2.4.4. De maatregelen die vereist zijn om het doorgaande verkeer in Teteringen terug te dringen zullen voor het grootste deel buiten de plangebieden moeten worden getroffen. Deze maatregelen worden in de toelichtingen bij de plannen niet nader geconcretiseerd. Niet inzichtelijk is gemaakt of de afwikkeling van het extra verkeer vanwege de te bouwen woonwijken op een voldoende adequate wijze kan worden verzekerd. Vermeld is slechts dat de maatregelen ertoe zullen moeten leiden dat de Oosterhoutseweg onaantrekkelijk en de alternatieve route via de A27 aantrekkelijk wordt voor doorgaand verkeer. Ten tijde van de vaststelling en goedkeuring van de plannen was de planvorming met betrekking tot de reconstructie van de Oosterhoutseweg nog niet afgerond, zodat de aan deze weg te treffen maatregelen alsmede de van deze maatregelen te verwachten resultaten nog grotendeels onzeker waren. Ter zitting is gebleken dat de gemeenteraad niet uitsluit dat, indien dit nodig mocht blijken, de Oosterhoutseweg tussen Teteringen en Oosterhout geheel wordt afgesloten en deze weg zijn functie voor doorgaand verkeer verliest. Eventuele maatregelen met betrekking tot de A27 vallen buiten het bereik van de bevoegdheid van het gemeentebestuur van Breda en zullen moeten worden getroffen door het Rijk. Uit het deskundigenbericht blijkt dat vanwege het Rijk een aantal verkennende studies is verricht maar dat er geen concrete plannen bestaan met betrekking tot het gedeelte van de A27 tussen Breda en Oosterhout. Voorts blijkt uit de stukken dat het terugdringen van het doorgaande verkeer in Teteringen door dit verkeer van de A27 gebruik te laten maken, ertoe zal leiden dat aan de bestaande verkeersstroom op de A27 ongeveer 10.000 motorvoertuigen per etmaal zullen worden toegevoegd. Uit de stukken blijkt niet dat dit gevolg van de plannen in het kader van de voorbereiding van de plannen is onderzocht. In zijn besluiten betrekt verweerder dit aspect evenmin in zijn beoordeling van de plannen en beperkt hij zich tot de mogelijke verkeersoverlast op de Oosterhoutseweg. Daarmee miskent verweerder evenwel dat in gevallen als het voorliggende waarin de ruimtelijke gevolgen van de plannen zich uitstrekken tot buiten de plangebieden, hij gehouden is om bij zijn beoordeling of deze plannen in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening, ook deze ruimtelijke gevolgen te betrekken. Gelet op het vorenstaande zijn de bestreden besluiten in zoverre genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid en derhalve in strijd met het bepaalde in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht."

2.4.1. In de voornoemde uitspraak is met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb goedkeuring onthouden aan de bestemmingsplannen "Om de Haenen", "Nieuwe Dorpsrand en Waterakkers" en "De Woonakker". Ten behoeve van de nieuwe bestemmingsplannen "Om de Haenen", "Meulenspie-Valkenstraat", "Bouverijen-Woonakker" en "Waterdonken-Waterakkers" is in opdracht van het gemeentebestuur een milieueffectrapport (hierna: MER) opgesteld en is onderzoek verricht naar het verkeerssysteem in het algemeen, de mogelijke ontsluitingen van de plangebieden en de gevolgen daarvan.

2.4.2. Het plan voorziet in de bouw van ongeveer 650 woningen in het deelgebied Bouverijen, ten zuidwesten van de kern Teteringen, en ongeveer 510 woningen in het deelgebied Woonakker, ten noorden van Teteringen. Deze gebieden maken onderdeel uit van de zogeheten VINEX-locatie Breda Noordoost - Teteringen. Het plan is gelijktijdig met de bestemmingsplannen "Meulenspie-Valkenstraat"en "Waterdonken-Waterakkers" vastgesteld. Het nieuwe bestemmingsplan "Om de Haenen" is in rechte onaantastbaar. Er zijn in dat gebied reeds 358 woningen gerealiseerd.

Het college heeft het plan goedgekeurd.

Het beroep van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]

2.5. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, omdat een goede verkeersafwikkeling, zowel lokaal als regionaal, niet is verzekerd. Hierdoor zal sprake zijn van veel sluipverkeer in Teteringen, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B]. Ter ondersteuning van deze beroepsgrond, brengen zij meerdere argumenten naar voren.

2.6. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de resultaten van het MER, de uitgevoerde onderzoeken naar het verkeerssysteem en de gemaakte keuze voor oplossingen en maatregelen een aanvaardbare verkeerssituatie in en rondom Teteringen ontstaat.

2.7. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren in de eerste plaats aan dat in het MER ten onrechte geen rekening is gehouden met een aantal voorziene ontwikkelingen in de omgeving van het plangebied die zullen leiden tot een toename van het aantal verkeersbewegingen. Ook maakt de voorziene woningbouw in het Komplan deel uit van de VINEX-locatie en is daarmee ten onrechte geen rekening gehouden. Voorts is volgens hen bovengenoemde uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004 niet in acht genomen, omdat de verkeerskundige gevolgen van de gehele VINEX-locatie buiten de plangebieden onvoldoende in kaart zijn gebracht.

2.7.1. Zoals reeds in 2.4.1. is overwogen, is naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004 in opdracht van het gemeentebestuur van Breda een MER opgesteld. In het MER zijn de milieugevolgen ten gevolge van het realiseren van alle deelgebieden van de VINEX-locatie Teteringen, waaruit blijkens tabel 3.1 van het MER ook de voorziene woningen in Kom Teteringen toebehoren, onderzocht. Daarbij zijn in hoofdstuk 5 van het MER 'Verkeer en vervoer' niet alleen de verschillende mogelijkheden voor de ontsluiting van deze deelgebieden onderzocht, maar ook de gevolgen daarvan op het omliggende wegennetwerk. Gelet hierop is de gehele VINEX-locatie in de milieueffectrapportage betrokken en is ook onderzocht wat de verkeerskundige gevolgen zijn voor de kern Teteringen en het doorgaande verkeer. In zoverre bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004 niet in acht is genomen.

2.7.2. Zoals reeds eerder is overwogen in de uitspraak van de Afdeling van 12 november 2008 inzake het besluit tot goedkeuring van het bestemmingsplan "Om de Haenen", zaak nr. 200706676/1, is in het MER rekening gehouden met regionale ontwikkelingen waaromtrent ten tijde van het opstellen van het MER besluitvorming heeft plaatsgevonden en zijn door middel van een waardevastheidstoets tevens de gevolgen van regionale ontwikkelingen waaromtrent ten tijde van het opstellen van het MER nog geen besluitvorming had plaatsgevonden onderzocht. In hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] in deze procedure naar voren hebben gebracht, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het MER op dit punt onvolledig zou zijn.

2.8. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voeren voorts aan dat in het MER ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar een alternatieve oplossing zoals een route langs het Markkanaal naar de Terheijdenseweg. Voorts voeren zij aan dat de raad en het college ten onrechte stellen dat de Commissie voor de milieueffectrapportage een positief advies voor het MER heeft afgegeven.

2.8.1. De Afdeling stelt vast dat het plan is gebaseerd op het zogeheten Meest Milieuvriendelijk Alternatief uit het MER. In haar toetsingsadvies van 8 februari 2006, rapportnummer 1476/112, heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage gesteld dat de essentiële informatie in het MER en de achtergrondrapporten aanwezig is. Dat de Commissie nog een tweetal adviezen heeft gegeven aan de raad leidt niet tot het oordeel dat de Commissie geen positief advies voor het MER heeft afgegeven. In dit verband wijst de Afdeling erop dat naar aanleiding van het advies van de Commissie om voor de vaststelling van het bestemmingsplan "Om de Haenen" duidelijk te maken welke stappen genomen zullen worden ter bevordering van het regionale verkeer, dergelijke maatregelen zijn voorzien en reeds getroffen. Deze betreffen onder meer de aanleg van een ongelijkvloerse kruising van de Oosterhoutseweg - Nieuwe Kadijk (ringweg Breda) en een reconstructie van het oostelijk deel van de Tilburgse weg tussen de Nieuwe Kadijk en de A27, inclusief het kruispunt van deze wegen.

Met betrekking tot het door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voorgestane alternatief overweegt de Afdeling dat deze route een verbinding vormt tussen het westelijk deel van Oosterhout en het noordelijk deel van Breda en eindigt op de Nieuwe Kadijk. Deze route maakt een wijde boog om Teteringen en voorziet derhalve niet in de ontsluiting van de voorziene woningbouwlocaties. Gelet daarop kan dit door [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] voorgestane alternatief niet worden beschouwd als een redelijkerwijs in beschouwing te nemen alternatief, als bedoeld in artikel 7.10, eerste lid, onder b, sub 2, van de Wet milieubeheer.

2.9. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat het gebruikte rekenmodel en de verkeerstellingen onbetrouwbaar zijn, overweegt de Afdeling dat het gemeentebestuur van Breda in overleg met Rijkswaterstaat, het provinciebestuur en het gemeentebestuur van Oosterhout een regionaal verkeersmodel heeft opgesteld. In het verkeersmodel, dat gebaseerd is op het landelijk model, zijn de effecten in Teteringen, Breda, Oosterhout en op de A27 geanalyseerd en beschreven. Hierbij zijn drie varianten gemaakt die in het MER zijn onderzocht. Van deze varianten is het Meest Milieuvriendelijke Alternatief gekozen en nader uitgewerkt in onder meer onderhavig plan. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat het verkeersmodel zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont dat dit niet zou kunnen worden betrokken bij de vaststelling en goedkeuring van het plan. De Afdeling acht hierbij van belang dat uit het deskundigenbericht volgt dat in het verkeersmodel is gerekend met verkeersintensiteiten die 20% hoger liggen dan de verwachte intensiteiten.

2.10. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen voorts dat de Oosterhoutseweg onvoldoende capaciteit heeft om als ontsluitingsweg van Teteringen, inclusief de voorziene woningen, te dienen. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] brengen naar voren dat de voorziene en reeds uitgevoerde maatregelen volgens hen niet voldoende oplossend vermogen hebben, omdat deze slechts gevolgen hebben voor de lokale verkeersstromen en niet voor de regionale doorstroming. Volgens hen dienen ook verkeersmaatregelen buiten Teteringen te worden getroffen, zoals concrete plannen om de capaciteit op de A27 te vergroten. Voorts levert de Hoogwaardige Openbare Vervoersverbinding (hierna: HOV) geen bijdrage aan de oplossing van het regionale verkeersprobleem en zal de luchtverontreiniging in Teteringen toenemen, aldus [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B].

2.10.1. De doorstroming op de Oosterhoutseweg wordt blijkens de stukken verbeterd door een aantal maatregelen.

De reconstructie van het deel van deze weg vanaf de noordelijke grens van Teteringen tot aan de Hoolstraat is reeds uitgevoerd. Op dit traject zijn drie verkeersregelinstallaties geplaatst en heeft aanpassing plaats gevonden ten behoeve van de HOV. Direct ten noorden van de kern Teteringen heeft de HOV een vrije busbaan. In de kern zelf rijdt en stopt de HOV op de hoofdrijbaan. Om een goede doorstroming te bewerkstelligen krijgt de HOV door middel van een reeds bestaand elektronisch verkeerssysteem prioriteit boven het andere verkeer. De rijbaan bij de verkeersregelinstallaties wordt voor de passerende bus vrijgemaakt. Na doorgang van de bus bij de verkeersregelinstallatie kan de bus stoppen bij de altijd achter de verkeersregelinstallaties geplaatste haltes. Bij het stoppen krijg het verkeer vanaf de kruisende wegen de gelegenheid om over te steken.

Het Moleneind vormt eveneens een verbindingsweg tussen de Oosterhoutseweg en de Nieuwe Kadijk, waardoor het verkeer van de kern Teteringen naar de Nieuwe Kadijk niet allemaal van het zuidelijk en tevens drukste deel van de Oosterhoutseweg gebruik behoeft te maken.

Voorts blijkt uit de stukken dat eveneens maatregelen zijn getroffen om doorgaand verkeer tussen Oosterhout en Breda te stimuleren om gebruik te maken van de rijksweg A27 in plaats van de Oosterhoutseweg. Deze maatregelen betreffen onder meer de reconstructie van de kruising van de Nieuwe Kadijk met de Tilburgseweg en het verlengen en verbreden van de aansluiting Breda-noord op de A27 richting Oosterhout. Tevens zijn de toegangen tot de op- en afrit van de A27 (noordelijk deel) verbreed en verlegd en zijn de op- en afritten van de A27, aansluiting 17, ter hoogte van Oosterhout-Zuid, aangepast met tijdelijke maatregelen waardoor betere doorstroming naar de A27 plaatsvindt. Ook wordt het doorgaande verkeer op de Oosterhoutsweg beperkt door het toepassen van toeritdosering op het kruispunt Oosterhoutseweg-Nieuwe Kadijk en het geven van prioriteit aan de overstekende richtingen bij de door verkeerslichten geregelde kruispunten op de Oosterhoutsweg ter hoogte van de Langelaar, Donkerstaat en Kampakker.

[appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben niet aannemelijk gemaakt dat de reeds getroffen maatregelen ter beperking van het doorgaande verkeer in Teteringen en ter bevordering van de doorstroming van het verkeer op de Oosterhoutseweg niet effectief zouden zijn. Hierbij acht de Afdeling van belang dat de verkeersintensiteit op de Oosterhoutseweg blijkens de stukken in 2007 is afgenomen ten opzichte van 2003, ondanks de inmiddels gerealiseerde woningen in het gebied Om de Haenen. De Afdeling neemt daarbij tevens in aanmerking dat in het deskundigenbericht wordt onderschreven dat de hiervoor beschreven getroffen maatregelen een positief effect hebben op de verkeersintensiteiten op de Oosterhoutseweg en de doorstroming van het verkeer in de kern Teteringen. Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat voornoemde maatregelen hebben geleid tot een afname van de verkeersintensiteiten op de Oosterhoutseweg en dat een deel van dit verkeer gebruik heeft gemaakt van de A27.

Nu geen sprake zal zijn van een toename van verkeer op de Oosterhoutseweg kan het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat het plan extra luchtverontreiniging in Teteringen met zich zal brengen evenmin slagen.

2.10.2. Evenmin hebben [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] aannemelijk gemaakt dat de bouw van de in het plan voorziene woningen zal leiden tot een ernstige verslechtering van de regionale verkeersproblematiek. In dit verband overweegt de Afdeling dat naast de in overweging 2.10.1. genoemde reeds uitgevoerde werkzaamheden, ook andere maatregelen zijn voorzien die tot doel hebben de regionale verkeersafwikkeling te verbeteren. Zo zal de Oosterhoutseweg ten zuiden van de Langelaar heringericht worden met een extra rijstrook voor bussen, een extra rijstrook voor afslaand verkeer naar het gebied Bouverijen en een extra rijstrook voor het afslaand verkeer naar het gebied Meulenspie. Voorts is op de kruising met de aansluitingen van de gebieden Bouverijen en Meulenspie en de kruising met de Nieuwe Kadijk de rijbaan voorzien van een busbaan met halteplaats en tevens twee rijstroken voor het verkeer in zuidelijke richting (één rijstrook voor rechtsafslaand verkeer en één rijstrook voor doorgaand en linksafslaand verkeer). Voorts zullen op de Oosterhoutseweg modernere verkeersregelinstallaties op de kruisingen ter hoogte van de bestaande wegen Langelaar, Meulenspie en Nieuwe Kadijk worden geplaatst, waardoor tijdens drukke periodes het verkeer gedoseerd zal worden doorgelaten. Ook zal een ongelijkvloerse aansluiting Oosterhoutseweg-Nieuwe Kadijk worden gerealiseerd waardoor het autoverkeer de Nieuwe Kadijk gemakkelijker kan bereiken en de doorstroming op de Nieuwe Kadijk wordt verbeterd door het aanpassen van de verkeersregelinstallaties en de coördinatie hiervan. Verder zal de bestaande woonwijk Kerkeind een ontsluiting op de Oosterhoutseweg krijgen via het plangebied van de wijk Bouverijen en de toekomstige kruising van de Oosterhoutseweg met de Meulenspie.

Voorts overweegt de Afdeling dat de minister van Verkeer en Waterstaat als wegbeheerder heeft besloten nog geen concrete maatregelen te treffen op de rijbaan A27 tussen Sint-Annabosch en Hooipolder, het wegvak tussen afrit 16 en afrit 17, omdat bij een verplaatsing over dit wegvak in 2020 kan worden voldaan aan de streefwaarden die in de nota Mobiliteit voor reistijden zijn opgenomen. Ook zijn in de Regionale Verkenning A27 wegvak Hooipolder-St. Annabosch reeds potentiële oplossingen en maatregelen beschreven die bij eventuele problemen kunnen worden toegepast. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet zal leiden tot overbelasting van de A27.

2.10.3. Uit het voorgaande volgt dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de voorziene woningen in het plan noch de voorziene woningen in de bestemmingsplannen "Waterdonken-Waterakkers" en "Meulenspie-Valkenstraat" zullen leiden tot een lokale of regionale onaanvaardbare verkeerssituatie en daarmee gepaard gaand sluipverkeer. Dat niet alle verkeersberekeningen ter inzage hebben gelegen, zoals [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] betogen, is niet gebleken. Voorts behoefde het college in de omstandigheid dat op het drukste punt van de Oosterhoutseweg, direct ten noorden van de Nieuwe Kadijk, een maximale verkeersintensiteit kan worden bereikt die net boven de normbelasting van het CROW reikt geen aanleiding te zien om goedkeuring aan het plan te onthouden. Het college heeft van deze richtlijnen kunnen afwijken nu juist op dat deel van de Oosterhoutseweg veel aanpassingen aan de weg zullen worden gedaan. In dit verband wijst de Afdeling ook op het Verkeerscirculatieplan Teteringen van september 2007 waarin op woonstraatniveau is beschreven wat de effecten zijn van de voorziene en reeds uitgevoerde maatregelen op het verkeer in Teteringen. Hieruit komt eveneens naar voren dat ten gevolge van de voorgenomen ontwikkelingen een goede verkeersafwikkeling en verkeerscirculatie kunnen worden gerealiseerd.

2.11. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] dat het plan niet voldoet aan de uitgangspunten van het Structuurplan Breda Noordoost-Teteringen, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] niet hebben aangevoerd op welke punten volgens hen sprake is van strijd met dit Structuurplan, zodat reeds daarom hun betoog niet kan slagen.

2.12. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellante sub 3]

2.13. [appellante sub 3] betoogt in beroep dat het plan ten onrechte niet voorziet in een directe woondoeleindenbestemming op haar percelen, kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie C, nummers 29, 30 en 429. In dit verband voert zij aan dat haar gronden niet zijn gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied dan wel het waterwingebied en dat de provinciale milieuverordening Noord-Brabant daarom geen beperkingen voor woningbouw op haar gronden met zich kan brengen. Voorts wijst zij erop dat elders in een 25-jaarszone wel woningbouw mag plaatsvinden en dat ten zuiden van haar percelen grootschalige woningbouw heeft plaatsgevonden.

2.13.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de wijze van bestemmen in overeenstemming is met artikel 11 van de WRO en dat uit de kaarten bij de provinciale milieuverordening blijkt dat de percelen van [appellante sub 3] binnen het grondwaterbeschermingsgebied zijn gelegen.

2.13.2. Aan de gronden van [appellante sub 3], kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie C, nummers 29, 30 en 429, is, voor zover thans van belang, de bestemming "Woondoeleinden uit te werken" en de aanduiding "grondwaterbeschermingsgebied" toegekend. Deze gronden zijn gelegen binnen de voorziene woonwijk Woonakker.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Woondoeleinden uit te werken" aangewezen gronden bestemd voor wonen, verkeersdoeleinden, nuts-, groen-, parkeer-, speel- en waterhuishoudkundige voorzieningen en grondwaterbeschermingsgebied, voor zover op de plankaart nader aangeduid.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, van de planvoorschriften werkt het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 11 van de WRO met inachtneming van de bepalingen in artikel 16, zevende lid, van de planvoorschriften de uit te werken bestemming uit met inachtneming van aldaar genoemde regels.

Voor het deelgebied Woonakker is in artikel 5, tweede lid, onder 1 en 2, van de planvoorschriften onder meer bepaald dat het aantal woningen niet minder mag bedragen dan 500, dat de hoofdontsluiting van het gebied zal plaatsvinden via de Oosterhoutseweg en dat de bouwhoogte van woningen niet meer dan 10 meter en de bouwhoogte van woongebouwen niet meer dan 14 meter mag bedragen. Voorts dient bij de inrichting in overleg met het Waterschap Brabantse Delta rekening te worden gehouden met voldoende retentie voor de berging van hemelwater.

2.13.3. In de plantoelichting staat dat een deel van het plangebied Woonakker is gelegen in het grondwaterbeschermingsgebied. Ontwikkeling binnen dit gebied vraagt in de opzet van de wijk brede aandacht voor de waterhuishouding en waterkwaliteitsvraagstuk. Daarom worden, voorafgaand aan het opstellen van de plannen voor de stedenbouwkundige opzet en de openbare ruimte, eerst de uitgangspunten voor de waterhuishouding uitgewerkt. Pas nadat er overeenstemming is met de waterpartijen over de uitgangspunten zullen deze worden verwerkt in de plannen voor de stedenbouwkundige opzet en de openbare ruimte. Omdat de ruimtelijke effecten hiervan nu nog niet inzichtelijk zijn, is er voor gekozen om in de bestemmingsplan te werken met een uit te werken woonbestemming, aldus de plantoelichting.

2.13.4. Met betrekking tot het betoog van [appellante sub 3] omtrent de vraag of haar percelen al dan niet in een grondwaterbeschermingsgebied zijn gelegen, overweegt de Afdeling dat [appellante sub 3] in haar beroepschrift zelf betoogt dat haar percelen zijn gelegen binnen een zogenoemde 25-jaarszone. Blijkens bijlage 6A, onder 7, van de provinciale milieuverordening Noord-Brabant betreffen grondwaterbeschermingsgebieden de waterwingebieden en de 25-jaarszones. Het betoog mist in zoverre derhalve feitelijke grondslag. Dat de raad in zijn schriftelijke uiteenzetting heeft verwezen naar bijlage 6B van de provinciale milieuverordening Noord-Brabant berust naar het oordeel van de Afdeling op een kennelijke verschrijving. De provinciale milieuverordening Noord-Brabant kent geen bijlage 6B en het is voldoende duidelijk dat de raad verwees naar bijlage 6A bij die verordening.

Voorts is, anders dan [appellante sub 3] betoogt, in het bestreden besluit noch in andere stukken ervan uitgegaan dat de percelen van [appellante sub 3] in een waterwingebied zijn gelegen. Het betoog mist derhalve ook in zoverre feitelijke grondslag.

Blijkens de toelichting op de provinciale milieuverordening Noord-Brabant is de functie van de grondwaterbeschermingsgebieden de bescherming van de grondwaterwinning voor de openbare drinkwatervoorziening en milieustimuleringsgebieden. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de belangen van de grondwatervoorziening eerst voldoende gewaarborgd dienen te zijn voordat woningbouw op deze gronden kan worden gerealiseerd en dat derhalve een uit te werken bestemming in dit geval aangewezen is.

2.14. [appellante sub 3] heeft in haar beroepschrift eveneens verwezen naar de inhoud van haar bedenkingen, haar zienswijze en haar inspraakreacties op het plan en op het MER.

In de overwegingen van het bestreden besluit en het vaststellingsbesluit is ingegaan op door [appellante sub 3] in die stukken naar voren gebrachte bezwaren.

[appellante sub 3] heeft in haar beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren door het college en de raad onjuist zou zijn.

2.15. Ten aanzien van de door [appellante sub 3] gemaakte vergelijking met de in het ontwerpbestemmingsplan "Buitengebied Teteringen, Hertenroep 10" neergelegde woonbestemming, van gronden welke eveneens zijn gelegen in een 25-jaarszone, wordt overwogen dat deze situatie verschilt van de aan de orde zijnde situatie. Ter zitting is van de zijde van de raad onweersproken gesteld dat dit ontwerpplan slechts zeer beperkt voorziet in de mogelijkheid tot het oprichten van nieuwe bebouwing, zodat de gevolgen voor de waterhuishouding, anders dan in het gebied Woonakker waar minimaal 500 woningen gerealiseerd zullen worden, te overzien zijn. De door [appellante sub 3] genoemde woningbouw ten zuiden van het gebied Woonakker is gerealiseerd op gronden die niet in een grondwaterbeschermingsgebied zijn gelegen. In hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het op het standpunt heeft gesteld dat de door [appellante sub 3] genoemde situaties niet overeenkomen met de thans aan de orde zijnde situatie.

2.16. De conclusie is dat hetgeen [appellante sub 3] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de plandelen met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken" en de aanduiding "grondwaterbeschermingsgebied" ter plaatse van de percelen kadastraal bekend gemeente Teteringen, sectie C, nummers 29, 30 en 429, niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit in zoverre anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

Het beroep van [appellant sub 2] en anderen

2.17. [appellant sub 2] en anderen betogen in beroep dat het bedrijventerrein "Oosterhoutseweg-Heijstraat" waarop zij hun bedrijven exploiteren ten onrechte niet in het plan is opgenomen. In dit verband voeren zij aan dat het bedrijventerrein in het bestemmingsplan "De Woonakker" wel was opgenomen en dat de omstandigheden thans niet zijn gewijzigd. Volgens hen wordt het bedrijventerrein in het MER ten onrechte gepresenteerd als woningbouwlocatie en zijn daarom de milieugevolgen niet juist weergegeven in het MER. Voorts is een goede verkeersafwikkeling evenmin als in het bestemmingsplan "De Woonakker" gewaarborgd, omdat de voorziene maatregelen geen verbetering voor zowel het lokale als het regionale verkeer met zich zullen brengen.

2.17.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bedrijventerrein als een zelfstandig gebied kan worden beschouwd en dat geen sprake is van een zodanige samenhang met het plangebied dat het daarin had moeten worden opgenomen. Voorts staat nog niet vast wat de toekomstige ontwikkeling van het bedrijventerrein zal zijn. Dit is mede afhankelijk van de realisering van een ecologische verbindingszone ten noorden van Teteringen, aldus het college.

2.17.2. Het betoog van [appellant sub 2] en anderen omtrent de ligging van het bedrijventerrein buiten het plangebied, verstaat de Afdeling als gericht tegen de plangrens.

Gelet op de systematiek van de WRO komt de raad in beginsel een grote mate van beleidsvrijheid toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

In hetgeen [appellant sub 2] en andere hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Zij neemt daarbij in aanmerking dat de gronden die binnen het gebied Woonakker zijn opgenomen een hoofdzakelijk agrarisch en woongebruik kennen en dat het bedrijventerrein een geheel ander gebruik kent. Voorts is van belang dat voor de eventuele ontwikkelingen op het bedrijventerrein in verband met het realiseren van een ecologische verbindingszone nog nader onderzoek dient plaats te vinden. Evenmin is gebleken dat [appellant sub 2] en andere door de gekozen plangrens in hun belangen worden geschaad, nu zij, zoals ter zitting onweersproken is gesteld, op grond van het voor het bedrijventerrein geldende bestemmingsplan de bedrijfsvoering kunnen voortzetten en uitbreiden. Dat in het bestemmingsplan "De Woonakker", vastgesteld door de raad bij besluit van 26 september 2002, het bedrijventerrein wel in het plangebied was opgenomen en dat de omstandigheden na die tijd niet noemenswaardig zijn gewijzigd maakt dit niet anders, omdat aan dit bestemmingsplan door de voornoemde uitspraak van de Afdeling van 9 juni 2004 geen betekenis meer toekomt en de raad gehouden was een nieuw bestemmingsplan vast te stellen. Hierbij heeft de raad, zoals hiervoor overwogen, kunnen kiezen voor een andere begrenzing van het plangebied dan in het bestemmingsplan "De Woonakker".

2.18. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] en andere omtrent de in het MER onderzochte mogelijkheid om op hun gronden woningbouw te realiseren overweegt de Afdeling dat een milieueffectrapportage een hulpmiddel bij de besluitvorming is met als doel om het milieubelang tussen alle andere belangen een volwaardige rol te laten spelen. In de milieueffectrapportage is de mogelijkheid van woningbouw op het huidige bedrijventerrein onderzocht, mede omdat de in het gebied aanwezige bedrijven, waaronder [appellant sub 2], in samenwerking met een vastgoedontwikkelaar, ter plaatse woningbouw wilden ontwikkelen. Hieruit volgt echter niet dat bestuurlijke besluitvorming naar aanleiding van het MER dient te voorzien in woningbouw op de gronden van het bedrijventerrein. Volgens de raad is na gedegen afweging besloten om vooralsnog geen woningbouw op die gronden mogelijk te maken. Gelet hierop bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het MER een onjuist beeld geeft van de milieugevolgen.

2.19. Voorts betogen [appellant sub 2] en andere dat ten onrechte niet een afstand van 100 meter tussen het bedrijventerrein en de voorziene woningbouw in het gebied Woonakker wordt aangehouden. Zij zullen hierdoor in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en evenmin is een goed woon- en leefklimaat voor de nieuwe woonwijk gewaarborgd. Voorts betogen zij dat de voorziene woningbouw afhankelijk is gesteld van een onzekere gebeurtenis, namelijk het verdwijnen van de hindercirkels, hetgeen volgens hen in strijd met artikel 11 van de WRO. Ten slotte betogen zij dat niet is uitgesloten dat door de aanwezigheid van de hindercirkel geen 500 woningen in het gebied Woonakker kunnen worden gebouwd.

2.19.1. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat bij de uitwerking van het plan rekening dient te worden gehouden met de op dat moment bestaande hindercirkels. Gezien de omvang van die cirkels en de omstandigheid dat het een uit te werken bestemming betreft, acht het college de gekozen planregeling aanvaardbaar.

2.19.2. Aan de gronden waarop de door [appellant sub 2] en andere betwiste woningbouw is voorzien is de bestemming "Woondoeleinden uit te werken" toegekend.

Voor de beschrijving van de tekst van artikel 5, eerste en tweede lid, van de planvoorschriften wordt verwezen naar overweging 2.13.2..

Voor het deelgebied Woonakkers is in artikel 5, tweede lid, onder 1, sub a, van de planvoorschriften onder meer bepaald dat het aantal woningen niet minder mag bedragen dan 500.

Voorts is in sub d bepaald dat bij de inrichting van het gebied rekening dient te worden gehouden met de op dat moment nog bestaande hindercirkels van de in de nabijheid van het plangebied gelegen bedrijven.

2.19.3. Het bedrijventerrein is gelegen ten oosten van de voorziene woningen en is daarvan gescheiden door de Heistraat. Niet in geschil is dat de gronden waaraan in het plan de bestemming "Woondoeleinden uit te werken" is toegekend deels zijn gelegen binnen de thans bestaande hindercirkels van onder meer [appellant sub 2] en andere. Evenmin is in geschil dat [appellant sub 2] en andere op hun gronden nog beschikken over uitbreidingsruimte voor hun bedrijven. Ter zitting is door [appellant sub 2] en andere onweersproken gesteld dat uit de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten volgt dat een richtafstand van 100 meter dient te worden aangehouden tussen de bedrijven van [appellant sub 2] en andere en de voorziene woningen.

2.19.4. Anders dan [appellant sub 2] en andere betogen betekent sub d van artikel 5, tweede lid, onder 1, van de planvoorschriften niet dat de uitwerking van de bestemming afhankelijk is gesteld van een onzekere gebeurtenis. Het voorschrift heeft slechts tot gevolg dat bij de uitwerking van de bestemming rekening moet worden gehouden met de bestaande hindercirkels van de in de nabijheid gelegen bedrijven.

Het college en de raad hebben ter zitting echter slechts naar voren gebracht dat bij de uitwerking van het plangebied andere functies dan de functie wonen binnen de nog aanwezige hindercirkels kunnen worden gerealiseerd en dat op deze wijze met de hindercirkels en de bedrijfsbelangen van [appellant sub 2] en andere rekening zal worden gehouden. De Afdeling overweegt in dit verband dat, nu geen concreet zicht bestaat op het beëindigen van de bedrijfsactiviteiten van [appellant sub 2] en andere en deze zelfs kunnen worden uitgebreid, de gekozen planregeling niet voldoende waarborgt dat [appellant sub 2] en andere door de voorziene woningbouw niet in hun bedrijfsvoering zullen worden belemmerd. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het college en de raad ter zitting hebben erkend niet nauwkeurig te weten waar de hindercirkels zijn gelegen en dat ingevolge de planvoorschriften slechts rekening behoeft te worden gehouden met de bestaande hindercirkels. Eveneens acht de Afdeling van belang dat een afstand van honderd meter van het bedrijf van [appellant sub 2] en andere een aanzienlijk deel van het gebied Woonakker beslaat. Het college noch de raad hebben inzichtelijk kunnen maken dat, wanneer binnen de hindercirkels van [appellant sub 2] en andere geen woningbouw zal plaatsvinden, aan de in de planvoorschriften genoemde uitwerkingsregel dat ten minste 500 woningen in het gebied moeten worden gerealiseerd, kan worden voldaan. Gelet hierop heeft het college zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat onder deze omstandigheden aannemelijk is dat het plandeel binnen de planperiode kan worden verwezenlijkt.

2.20. Met betrekking tot het betoog van [appellant sub 2] en andere dat de verkeersmaatregelen niet zullen leiden tot een adequate verkeersafwikkeling, overweegt de Afdeling dat uit de overwegingen 2.10.1., 2.10.2. en 2.10.3. naar voren komt dat ten gevolge van de reeds getroffen en voorziene maatregelen een goede verkeersafwikkeling zowel lokaal als regionaal is gewaarborgd. Het betoog faalt derhalve.

2.21. [appellant sub 2] en andere hebben in hun beroepschrift eveneens verwezen naar de inhoud van hun bedenkingen en zienswijze.

In de overwegingen van het bestreden besluit en het vaststellingsbesluit is ingegaan op door hen in die stukken naar voren gebrachte bezwaren.

[appellant sub 2] en andere hebben in hun beroepschrift, noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende bezwaren door het college en de raad onjuist zou zijn.

2.22. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 2] en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken", voor zover gelegen binnen het gebied Woonakker, is vastgesteld in strijd met artikel 3:2 van de Awb. Door dit plandeel niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met dit artikel in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit op dit punt dient te worden vernietigd.

Uit het vorenstaande volgt dat er rechtens maar één te nemen besluit mogelijk is, zodat de Afdeling aanleiding ziet om goedkeuring te onthouden aan voornoemd plandeel.

Voorts is de conclusie dat hetgeen [appellant sub 2] en andere overigens hebben aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan overigens niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is voor het overige ongegrond.

Proceskosten

2.23. Het college dient ten aanzien van [appellant sub 2] en andere op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. Ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellante sub 3] bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van [appellanten sub 1], niet-ontvankelijk voor zover het beroep mede is ingediend door [appellant sub 1C];

II. verklaart het beroep van [appellant sub 2] en andere gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 27 mei 2008, kenmerk 1340464, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden uit te werken", voor zover gelegen binnen het gebied Woonakker;

IV. onthoudt goedkeuring aan het plandeel als genoemd onder III;

V. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 27 mei 2008;

VI. verklaart de beroepen van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] en [appellante sub 3] ongegrond;

VII. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellant sub 2] en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

VIII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellant sub 2] en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.C.K.W. Bartel, voorzitter, en mr. J.G.C. Wiebenga en mr. G.N. Roes, leden, in tegenwoordigheid van mr. Z. Huszar, ambtenaar van Staat.

w.g. Bartel w.g. Huszar

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

533.