Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3920

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
17-11-2009
Datum publicatie
20-11-2009
Zaaknummer
200907854/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Door te overwegen dat niet op voorhand gezegd kan worden dat de uitzetting van de vreemdeling naar Nepal binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort en dat het betoog van de vreemdeling dat het onderzoek voor de afgifte van een laissez passer bijzonder tijdrovend is, gelet op de recente geslaagde uitzetting met een EU-staat van een Nepalese vreemdeling, niet kan afdoen aan dat oordeel, heeft de rechtbank niet onderkend dat dit twee te onderscheiden uitzettingstrajecten zijn. Dat recent een vreemdeling met gebruikmaking van een EU-staat naar Nepal is uitgezet, betekent nog niet dat in een geval waarin voor die uitzetting een laissez passer is vereist zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2009 in zaak nr. 200906742/1/V3 (www.raadvanstate.nl), bestaat – gelet op de verklaring van de staatssecretaris dat op 24 augustus 2009 een Nepalese vreemdeling die in het bezit was van een identiteitsdocument met gebruikmaking van een EU-staat is uitgezet – geen grond voor het oordeel dat voor Nepalese vreemdelingen die in het bezit zijn van (aanvullende) originele documenten waaruit hun identiteit blijkt, uitzetting naar Nepal binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort.

Hoewel de vreemdeling stelt niet tot deze categorie vreemdelingen te behoren, mag, gelet op zijn hiervoor onder 2.1.4. vermelde verklaringen, worden aangenomen dat hij tevens over originele identiteitsdocumenten kan beschikken, dan wel voor zover deze documenten thans niet onder hem berusten hij deze kan opvragen. Ter zitting bij de Afdeling heeft de vreemdeling het tegendeel niet aannemelijk kunnen maken.

Onder deze omstandigheden kan ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling, anders dan hij stelt, met gebruikmaking van een EU-staat naar Nepal kan worden uitgezet en bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 59
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/8

Uitspraak

200907854/1/V3.

Datum uitspraak: 17 november 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 7 oktober 2009 in zaak nr. 09/33688 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 september 2009 is [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 7 oktober 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 oktober 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 november 2009, waar de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.J.C. van de Laak, advocaat te Lisse, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. D. Kuiper, ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In de grieven I en II, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet op voorhand gezegd kan worden dat de uitzetting van de vreemdeling naar Nepal binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort en dat het betoog van de vreemdeling dat het onderzoek voor de afgifte van een laissez passer bijzonder tijdrovend is, gelet op de recente geslaagde uitzetting met een EU-staat van een Nepalese vreemdeling, niet kan afdoen aan dat oordeel.

Ter onderbouwing van zijn betoog wijst de vreemdeling op de uitspraak van de Afdeling van 21 april 2009 in zaak nr. 200901667/1/V3 (www.raadvanstate.nl), waarin onder meer is overwogen dat vaststaat dat de Nepalese autoriteiten sinds 2007 geen laissez passer meer hebben verstrekt en dat het op de weg van de staatssecretaris ligt om voortvarendheid te betrachten bij het intensiveren van de samenwerking met de Nepalese autoriteiten. De vreemdeling klaagt dat de rechtbank ten onrechte geen afweging heeft gemaakt betreffende de mate waarin de staatssecretaris aan deze inspanningsverplichting heeft voldaan. Het voeren van één gesprek met de consul van Nepal, die inmiddels reeds vier maanden geleden is aangesteld, kan volgens de vreemdeling niet worden aangemerkt als een voldoende inspanning.

Voorts klaagt de vreemdeling dat de rechtbank heeft miskend dat de vreemdeling die recent is uitgezet naar Nepal in het bezit was van een Nepalees identiteitsbewijs, waarmee diens identiteit en nationaliteit voor de Nepalese autoriteiten vaststond. Om die reden was in dat geval uitzetting met gebruikmaking van een EU-staat mogelijk. In zijn geval is evenwel voor de uitzetting een laissez passer noodzakelijk, omdat hij niet over enig (origineel) identiteitsdocument beschikt. Een onderzoek naar de identiteit en nationaliteit van de betreffende vreemdeling door de Nepalese autoriteiten vindt plaats in de districten van Nepal en is bijzonder tijdrovend, om welke reden sinds 2007 geen laissez passer zijn afgegeven. Derhalve bestaat ten aanzien van hem geen zicht op uitzetting naar Nepal binnen een redelijke termijn, aldus de vreemdeling.

2.1.1. Door te overwegen dat niet op voorhand gezegd kan worden dat de uitzetting van de vreemdeling naar Nepal binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort en dat het betoog van de vreemdeling dat het onderzoek voor de afgifte van een laissez passer bijzonder tijdrovend is, gelet op de recente geslaagde uitzetting met een EU-staat van een Nepalese vreemdeling, niet kan afdoen aan dat oordeel, heeft de rechtbank niet onderkend dat dit twee te onderscheiden uitzettingstrajecten zijn. Dat recent een vreemdeling met gebruikmaking van een EU-staat naar Nepal is uitgezet, betekent nog niet dat in een geval waarin voor die uitzetting een laissez passer is vereist zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn bestaat.

De in de grief vervatte klacht, hoewel terecht voorgedragen, leidt gelet op het volgende evenwel niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.1.2. Ter zitting bij de Afdeling heeft de staatssecretaris, samengevat weergegeven en voor zover thans van belang, betoogd dat hoewel de situatie wat betreft de afgifte van laissez passer door de Nepalese autoriteiten tot op heden ongewijzigd is gebleven, ten aanzien van de vreemdeling geen grond bestaat voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Nepal binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Daartoe voert hij enerzijds aan dat de Nepalese autoriteiten aan de Dienst Terugkeer & Vertrek nimmer hebben laten weten dat bezwaren bestaan tegen het verstrekken van laissez passer aan Nepalese vreemdelingen. Nu de bij deze autoriteiten ten behoeve van de vreemdeling ingediende aanvraag om een laissez passer vergezeld is gegaan van een kopie van zijn identiteitskaart, kan op voorhand niet worden uitgesloten dat deze aanvraag tot afgifte van een laissez passer zal leiden.

Anderzijds voert de staatssecretaris aan dat de mogelijkheid bestaat een Nepalese vreemdeling die in het bezit is van (aanvullende) originele documenten waaruit zijn identiteit blijkt, met gebruikmaking van een EU-staat uit te zetten. Hoewel de vreemdeling op dit moment naar hij stelt niet over originele documenten beschikt, kan uit de op de zaak betrekking hebbende stukken worden opgemaakt dat hij eerder heeft verklaard dat hij in Nepal kon beschikken over een paspoort, een identiteitskaart en een motorrijbewijs. Bij zijn vlucht zou hij zijn paspoort hebben meegenomen en de overige documenten thuis hebben laten liggen. In het kader van een herhaalde asielaanvraag heeft de vreemdeling evenwel kopieën van zijn identiteitskaart en motorrijbewijs overgelegd. Voor zover de vreemdeling in het recente verleden zelf kopieën heeft laten maken van hem toegezonden documenten gaat de staatssecretaris ervan uit dat de vreemdeling nog steeds over deze documenten kan beschikken. De stelling van de vreemdeling dat zijn originele stukken zouden zijn zoekgemaakt door Vluchtelingenwerk Nederland kan, bij gebreke van enige onderbouwing daarvan, niet worden gevolgd. Voor het overige valt volgens de staatssecretaris niet in te zien dat de vreemdeling niet (opnieuw) contact zou kunnen opnemen met zijn familie in zijn land van herkomst teneinde alsnog de originele documenten te laten overkomen.

2.1.3. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 13 juni 2008 in zaak nr. 200803407/1; www.raadvanstate.nl), kan van een vreemdeling op wie de rechtsplicht rust Nederland te verlaten, worden gevergd dat hij actieve en volledige medewerking verleent aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen en dat hij ook zelf de nodige, controleerbare inspanningen verricht om dergelijke gegevens te verkrijgen.

2.1.4. Volgens het rapport van het eerste gehoor van 10 april 2005 in het kader van een door de vreemdeling ingediende asielaanvraag, heeft de vreemdeling bij die gelegenheid verklaard dat hij in Nepal een paspoort, een identiteitskaart en een motorrijbewijs had. Het paspoort heeft hij tijdens zijn vlucht meegenomen en na aankomst in Nederland aan de reisagent afgegeven. De identiteitskaart en het motorrijbewijs zijn in Nepal achtergebleven. Tijdens het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor van 15 september 2009 heeft hij volgens het daarvan opgemaakte proces-verbaal verklaard dat hij zijn identiteitspapieren waaruit blijkt dat hij rechtmatig verblijf in Nederland heeft allemaal kwijt is en dat men die bij Vluchtelingenwerk in Almelo heeft zoekgemaakt. In het op 21 september 2009 met hem gevoerde vertrekgesprek, heeft de vreemdeling verklaard dat al zijn documenten bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst en bij Vluchtelingenwerk Nederland liggen, maar dat hij een bewijs van zijn nationaliteit, een rijbewijs en documenten over zijn problemen in zijn land van herkomst heeft. Ook ter zitting bij de rechtbank heeft de vreemdeling verklaard dat hij wel documenten heeft maar dat deze zijn zoekgemaakt.

2.1.5. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 14 oktober 2009 in zaak nr. 200906742/1/V3 (www.raadvanstate.nl), bestaat – gelet op de verklaring van de staatssecretaris dat op 24 augustus 2009 een Nepalese vreemdeling die in het bezit was van een identiteitsdocument met gebruikmaking van een EU-staat is uitgezet – geen grond voor het oordeel dat voor Nepalese vreemdelingen die in het bezit zijn van (aanvullende) originele documenten waaruit hun identiteit blijkt, uitzetting naar Nepal binnen een redelijke termijn niet tot de mogelijkheden behoort.

Hoewel de vreemdeling stelt niet tot deze categorie vreemdelingen te behoren, mag, gelet op zijn hiervoor onder 2.1.4. vermelde verklaringen, worden aangenomen dat hij tevens over originele identiteitsdocumenten kan beschikken, dan wel voor zover deze documenten thans niet onder hem berusten hij deze kan opvragen. Ter zitting bij de Afdeling heeft de vreemdeling het tegendeel niet aannemelijk kunnen maken.

Onder deze omstandigheden kan ervan worden uitgegaan dat de vreemdeling, anders dan hij stelt, met gebruikmaking van een EU-staat naar Nepal kan worden uitgezet en bestaat derhalve geen grond voor het oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

Hieruit volgt dat hetgeen overigens in de grief is aangevoerd evenmin tot vernietiging kan leiden.

2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 17 november 2009

53-562.

Verzonden: 17 november 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak