Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK4290

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-11-2009
Datum publicatie
25-11-2009
Zaaknummer
200806057/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 juni 2008, kenmerk 1356642/1420862, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bergeijk (hierna: de raad) bij besluit van 15 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Terlo" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200806057/1/R2.

Datum uitspraak: 25 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 juni 2008, kenmerk 1356642/1420862, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Bergeijk (hierna: de raad) bij besluit van 15 oktober 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Terlo" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] (hierna in enkelvoud: [appellant]) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 augustus 2008, beroep ingesteld.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht).

[appellant] en de raad hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2009, waar [appellanten], beiden in persoon en bijgestaan door mr. W. Krijger, zijn verschenen. Voorts is ter zitting de raad, vertegenwoordigd door A. Oosterwijk en F.H.J. van den Heuvel, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient hij rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan, dat voor een gedeelte uitwerking behoeft, voorziet in de bouw van ongeveer 200 woningen ten zuidwesten van de kern Bergeijk tegen de kern Loo. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrensd door de Weebosserweg en aan de westzijde door het Kerkpad. Aan de zuidzijde wordt de begrenzing gevormd door de Frater Romboutstraat en in het oosten sluit het plangebied aan op de bestaande woonbebouwing van Bergeijk. [appellant A] woont op het perceel [locatie 1]. [appellant B] woont op het perceel [locatie 2]. Het plangebied wordt doorsneden door de beek Breerijt. Deze beek vormt de zuidelijke perceelsgrens van het perceel [locatie 2].

2.3. [appellant] stelt in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan. Daartoe voert hij onder meer aan dat het plan in strijd is met het provinciale en gemeentelijke beleid.

2.4. Anders dan [appellant] in beroep stelt is het plangebied in het Streekplan Noord-Brabant 2002 niet aangeduid als "zoekgebied regionale waterberging". Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat het beleid dat op die gebieden ziet thans niet aan de orde is. In het uitwerkingsplan Zuidoost Brabant is het gebied voorts aangemerkt als "landelijk gebied" met de nadere aanduidingen "transformatie afweegbaar" en "te ontwikkelen woongebied". Dit betekent dat het transformeren van landelijk gebied naar stedelijk grondgebruik mogelijk is als dat nodig is om in de stedelijke ruimtebehoefte te voorzien. Nu het plan de bouw mogelijk maakt van ongeveer 200 woningen tegen de kern Loo, voorziet het plan in zoverre in uitbreiding van het stedelijke gebied en heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre niet in strijd is met het provinciale beleid.

Het plangebied is voorts in de gemeentelijke StructuurvisiePlus op de kaart Kern Bergeijk aangeduid als "inbreiding (> 10 woningen)" en "uitbreiding wonen" en op de kaart Duurzaam Ruimtelijk Structuurbeeld, strategiekaart als "afweegbaargebied uitbreiding wonen". Het plangebied is niet, zoals [appellant] stelt, aangeduid als "beekdal" of "kwelgebied" zodat het beleid wat betreft beekdalen en kwelgebieden niet op het onderhavige plangebied van toepassing is. Voor zover [appellant] in dit verband wijst op de afwijzing van een particulier bouwinitiatief door het gemeentebestuur vanwege het gemeentelijke waterbeleid wordt overwogen dat de percelen waarop die bebouwing was voorzien in tegenstelling tot het onderhavige plangebied in de StructuurvisiePlus wel zijn aangeduid als "beekdal" zodat reeds daarom geen sprake is van eenzelfde situatie. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in zoverre in strijd is met het gemeentelijke beleid.

2.5. Voorts stelt [appellant] dat niet is gebleken dat de nieuwe woningen noodzakelijk zijn nu uit het Dorpenontwikkelingsplan van de gemeente Bergeijk volgt dat de woningbouwbehoefte kleiner is dan het aantal woningen waarin het plan voorziet.

2.6. Volgens het deskundigenbericht bedraagt de woningbouwbehoefte, gelet op het Dorpenontwikkelingsplan van 7 november 2006, in de kernen Bergeijk en Loo van de gemeente Bergeijk ongeveer 303 woningen in 2010, ongeveer 511 woningen in 2015 en ongeveer 566 woningen in 2020. Volgens het deskundigenbericht voorziet het onderhavige plan samen met twee andere bestemmingsplannen "Hoogte Berkt I" en "Triloo" van de gemeente Bergeijk tot en met 2018 in ongeveer 320 nieuwe woningen. Verder wordt buiten deze drie bestemmingsplannen in de kernen Bergeijk en Loo tot en met 2010 voorzien in de bouw van ongeveer 133 woningen. Dit betekent dat in totaal tot en met 2018 453 nieuwe woningen worden gebouwd. Dit zijn 150 woningen meer dan de behoefte aan nieuwe woningen in 2010, 58 woningen minder dan de behoefte in 2015 en 231 woningen minder dan de woningbouwbehoefte in 2020, aldus het deskundigenbericht.

2.7. De Afdeling ziet geen aanleiding om in zoverre aan de bevindingen in het deskundigenbericht te twijfelen. Het plan maakt derhalve, gelet op de planperiode van tien jaar en bezien in het licht van de overige ontwikkelingen wat betreft woningbouw in de gemeente Bergeijk, niet meer woningen mogelijk dan op basis van de woningbouwbehoefte wenselijk is. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan noodzakelijk is om te voorzien in de woningbehoefte van de gemeente Bergeijk. Dat zoals [appellant] in zijn reactie op het deskundigenbericht stelt het mogelijk is dat op andere locaties in de gemeente Bergeijk meer woningen worden gebouwd waardoor het niet noodzakelijk is om op de onderhavige locatie in woningbouw te voorzien, doet aan het bovenstaande niet af.

2.8. Verder stelt [appellant] dat in het plangebied niet aan de parkeernormen zal worden voldaan, omdat het uitgangspunt in het plan is dat meer dan de helft van het aantal benodigde parkeerplaatsen in het openbaar gebied zal worden gerealiseerd.

2.9. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, nu sprake is van een nieuwbouwlocatie waar de openbare ruimte nog moet worden aangelegd, het niet noodzakelijk is om voor te schrijven dat de benodigde parkeerplaatsen op eigen terrein worden voorzien. Het college onderschrijft dit standpunt en stelt verder dat in voldoende parkeergelegenheid zal worden voorzien, nu in de parkeerberekeningen wordt uitgegaan van de parkeernormen zoals die zijn aanbevolen door de Stichting Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond-, Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek (hierna: CROW).

2.10. In de plantoelichting staat dat het uitgangspunt voor het bepalen van de parkeerbehoefte de CROW-publicatie 182 "parkeercijfers, bron voor parkeernormering" is en dat het aantal benodigde parkeerplaatsen zowel in de openbare ruimte als op eigen terrein kan worden gerealiseerd. Per woning moet minimaal 0,3 parkeerplaats in de openbare ruimte worden gerealiseerd in verband met het bezoekersparkeren, aldus de plantoelichting.

2.11. De Afdeling stelt voorop dat bij de vaststelling en goedkeuring van een bestemmingsplan in het kader van een goede ruimtelijke ordening dient te worden beoordeeld of het plan voldoende ruimte biedt voor de realisering van parkeerplaatsen. Niet van doorslaggevend belang is of deze parkeerplaatsen op eigen terrein dan wel in het openbaar gebied zullen worden gerealiseerd.

Aan de gronden in het plangebied zijn grotendeels de bestemmingen Woondoeleinden (W)", "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" en "Verkeers-, en verblijfsdoeleinden (VV)" toegekend. Ingevolge artikel 3, eerste lid, sub c, artikel 4, eerste lid, sub b en sub f, en artikel 10, eerste lid, sub b, van de planvoorschriften zijn de op de kaart voor deze bestemmingen aangewezen gronden onder meer bestemd voor parkeerdoeleinden. Dit betekent dat binnen bijna het gehele plangebied parkeerplaatsen kunnen worden aangelegd. Nu bij het opstellen van het inrichtingsplan voor de openbare ruimte voor het bepalen van het aantal parkeerplaatsen zal worden uitgegaan van de CROW-normen en gelet op het aantal te realiseren woningen, bezien in het licht van de omvang van het plangebied, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voldoende fysieke ruimte beschikbaar is voor de realisering van de benodigde parkeerplaatsen. De Afdeling ziet in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorziene ontwikkelingen niet tot parkeeroverlast zullen leiden.

2.12. [appellant] voert verder aan dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Hij vreest dat door het gebied verder te verharden de reeds bestaande wateroverlast zal toenemen. Volgens [appellant] volstaat het college ten onrechte met een verwijzing naar het waterhuishoudingsplan dat is opgesteld door Oranjewoud, van 16 mei 2007 (hierna: het waterhuishoudingsplan). Hij stelt dat over het waterhuishoudingsplan slechts globaal overleg heeft plaatsgevonden met het Waterschap De Dommel (hierna: het waterschap). [appellant] is van mening dat onvoldoende duidelijk is welke maatregelen worden getroffen om wateroverlast te voorkomen. Gelet op de door hem bijgehouden waterstand, is volgens [appellant] bovendien in het waterhuishoudingsplan uitgegaan van een onjuiste grondwaterstand, waardoor onder meer de voorziene waterbergingen te klein zijn. Tenslotte is volgens hem niet zeker dat het waterhuishoudingsplan zal worden uitgevoerd, nu dit niet als voorwaarde in planvoorschriften is opgenomen.

2.13. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat indien het waterhuishoudingsplan volgens de beschreven principes en uitgangspunten wordt uitgevoerd er geen wateroverlast optreedt in het plangebied. Hierbij neemt het in aanmerking dat het waterschap met de voorziene ontwikkelingen heeft ingestemd, dat uitgegaan wordt van een berging boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand en dat de raad heeft toegezegd dat de in het waterhuishoudingsplan opgenomen maatregelen daadwerkelijk zullen worden uitgevoerd.

2.14. De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de huidige problematiek in het plangebied met betrekking tot de verwerking van water, aanpassing van het watersysteem noodzakelijk is en dat in overleg met het waterschap is bepaald op welke wijze daaraan uitvoering moet worden gegeven. Conform de eisen van het waterschap is het uitgangspunt van het waterhuishoudingsplan dat het gebiedseigen water zoveel mogelijk wordt vastgehouden en vertraagd afgevoerd. Ter uitvoering hiervan wordt de Breerijt verbreed en verdiept om voldoende bergingscapaciteit te creëren zodat het water tijdens een bui wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater waarna het kan infiltreren. Aldus wordt voorkomen dat het water al tijdens een bui moet infiltreren wat in de huidige situatie problemen oplevert. Waar nodig worden gebieden opgehoogd en waar het plangebied grenst aan bestaande percelen wordt drainage aangelegd om de grondwaterstand op de grens te beheersen. Als de bergingscapaciteit onvoldoende is wordt het water afgevoerd met afvoerconstructies via de Breerijt en de Keersop. De exacte uitvoering van de maatregelen zal in het te zijner tijd geldende uitwerkingsplan worden opgenomen, maar de afmetingen worden volgens de raad zodanig dat voldaan wordt aan de uitgangspunten en hoeveelheden in het waterhuishoudingsplan.

2.15. Volgens het deskundigenbericht is het beleid van het waterschap erop gericht om de grondwaterstand niet te verlagen. Dit beleid vormt het uitgangspunt van het waterhuishoudingsplan. De maatregelen uit het waterhuishoudingsplan zijn dan ook gericht op de afvoer van het hemelwater in het te ontwikkelen woongebied. Volgens het deskundigenbericht wordt het watersysteem van het plangebied zoals beschreven in het waterhuishoudingsplan gekenmerkt door grote centraal gelegen retentiebekkens die dienen als waterbergingsvoorziening voor het hemelwater afkomstig van de toekomstige bebouwing en verharding en die tot stand komen door het verbreden en verdiepen van de Breerijt ter hoogte van het plangebied. Het water uit de retentiebekkens wordt vervolgens vertraagd afgevoerd via de opening in de stuw. De opening zal volgens het deskundigenbericht zodanig gedimensioneerd zijn dat het voldoende capaciteit heeft om de huidige afwatering van het afwateringsgebied te handhaven. In het waterhuishoudingsplan wordt volgens het deskundigenbericht voor gebieden waarvan het verschil tussen het maaiveld en het hoogste waterpeil zeer gering is zoals de natuurtuin geadviseerd een voorziening te treffen in de vorm van een kade.

Volgens het deskundigenbericht volgt uit het waterhuishoudingsplan dat het perceel [locatie 2] losgekoppeld wordt van het watersysteem van het aangrenzende gebied waarop de nieuwbouw is voorzien en dat wateroverlast ten gevolge van het plaatsen van de stuw en van de beoogde nieuwbouw niet te verwachten is. Verder staat in het deskundigenbericht dat gelet op de te treffen maatregelen in het uit te werken woongebied een grondwaterverhogend effect op het perceel [locatie 1] als gevolg van de ophoging van het maaiveld ten behoeve van de voorziene woningen niet te verwachten is.

2.16. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat in het kader van de watertoets regelmatig overleg heeft plaatsgevonden met het waterschap en de stedenbouwkundige om te komen tot een optimale waterhuishouding in het plangebied. Op basis van deze overleggen en de stedenbouwkundige plannen is door Oranjewoud het waterhuishoudingsplan opgesteld. Voorts heeft het waterschap bij brief van 8 januari 2007 aangegeven dat het waterschap in overleg is met het gemeentebestuur over het ontwerpbestemmingsplan om tot een waterhuishoudingsplan te komen dat door beide partijen wordt gedragen. De enkele stelling van [appellant] dat over het bestemmingsplan slechts eenmaal globaal overleg heeft plaatsgevonden met het waterschap leidt niet tot het oordeel dat onvoldoende overleg heeft plaatsgevonden. Het betoog van [appellant] faalt.

2.17. Voorts is ter zitting door de raad toegelicht dat het waterhuishoudingsplan geen statisch document is. Dit plan is, mede met het oog op het op te stellen uitwerkingsplan voor de te ontwikkelen woningbouw, aan verandering onderhevig, nu met het concreter worden van de wijze waarop het woongebied zal worden ingevuld in het uitwerkingsplan tevens duidelijk wordt op welke wijze de benodigde maatregelen feitelijk zullen worden uitgevoerd. Daarbij blijven de uitgangspunten en maatregelen die aan het waterhuishoudingsplan ten grondslag liggen volgens de raad ongewijzigd. De wijze waarop uiteindelijk uitvoering zal worden gegeven aan de maatregelen zal worden vastgelegd in het uitwerkingsplan, aldus de raad.

De Afdeling stelt voorop dat niet is gebleken dat de wijzigingen in het waterhuishoudingsplan van 2009, dat door de deskundige in het bericht is betrokken, ten opzichte van het waterhuishoudingsplan van 16 mei 2007, dat het college bij het bestreden besluit heeft betrokken, mede betrekking hebben op de uitgangspunten en maatregelen die aan het plan ten grondslag liggen. De wijzigingen zien op de feitelijke uitvoering van de in laatstgenoemd plan opgenomen maatregelen en waren onder meer noodzakelijk omdat enkele maatregelen op de gronden van [appellant] waren voorzien. Nu de aan het waterhuishoudingsplan 2009 ten grondslag liggende uitgangspunten en de daarin opgenomen maatregelen onveranderd zijn gebleven ten opzichte van het eerdere plan, hebben de wijzigingen geen gevolgen voor de conclusies in het deskundigenbericht. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het bestemmingsplan er niet aan in de weg staat dat de maatregelen die eerder waren voorzien op de gronden van [appellant] kunnen worden getroffen op de gronden in de directe nabijheid daarvan zoals weergegeven op de bij het waterhuishoudingsplan van 2009 behorende kaart.

Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet alle voorziene maatregelen op de plankaart van het onderhavige bestemmingsplan behoeven te worden opgenomen. Hierbij heeft het in redelijkheid in aanmerking kunnen nemen dat de raad heeft toegezegd dat de in het waterhuishoudingsplan opgenomen maatregelen zullen worden uitgevoerd. Anders dan [appellant] stelt is het niet noodzakelijk dat deze toezegging in de planvoorschriften wordt opgenomen. Voorafgaand aan de realisatie van de nieuwe woningen moet een uitwerkingsplan worden vastgesteld. Dit betreft een zelfstandig plan waartegen [appellant], indien hij van mening is dat daarin onvoldoende recht is gedaan aan de uitgangspunten en maatregelen in het waterhuishoudingsplan, rechtsmiddelen kan aanwenden.

2.18. Verder voert [appellant] aan dat de maatregelen, in het bijzonder de opvangcapaciteit van de retentiebekkens, onvoldoende zullen zijn om wateroverlast te voorkomen omdat is uitgegaan van een onjuiste grondwaterstand. Volgens het deskundigenbericht zal het niveau in de Breerijt door het plaatsen van een stuw niet hoger zijn dan 31,00 meter +NAP. Het overige water zal als gevolg van de doorlaathoogte van de stuw worden afgevoerd. Indien het water stijgt tot boven 31,36 meter +NAP kan het water overstorten over de stuw en verder stromen via de Breerijt richting de Keersop. Dit betekent volgens het deskundigenbericht dat zelfs indien zou worden uitgegaan van het grondwaterpeil dat [appellant] aangeeft, het grondwaterniveau vanwege de stuw en de overstort zal worden afgetopt. Verder staat in het deskundigenbericht dat het oppervlak van de retentiebekkens berekend is conform de gebruikelijke berekeningsmethoden en dat het verhardingspercentage waarvan is uitgegaan niet onredelijk is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de bevindingen in het deskundigenbericht in zoverre onjuist zijn en dat de maatregelen waarvan in het waterhuishoudingsplan is uitgegaan, in het bijzonder de opvangcapaciteit van de retentiebekkens, vanwege de grondwaterstand onvoldoende zullen zijn.

Wat betreft de stelling van [appellant] in zijn reactie op het deskundigenbericht dat ondanks de te treffen maatregelen in het plangebied wateroverlast zal ontstaan, omdat stroomafwaarts de Breerijt onvoldoende afvoercapaciteit heeft, wordt als volgt overwogen. De raad stelt dat het waterschap in zijn notitie gevoegd bij het waterhuishoudingsplan weliswaar aangeeft dat de afvoercapaciteit van een duiker in de Breerijt nabij Triloo reeds in de huidige situatie moeite heeft bij maatgevende condities, maar dat het waterschap bij de doorrekening van de capaciteit van de duiker niet de juiste uitgangspunten heeft gehanteerd. De raad heeft ter zitting verklaard dat nader onderzoek zal worden gedaan naar de afvoercapaciteit van de duiker en dat indien daaruit blijkt dat het noodzakelijk is, de capaciteit van de duiker aangepast zal worden, zodat de Breerijt stroomafwaarts voldoende afvoercapaciteit zal hebben. Gelet hierop is voldoende vast komen te staan dat de Breerijt stroomafwaarts over voldoende afvoercapaciteit zal beschikken en kan het betoog van [appellant] op dit punt niet slagen.

2.19. Uit het vorenstaande volgt dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het waterhuishoudingsplan zodanige onjuistheden of leemten in kennis vertoont, dat het college zich hierop niet heeft kunnen baseren. Daarbij heeft het college in aanmerking kunnen nemen dat het waterschap met de voorziene ontwikkelingen heeft ingestemd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding in het plangebied. Nu mede gelet op het deskundigenbericht uit het waterhuishoudingsplan volgt dat, indien rekening wordt gehouden met de daarin genoemde uitgangspunten, van de voorziene woningbouw geen negatieve effecten op de waterhuishouding in het plangebied en in het bijzonder ter plaatse van de percelen van [appellant] zijn te verwachten, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door [appellant] gestelde vrees voor wateroverlast ongegrond is.

2.20. [appellant] stelt verder dat onvoldoende onderzoek is gedaan naar de gevolgen van het plan voor de in het gebied voorkomende beschermde planten- en diersoorten.

2.21. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op het onderzoek naar de flora en fauna en de daarin opgenomen mitigerende en compenserende maatregelen en inrichtingsvoorstellen, de verwachting gerechtvaardigd is dat de benodigde ontheffing krachtens de Flora- en faunawet (hierna: Ffw) zal worden verleend zodat in zoverre geen belemmeringen zijn te verwachten voor de ontwikkeling van de locatie.

2.22. In opdracht van het gemeentebestuur is door Oranjewoud onderzoek gedaan naar de natuurwaarden in het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het rapport "Natuurtoets, Ontwikkeling Bergeijk-locatie Terlo" van 10 januari 2006 (hierna: de natuurtoets). Wat betreft de in het plangebied voorkomende (broed)vogels vermeldt de natuurtoets dat effecten alleen te verwachten zijn als werkzaamheden plaatsvinden in het broedseizoen, zodat van belang is om voor het broedseizoen bomen en andere vegetatie te hebben verwijderd zodat effecten op vogels tijdens het broedseizoen worden voorkomen. Uit de natuurtoets komt verder naar voren dat in en nabij het plangebied de volgende beschermde soorten voorkomen: laatvlieger, gewone dwergvleermuis, ruig dwergvleermuis, rosse vleermuis, watersalamander, alpenwatersalamander, bermpje en drijvende waterweegbree. In de natuurtoets is vermeld welke de te verwachten schade is die de in het plan voorziene woningbouw kan veroorzaken voor deze aangetroffen beschermde soorten, welke mitigerende maatregelen genomen kunnen worden om de schade voor de soorten te voorkomen en te beperken en worden verder inrichtingsvoorstellen gedaan. Tenslotte vormt het plangebied volgens de natuurtoets leefgebied voor algemeen beschermde soorten waarvoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht geldt.

2.23. De vragen of voor de uitvoering van het bestemmingsplan een vrijstelling geldt, dan wel ontheffing krachtens de Ffw vereist is en zo ja, of ontheffing kan worden verleend, zijn in beginsel in deze procedure niet aan de orde. Dat doet er niet aan af dat het college geen goedkeuring aan het plan mocht verlenen, indien en voor zover op voorhand valt aan te nemen dat de Ffw aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat voldoende onderzoek is gedaan naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het plangebied. De enkele stelling van [appellant] dat niet op het juiste tijdstip veldonderzoek is gedaan en dat in de natuurtoets ten onrechte geen rekening is gehouden met de door hem genoemde soorten is daartoe onvoldoende. [appellant] wijst met name op in het plangebied voorkomende vogels, waarvoor in de natuurtoets staat aangegeven dat het noodzakelijk is dat werkzaamheden buiten het broedseizoen plaatsvinden dan wel dat voorkomen wordt dat de werkzaamheden effecten hebben op deze vogels door voorafgaand aan het broedseizoen maatregelen te treffen. Verder noemt [appellant] algemeen voorkomende soorten waarvoor een vrijstelling van de ontheffingsplicht geldt. Het college heeft zich voorts in redelijkheid op het standpunt gesteld dat de natuurtuin, de ten zuiden daarvan gelegen bosschage en het perceel [locatie 2] niet in het onderzoek behoefde te worden meegenomen, nu deze plandelen overeenkomstig het huidige gebruik zijn bestemd. [appellant] heeft met een deskundig tegenrapport noch anderszins aannemelijk gemaakt dat in het plangebied beschermde flora- of faunasoorten voorkomen waarmee in de natuurtoets ten onrechte geen rekening is gehouden. Het in beroep aangevoerde levert dan ook geen grond op voor het oordeel dat de natuurtoets zodanige gebreken vertoont, dat verweerder zich hierop bij het nemen van het bestreden besluit niet mocht baseren. Nu het bestemmingsplan niet in de weg staat aan de uitvoering van de voorgestelde mitigerende maatregelen en mede in aanmerking genomen dat de raad ter zitting heeft verklaard dat de in de natuurtoets opgenomen maatregelen zullen worden uitgevoerd, heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat een eventueel vereiste ontheffing krachtens de Ffw zal worden verleend en de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van de plandelen in de weg zal staan.

[locatie 2]

2.24. Voorts stelt [appellant] dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" omdat hij in de bouwmogelijkheden op zijn perceel [locatie 2] (hierna: het perceel) wordt beperkt.

2.25. Aan het perceel is de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" toegekend.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, sub a, van de planvoorschriften zijn de op de plankaart voor "Bedrijfsdoeleinden (B)" aangewezen gronden bestemd voor bedrijven genoemd in de bijlage (Staat van bedrijfsactiviteiten) onder de milieucategorie 1 en 2.

Ingevolge artikel 6, tweede lid, onder 1, sub a, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen gebouwen uitsluitend binnen het op de plankaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd.

Ingevolge sub f van dit artikelonderdeel mag de inhoud van een bedrijfswoning niet meer bedragen dan 600 m³.

Volgens het deskundigenbericht exploiteert [appellant B] op het perceel een (groot)handelsonderneming in verwarmingsinstallaties annex verwarmingsketels.

2.26. De Afdeling stelt vast dat de toegestane inhoud van een bedrijfswoning van 600 m³ een beperking inhoudt van de bouwmogelijkheden ten opzichte van het vorige planologische regime, nu het voorheen geldende plan op het perceel een bedrijfswoning toeliet met een inhoud van 750 m³. Het college heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in zoverre geen sprake is van een onevenredige beperking van de bouwmogelijkheden, nu met deze omvang wordt aangesloten bij de standaardmaat die in bestemmingplannen van de gemeente Bergeijk wordt aangehouden voor bedrijfswoningen, niet is gebleken dat de bestaande bedrijfswoning op het perceel een inhoud heeft van meer dan 600 m³ en ook niet is gebleken van concrete bouwplannen op het perceel. De enkele stelling van [appellant] ter zitting dat de inhoud van de bedrijfswoning thans groter is dan 750 m³ leidt niet tot een ander oordeel, nu de raad dit ter zitting heeft weersproken en [appellant] zijn stelling niet nader heeft onderbouwd. Hij heeft daarentegen in een email van 18 april 2008 gericht aan het college aangegeven dat de omvang van de woning kleiner is dan 750 m³.

Voorts was in het voorheen geldende plan aan het perceel geen bouwvlak toegekend en mocht naast de bedrijfswoning op het gehele perceel in totaal 600 m² bedrijfsbebouwing worden opgericht. In het onderhavige plan moet alle bebouwing op het perceel binnen het bouwvlak worden opgericht. Het aan het perceel toegekende bouwvlak heeft volgens het deskundigenbericht een oppervlak van ongeveer 1200 m². Nu in het onderhavige plan aan het bouwvlak een bebouwingspercentage is toegekend van 100 procent, maakt het plan meer bedrijfsbebouwing mogelijk dan het voorheen geldende plan. In de omstandigheid dat deze bebouwing binnen het toegekende bouwvlak dient te worden opgericht ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat dit een onevenredige beperking van de bouwmogelijkheden is.

2.27. Voorts stelt de Afdeling vast dat het bedrijf kan worden aangemerkt als een groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur met een bedrijfsoppervlak van minder dan 2000 m². In de Staat van bedrijfsactiviteiten die onderdeel uitmaakt van het plan is een groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur noch een hoofdcategorie Groothandel en handelsbemiddeling opgenomen. Gelet op artikel 6 van de planvoorschriften gelezen in samenhang met de Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij het plan, is anders dan de raad heeft beoogd het huidige gebruik van het perceel niet als zodanig bestemd, zodat het betoog van [appellant], dat hij in zoverre in zijn bouwmogelijkheden wordt beperkt, slaagt. Dat, zoals de raad in zijn reactie op het deskundigenbericht stelt, de combinatie van toelichting en voorschriften duidelijk maakt dat bedoeld is de bestaande bedrijvigheid binnen het plangebied te bestemmen, doet aan het vorenstaande niet af, nu deze bedoeling geen neerslag heeft gekregen in de planvoorschriften. Het college heeft niet onderkend dat het plan in zoverre niet in overeenstemming is met hetgeen door de raad is beoogd.

2.28. De conclusie is dat, gelet op 2.27., hetgeen [appellant] heeft aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" wat betreft het perceel [locatie 2] niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Hieruit volgt dat het college, door het plan in zoverre goed te keuren, heeft gehandeld in strijd met artikel 28, tweede lid, van de WRO in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep van [appellant] is in zoverre gegrond, zodat het bestreden besluit in zoverre dient te worden vernietigd. Op grond van het vorenstaande ziet de Afdeling tevens aanleiding om in zoverre goedkeuring te onthouden aan plan.

2.29. Verder vreest [appellant] dat hij door de bouw van woningen op het plandeel "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" onevenredig in zijn bedrijfsvoering en uitbreidingsmogelijkheden zal worden beperkt. Daartoe voert hij aan dat het plan in zoverre in belangrijke mate afwijkt van de aanbevolen afstand in de brochure "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlands Gemeenten (hierna: VNG-brochure) en dat die afwijking ontoereikend is gemotiveerd. Volgens [appellant] dient een afstand van 50 meter te worden aangehouden van de grens van het perceel tot de gevels van te realiseren woningen.

2.30. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat de feitelijke afstand van het bedrijfsoppervlak tot het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" 30 meter bedraagt, zodat het plan in zoverre voldoet aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstand en heeft het plan in zoverre goedgekeurd.

2.31. In de VNG-brochure, uitgave 2007, zijn de bedrijfstypen ingedeeld in milieucategorieën, die samenhangen met een aanbevolen afstand ten opzichte van een milieugevoelige bestemming om hinder van de milieufactoren geur, stof, gevaar en geluid uit te sluiten of althans tot een aanvaardbaar niveau te beperken. De afstanden die de brochure aanbeveelt gelden in beginsel tussen de perceelsgrens van een bedrijf enerzijds en de gevel van een - in een rustige woonwijk gelegen - woning anderzijds. Voor categorie 1 en 2 bedrijven wordt in de brochure een afstand van10 meter respectievelijk 30 meter aanbevolen. Voor een groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur met een bedrijfsoppervlak van minder dan 2000 m² wordt in verband met het aspect geluid een afstand van 30 meter aanbevolen. Verder staat in de VNG-brochure dat rekening moet worden gehouden met de specifieke kenmerken van het plangebied en de omgeving.

De afstand van de grens van het perceel tot de grens van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" bedraagt ongeveer 3 meter. De afstand van de grens van laatstgenoemd plandeel tot het bouwvlak op het perceel bedraagt ongeveer 30 meter.

2.32. Nu sprake is van een groothandel in ijzer- en metaalwaren en verwarmingsapparatuur met een bedrijfsoppervlak van minder dan 2000 m² heeft het college het bedrijf van [appellant] terecht aangemerkt als een categorie 2 bedrijf. Het betoog van [appellant] dat ten onrechte niet is uitgegaan van een aanbevolen afstand van 50 meter faalt.

Het plan maakt gelet op de Staat van bedrijfsactiviteiten op het perceel bedrijvigheid mogelijk in categorie 1 en 2. De Afdeling stelt vast dat, gelet op artikel 4 van de planvoorschriften, het plan het mogelijk maakt dat in het op te stellen uitwerkingsplan tot op de grens van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" woningen worden voorzien. Door zich op het standpunt te stellen dat het plan voldoet aan de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden, omdat de afstand van het bouwvlak op het perceel tot het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" 30 meter bedraagt, miskent het college dat op grond van de VNG-brochure de afstand in principe dient te worden gemeten tussen enerzijds de grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" en anderzijds de gevel van de woningen. Nu de afstand van het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader uit te werken (WU)" tot het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" 3 meter bedraagt, wijkt het plan anders dan het college stelt in aanzienlijke mate af van de in de VNG-brochure genoemde afstand. Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit in zoverre niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid.

2.33. De raad stelt zowel in de brief van 30 mei 2008 die is verstuurd in het kader van het overleg als bedoeld in artikel 10:30 van de Awb, als in zijn reactie op het deskundigenbericht dat in de VNG-brochure weliswaar een afstand van 30 meter wordt aanbevolen voor het onderhavige bedrijf, maar dat vanwege de ligging van het bedrijf, constateringen uit de milieucontrole en de richting van de meest geluidproducerende activiteiten deze afstand met één afstandstap mag worden gecorrigeerd, zodat een afstand van 10 meter moet worden aangehouden.

2.34. De raad stelt zich terecht op het standpunt dat de in de VNG-brochure aanbevolen afstanden indicatief zijn en dat daarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Voorts is volgens de VNG-brochure inderdaad een correctie van één afstandstap mogelijk bij het omgevingstype gemengd gebied ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. De Afdeling stelt echter voorop dat ook na toepassing van een correctie van één afstandsstap het plan niet voldoet aan de dan aanbevolen afstand van 10 meter. Overigens merkt de Afdeling op dat thans uit de stukken noch anderszins duidelijk is geworden dat wat betreft het onderhavige gebied sprake is van een gemengd gebied zoals bedoeld in de VNG-brochure, zodat in beginsel de aanbevolen afstanden niet op voorhand met één afstandsstap kunnen worden gecorrigeerd en dient te worden uitgegaan van een aanbevolen afstand van 30 meter.

2.35. De conclusie is dat, gelet op hetgeen is overwogen onder 2.32., het door [appellant] aangevoerde, aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader aan te duiden (WU)", wat betreft de gronden gelegen binnen een zone van 30 meter vanaf de grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" wat betreft het perceel [locatie 2], is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Het beroep is in zoverre gegrond. Het bestreden besluit dient in zoverre wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb te worden vernietigd.

2.36. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 10 juni 2008, kenmerk 1356642, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan:

a. het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" wat betreft het perceel [locatie 2];

b. het plandeel met de bestemming "Woondoeleinden nader aan te duiden (WU)", wat betreft de gronden gelegen binnen een zone van 30 meter vanaf de grens van het plandeel met de bestemming "Bedrijfsdoeleinden (B)" wat betreft het perceel [locatie 2];

III. onthoudt goedkeuring aan het onder II.a. vermelde planonderdeel;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 10 juni 2008;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VII. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, voorzitter, en drs. W.J. Deetman en mr. J.A. Hagen, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.B. Smit-Colenbrander, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Smit-Colenbrander

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2009

432.