Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4291

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200902097/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009, kenmerk 1240450, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxtel (hierna: de raad) bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Heideweg Liempde" (hierna: het plan). Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2009, beroep ingesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902097/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009, kenmerk 1240450, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Boxtel (hierna: de raad) bij besluit van 26 oktober 2006 vastgestelde bestemmingsplan "Heideweg Liempde" (hierna: het plan). Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 maart 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 30 oktober 2009, waar de raad, vertegenwoordigd door R. Poort, ambtenaar in dienst van de gemeente, is gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet in hoofdzaak in een juridisch-planologische regeling voor een nieuw woongebied in Liempde. Het plangebied bestaat uit twee locaties. De ene locatie betreft een locatie aan de westzijde van de kern Liempde. De andere locatie is een perceel aan de Oude Dijk.

2.3. Als procedureel punt voert [appellant] aan dat het college niet is ingegaan op zijn bedenkingen die betrekking hebben op de Wet geluidhinder en de sociale veiligheid.

Het college stelt zich op het standpunt dat de ingediende bedenkingen in hun geheel zijn beoordeeld, ook nu de bedenkingen in het besluit samengevat zijn weergegeven. Voor wat betreft de onderdelen van de bedenkingen van [appellant] die betrekking hebben op de Wet geluidhinder en de sociale veiligheid, heeft het college ingestemd met hetgeen de raad hierover heeft opgemerkt in het besluit van 26 oktober 2006, tot vaststelling van het plan.

De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht zich er niet tegen verzet dat het college de bedenkingen van het bestreden besluit samengevat heeft weergegeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van de bedenkingen afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat het college de argumenten omtrent de Wet geluidhinder en de sociale veiligheid niet in zijn overwegingen heeft betrokken.

2.4. [appellant] stelt zich op het standpunt dat de locatie aan de Oude Dijk ten onrechte deel uitmaakt van het plangebied. In dit verband voert hij aan dat geen relatie bestaat tussen deze locatie en de andere locatie van het plangebied, nu duidelijk is dat een verplaatsing van de handboogvereniging van de locatie aan de westzijde van de kern van Liempde naar de locatie aan de Oude Dijk geen doorgang zal vinden. [appellant] voert verder aan dat de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" die aan het perceel aan de Oude Dijk is toegekend, onnodig en rechtsonzeker is.

2.4.1. Het college heeft eerder bij besluit van 22 juni 2007 besloten over de goedkeuring van het plan. Dit besluit heeft de Afdeling bij uitspraak van 26 maart 2008, nr. 200705988/1 vernietigd. Ten aanzien van de rechtszekerheid van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" die aan het perceel aan de Oude Dijk is toegekend, heeft de Afdeling het volgende overwogen:

"Aan het perceel is de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" gegeven. Gronden met deze bestemming zijn ingevolge artikel 5.1 van de planvoorschriften bestemd voor voorzieningen voor openbare dienstverlening, sportvoorzieningen met bij behorende faciliteiten, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. De limitatieve doeleindenomschrijving van deze bestemming is voldoende duidelijk over de aard van het te verwachten gebruik van het perceel en is evenmin innerlijk tegenstrijdig. Weliswaar laat de bestemming veel vormen van gebruik toe en heeft daarmee een globaal karakter, maar het behoort tot de beleidsvrijheid van de raad om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Het systeem van de Wet op de Ruimtelijke Ordening brengt mee dat in een bestemmingsplan globale bestemmingen kunnen worden opgenomen. Of een dergelijke bestemmingsregeling uit een oogpunt van rechtszekerheid aanvaardbaar is, dient aan de hand van de zich voordoende feiten en omstandigheden te worden beoordeeld. In dit geval is mede van belang dat de afstand van het perceel tot woonbebouwing circa 80 meter bedraagt en dat het perceel ook verder betrekkelijk geïsoleerd is gelegen. Gelet hierop acht de Afdeling niet aannemelijk dat belangen van omwonenden van het perceel een meer gedetailleerde bestemming vorderen dan thans gegeven is. Het vorenstaande in aanmerking genomen kan de Afdeling het college niet volgen in zijn opvatting dat deze bestemming zich niet verdraagt met de rechtszekerheid."

Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft geen aanknopingspunt voor een ander oordeel over de rechtszekerheid van de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" die aan het perceel aan de Oude Dijk is toegekend dan in voormelde uitspraak van de Afdeling is neergelegd. Hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, geeft evenmin een aanknopingspunt voor het oordeel dat de noodzaak voor de bestemming "Maatschappelijke doeleinden" in dit geval ontbreekt. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de desbetreffende bestemming, die vele vormen van gebruik toestaat, niet binnen de planperiode kan worden verwezenlijkt. De enkele stelling van [appellant] dat zich thans nog geen gegadigde voor het perceel aan de Oude Dijk heeft gemeld, is in dit verband onvoldoende.

2.4.2. Voorts overweegt de Afdeling dat de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan gelet op de systematiek van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Deze vrijheid strekt echter niet zo ver dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd met een goede ruimtelijke ordening moet worden geoordeeld of anderszins in strijd is met het recht.

De locatie aan de Oude Dijk is volgens de plantoelichting en het besluit tot vaststelling van het plan binnen de begrenzing van het plan gebracht, zodat de aan de westzijde van de kern van Liempde gevestigde handboogvereniging eventueel naar deze locatie toe zou kunnen worden verplaatst. De begrenzing van het plan is, zoals de raad ter zitting heeft bevestigd, evenwel ook ingegeven door de omstandigheid dat de desbetreffende locatie geschikt is voor de (her)vestiging van andere (sport)voorzieningen dan de handboogvereniging. Gelet hierop geeft hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

2.5. De conclusie is dat hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In het aangevoerde wordt evenmin aanleiding gevonden voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht.

Het beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra

lid van de enkelvoudige kamer w.g. Jansen

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

399-618.