Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3679

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200902918/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) de aanvraag van [appellante] om een huisvestingsvergunning voor de woonruimte aan [locatie] te Rotterdam, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902918/1/H3.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 11 maart 2009 in zaak nr. 08/2500 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

1. Procesverloop

Bij besluit van 17 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam (hierna: het college) de aanvraag van [appellante] om een huisvestingsvergunning voor de woonruimte aan [locatie] te Rotterdam, afgewezen.

Bij besluit van 9 juni 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 11 maart 2009, verzonden op 12 maart 2009, heeft de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 oktober 2009, waar [appellante], in persoon en bijgestaan door mr. R.S. Wijling, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. S.B.H. Fijneman, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Huisvestingswet (hierna: de Hw) stelt de gemeenteraad, indien het naar zijn oordeel noodzakelijk is regelen te stellen met betrekking tot het in gebruik nemen of geven van woonruimte, of met betrekking tot wijzigingen van de woonruimtevoorraad, een huisvestingsverordening vast.

Ingevolge artikel 5, eerste volzin, kan de gemeenteraad, voor zover dat in het belang van een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van woonruimte noodzakelijk is, in de huisvestingsverordening woonruimte aanwijzen die niet voor bewoning in gebruik mag worden genomen of gegeven, indien voor het in gebruik nemen daarvan geen huisvestingsvergunning is verleend.

Ingevolge artikel 7, eerste en tweede lid, is het verboden zonder vergunning van burgemeester en wethouders een woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, in gebruik te nemen of te geven voor bewoning.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, wijst de gemeenteraad in de huisvestingsverordening de categorieën van woningzoekenden aan die met het oog op een evenwichtige en rechtvaardige verdeling van de woonruimte, aangewezen overeenkomstig artikel 5, voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning in aanmerking komen.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijke problematiek (hierna: Wbmgp) kan de minister voor Wonen, Wijken en Integratie op aanvraag van de gemeenteraad gebieden aanwijzen waarin aan woningzoekenden op grond van de artikelen 8 en 9 eisen kunnen worden gesteld.

Ingevolge artikel 8, eerste lid, kan de gemeenteraad, indien dat naar zijn oordeel noodzakelijk en geschikt is voor het bestrijden van grootstedelijke problematiek in de gemeente en voldoet aan de eisen van subsidiariteit en proportionaliteit, in de huisvestingsverordening bepalen dat woningzoekenden die minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene zijn van de regio waarin de gemeente is gelegen, slechts voor een huisvestingsvergunning voor het in gebruik nemen van in die verordening aangewezen categorieën van woonruimte in aanmerking komen indien zij beschikken over een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid, een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf, een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden, een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 of studiefinanciering als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Ingevolge artikel 2.4, aanhef en onder a, van de Huisvestingsverordening Rotterdam 2003 (hierna: de verordening), zoals die gold ten tijde van belang, verlenen burgemeester en wethouders de huisvestingsvergunning indien de aanvrager van de huisvestingsvergunning voldoet, ingevolge artikel 2.6, aan de eisen voor toegang tot de woningmarkt.

Ingevolge artikel 2.6., tweede lid, moet de aanvrager indien hij minder dan zes jaar voorafgaand aan de aanvraag van de huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene is van één van de gemeenten in de Stadsregio Rotterdam, beschikken over een inkomen op grond van het in dienstbetrekking verrichten van arbeid, een inkomen uit zelfstandig beroep of bedrijf, een inkomen op grond van een regeling voor vrijwillig vervroegd uittreden, een ouderdomspensioen als bedoeld in de Algemene Ouderdomswet, een ouderdoms- of nabestaandenpensioen als bedoeld in de Wet op de loonbelasting 1964 of studiefinanciering als bedoeld in de Wet studiefinanciering 2000.

Ingevolge het derde lid van dit artikel kunnen burgemeester en wethouders, indien de aanvrager niet voldoet aan de eis in het vorige lid en het weigeren van de aangevraagde huisvestingsvergunning tot een onbillijkheid van overwegende aard zou leiden, de aangevraagde huisvestingsvergunning toch verlenen.

Ingevolge artikel 4.1 zijn burgemeester en wethouders bevoegd in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt ten gunste van de aanvrager af te wijken van deze verordening.

2.2. [appellante] heeft zich per 25 augustus 2006 laten uitschrijven uit de gemeentelijke basisadministratie in Rotterdam wegens verhuizing naar België. Op 8 februari 2008 heeft zij zich met haar drie kinderen opnieuw gevestigd in Rotterdam en zich aldaar ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De woning waarvoor een huisvestingsvergunning is aangevraagd bevindt zich binnen een door de minister voor Wonen, Wijken en Integratie aangewezen gebied als bedoeld in artikel 5 van de Wbmgp. Niet in geschil is dat [appellante] niet gedurende zes jaar voorafgaande aan de aanvraag voor een huisvestingsvergunning onafgebroken ingezetene is geweest van één van de gemeenten in de Stadsregio Rotterdam. Voorts staat vast dat het inkomen van [appellante] bestaat uit een bijstandsuitkering.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Hiertoe voert zij aan dat zich in haar geval een noodsituatie voordoet omdat het voor haar onmogelijk is om binnen afzienbare tijd een voor haar geschikte woning te vinden, mede gelet op het feit dat zij slechts een bijstandsuitkering ontvangt.

Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 2.6 van de verordening niet onverbindend is wegens strijd met het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (hierna: IVBPR) en de Hw. In dit verband stelt zij dat de rechtbank niet heeft kunnen volstaan met een verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2009, in zaak nr. 200802820/1 nu deze uitspraak nog wordt voorgelegd aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM). Het oordeel van de Afdeling is derhalve nog niet onherroepelijk, aldus [appellante].

2.4. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 2.6. van de verordening niet onverbindend is wegens strijd met bepalingen van nationaal en internationaal recht en heeft hierbij mogen verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 4 februari 2009. Het enkele feit dat naar aanleiding van die uitspraak een klacht is ingediend bij het EHRM staat er niet aan in de weg dat zowel het college als de rechtbank zich op deze uitspraak hebben mogen beroepen.

Voorts hanteert het college als beleid dat slechts in onhoudbare situaties toepassing wordt gegeven aan de hardheidsclausule. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat dergelijke omstandigheden zich niet voordoen. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat ook in hoger beroep geen gronden zijn aangevoerd die tot het oordeel leiden dat het college ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan de hardheidsclausule. Dit betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, voorzitter, en T.M.A. Claessens en mr. J.C. Kranenburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. W. van Hardeveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Van Hardeveld

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

312-591.