Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3671

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200903285/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 24 februari 2009, kenmerk 2009-9475, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem (hierna: de raad) bij besluit van 26 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "St. Joannes de Deo" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200903285/1/R2.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

2. De Stuurgroep Deo, te Haarlem,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 24 februari 2009, kenmerk 2009-9475, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Haarlem (hierna: de raad) bij besluit van 26 juni 2008 vastgestelde bestemmingsplan "St. Joannes de Deo" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en anderen bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, en De Stuurgroep Deo (hierna: De Stuurgroep) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 mei 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant sub 1] en anderen hebben een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 oktober 2009, waar [appellant sub 1] en anderen, in de persoon van [appellant sub 1], De Stuurgroep, vertegenwoordigd door [appellant sub 1], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.C. Jonkman, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad, vertegenwoordigd door mr. M. Overing en K.W. Glas, ambtenaren in dienst van de gemeente, en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid De Principaal B.V., vertegenwoordigd door mr. G.T.J. Harm en ir. M. Meijer, als partij gehoord.

2. Overwegingen

Ontvankelijkheid

2.1. Het college betoogt dat het beroep van De Stuurgroep niet-ontvankelijk is nu zij geen rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang heeft. Daarbij stelt het college dat De Stuurgroep geen rechtspersoonlijkheid heeft en dat derhalve het collectieve belang waarvoor zij opkomt niet beschouwd kan worden als haar belang.

2.2. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Ingevolge het derde lid worden ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen.

Uit artikel 1:2, derde lid, van de Awb volgt dat voor het opkomen in rechte ter behartiging van algemene en collectieve belangen de eis van rechtspersoonlijkheid geldt om als belanghebbende te kunnen worden aangemerkt.

2.3. Vast staat dat De Stuurgroep geen bij notariële akte opgerichte rechtspersoon is en niet over statuten beschikt. De Stuurgroep is evenmin een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid, ook wel informele vereniging genoemd, in de zin van artikel 2:26 van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe is in aanmerking genomen dat blijkens de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting De Stuurgroep niet beschikt over een ledenadministratie en geen contributie heft. De Stuurgroep voldoet derhalve niet aan de in de uitspraak van 12 maart 2008, zaak nr. 200704378/1, genoemde cumulatieve vereisten waaraan moet zijn voldaan om te concluderen dat sprake is van een informele vereniging.

Gelet hierop kan De Stuurgroep niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb worden aangemerkt en stond voor hem ingevolge artikel 54, tweede lid, aanhef en onder d, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), niet de mogelijkheid open beroep in te stellen tegen het besluit van 24 februari 2009. Het beroep van De Stuurgroep is derhalve niet-ontvankelijk.

Toetsingskader

2.4. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de WRO, gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Awb, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.5. Het plan ziet op de ontwikkeling van ongeveer 206 woningen, 750 m² bedrijfsruimte, ongeveer 270 parkeerplaatsen en bijbehorende groenvoorzieningen ter plaatse van het voormalige ziekenhuiscomplex St. Joannes Deo, ten noorden van de Haarlemse binnenstad.

Procedurele aspecten

2.6. [appellant sub 1] en anderen, die in beroep opkomen tegen de goedkeuring van het gehele plan, voeren aan dat de inspraakprocedure op onzorgvuldige wijze is gevoerd. Daartoe voeren zij verschillende redenen aan. Voorts wijzen zij op gebreken in het kader van de aan de inspraak voorafgegane participatie.

2.7. Het college stelt zich op het standpunt dat het bieden van inspraak geen onderdeel uitmaakt van de bestemmingsplanprocedure en dat de wijze waarop de inspraakprocedure is verlopen niet van invloed is op de rechtmatigheid van de bestemmingsplanprocedure.

2.8. Met ingang van 1 juli 2005 is artikel 6a van de WRO vervallen. Ingevolge de WRO, zoals deze ten tijde van het bestreden besluit luidde, vangt de procedure inzake de vaststelling van een bestemmingsplan aan met de terinzagelegging van een ontwerpplan. Nu het bieden van inspraak geen onderdeel meer uitmaakt van de in WRO geregelde procedure kan, indien in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 150 van de Gemeentewet de mogelijkheid of de verplichting is opgenomen inspraak te bieden, het al dan niet op juiste wijze voldoen aan deze mogelijkheid of verplichting geen gevolgen voor de rechtmatigheid van de gevolgde bestemmingsplanprocedure en de daaruit voortvloeiende besluiten met zich brengen. Ten aanzien van de aan de inspraak voorafgegane participatie wordt in gelijke zin geoordeeld.

Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid en parkeerdruk

2.9. [appellant sub 1] en anderen voeren aan dat de verkeersontsluitingen aan de oostzijde van het plangebied tot verkeersonveilige situaties voor fietsers in de Maerten van Heemskerckstraat zullen leiden. Voorts voeren zij aan dat de parkeerdruk in de Frans Hals-wijk zal toenemen als gevolg van het verdwijnen van parkeerplaatsen in het plangebied.

2.10. Het college stelt zich op het standpunt dat de verkeersveiligheidssituatie niet eerder als zienswijze naar voren is gebracht en als bedenking is ingebracht en dat het beroep daarom in zoverre niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat het aantal parkeerplaatsen in het plangebied in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

2.11. Uit de zienswijze en bedenkingen is gebleken dat [appellant sub 1] en anderen, anders dan het college kennelijk meent, de verkeersveiligheid voor fietsers in het plangebied aan de orde hebben gesteld. Bovendien ziet deze beroepsgrond op plandelen die ook in de zienswijze en de bedenkingen als onderdeel van het gehele plan aan de orde zijn geweest. De Afdeling ziet derhalve geen aanleiding het beroep op dit punt niet-ontvankelijk te verklaren.

2.12. In de mede aan het bestreden besluit ten grondslag liggende Zienswijzennota heeft de raad toegelicht dat de Maerten van Heemskerckstraat smal, maar voldoende breed is voor fietsers die van de tegenrichting komen. Daarbij komt dat over een beperkte lengte van ongeveer 50 meter de weg toegankelijk is voor verkeer vanuit twee richtingen. Voorts zullen in deze straat verkeersdrempels worden aangelegd. Het college heeft zich bij deze toelichting aangesloten. Gelet hierop ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat de realisering van het plan niet tot een verkeersonveilige situatie voor fietsers in de Maerten van Heemskerckstraat zal leiden.

Het college heeft zich verder op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat de parkeerdruk in de Frans Hals-wijk onaanvaardbaar zal toenemen als gevolg van het verdwijnen van de huidige parkeerplaatsen in het plangebied. Daarbij heeft het college kunnen betrekken dat voor de bewoners in het plangebied ruim 1,3 parkeerplaatsen per woning zullen worden gerealiseerd, terwijl volgens het gemeentelijke beleid 1,2 parkeerplaatsen per woning uitgangspunt is. Dat het parkeerterrein bij het voormalige ziekenhuis mede in gebruik is bij omwonenden doet daaraan niet af, nog daargelaten dat dit terrein in particuliere handen is.

Het betoog faalt.

Leefbaarheid en groen- en speelvoorzieningen

2.13. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte geen normen zijn vastgelegd voor het openbaar groen ter verbetering van het leefklimaat in het plangebied. Het belang hiervan onderstrepen zij door te wijzen op de grote en toenemende verdichting in de stad. Ook wijzen zij op de Nota Ruimte. Zij betogen voorts dat in het plan ten onrechte geen normen zijn vastgelegd ten behoeve van het waarborgen van voldoende ruimte voor speelvoorzieningen. Ook betogen zij dat de plantoelichting een te rooskleurig beeld geeft van de procedure rondom de vorming van een nieuw globaal stedenbouwkundig plan.

2.14. Het college stelt zich op het standpunt dat de raad beleidsvrijheid heeft bij het realiseren van de hoeveelheid groenvoorzieningen in het plangebied. Het college stelt zich voorts op het standpunt dat voor de inrichting van de openbare ruimte een inrichtingsplan is opgesteld en dat de daadwerkelijke inrichting aan de orde komt bij de uitvoering van het plan.

2.15. Volgens de plantoelichting wordt een hoge kwaliteit van het openbare gebied nagestreefd. In dit verband krijgt het plangebied een groener karakter met een kwalitatief volwaardige groenstructuur. Dit wordt bereikt door bestaande beplanting grotendeels te behouden en door nieuwe beplanting aan te brengen, aldus de plantoelichting.

Volgens het stedenbouwkundig programma van eisen in de plantoelichting moet de inrichting van de openbare ruimte, evenals de architectuur, worden afgestemd op de te ontwikkelen ruimtelijke visie en deze visie ook als zodanig ondersteunen. In het openbare gebied wordt ten minste een groenplein opgenomen dat geschikt is voor spelende kinderen tot 8 jaar. Ook wordt er speelgelegenheid gecreëerd voor kinderen van 9 tot 13 jaar.

2.15.1. Volgens de Nota Ruimte is het belangrijk dat verantwoordelijke overheden voldoende ruimte reserveren voor onder meer parken en groengebieden in en om de stad. In concrete gevallen is het aan deze overheden om een afweging te maken in hoeverre sprake is van voldoende kwalitatieve groenstructuren.

2.16. De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de systematiek van de WRO, aan de raad een grote mate van beleidsvrijheid toekomt bij het toekennen van bestemmingen. In deze wet valt geen bepaling aan te wijzen die op het vastleggen van normen terzake van een minimumhoeveelheid groen- en speelvoorzieningen in een bestemmingsplan ziet. Ook uit de Nota Ruimte volgt niet dat de raad de verplichting heeft om een minimumhoeveelheid groen- en speelvoorzieningen in een bestemmingsplan op te nemen. In hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat terzake van de hoeveelheid groen- en speelvoorzieningen in het plangebied geen onaanvaardbaar leefklimaat zal ontstaan. Het college heeft daarbij kunnen betrekken dat in de omgeving van het plangebied reeds omvangrijke stedelijke groenvoorzieningen aanwezig zijn. Voorts heeft het college kunnen betrekken dat een groenplein en een speelterrein in het plan zijn opgenomen en dat gestreefd wordt naar een zo groen mogelijke inrichting van de openbare ruimte binnen het plangebied. Niet aannemelijk is gemaakt dat in de plantoelichting, waaraan geen bindende betekenis toekomt, een te rooskleurig beeld wordt gegeven.

Het betoog faalt.

Bebouwingsdichtheid en bouwhoogte

2.17. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het plan ten onrechte geen kwaliteitscriteria zijn vastgelegd terzake van de bebouwingsdichtheid in het plangebied. In dit verband voeren zij aan dat de leefbaarheid daardoor wordt bedreigd. Ook is volgens hen het maximum van 34.000 m² vloeroppervlakte niet gewaarborgd. Voorts betogen zij dat de in de plantoelichting neergelegde eis terzake van de bouwhoogten van nieuwbouw eenduidig dient te worden vastgelegd, in die zin dat op niet meer dan 15% van de bebouwde oppervlakte meer dan drie bouwlagen mogen worden gebouwd.

2.18. Het college stelt zich op het standpunt dat het plan planologische ontwikkelingen mogelijk maakt en niet ertoe strekt om normen terzake van diverse aspecten van de leefbaarheid in het plangebied vast te leggen. Daarbij is niet gebleken dat het plan tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat leidt. Voorts stelt het college zich op het standpunt dat de bouwhoogten voldoende duidelijk zijn indien de volgens de plankaart toegestane bouwhoogten in samenhang met de toepasselijke voorschriften worden gelezen.

2.19. Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder i, van de planvoorschriften mogen op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht met inachtneming dat binnen de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Gemengde doeleinden (Ga, Gb)" de gezamenlijke brutovloeroppervlakte van de bebouwing maximaal 34.600 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, mogen op gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden (Ga, Gb)" gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, worden opgericht met inachtneming dat binnen de bestemmingen "Woondoeleinden (W)" en "Gemengde doeleinden (Ga, Gb)" de gezamenlijke brutovloeroppervlakte van de bebouwing maximaal 34.600 m² mag bedragen.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder f, mogen op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht met inachtneming dat de bouwhoogte van een gebouw niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven, met dien verstande dat in het bouwvlak op de plankaart aangeduid als "bouwvlak 1" maximaal 10% van de oppervlakte van dat bouwvlak de bouwhoogte 16,0 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 5, derde lid, aanhef en onder g, mogen op gronden met de bestemming "Woondoeleinden (W)" gebouwen en andere bouwwerken worden opgericht met inachtneming dat de bouwhoogte van een gebouw niet meer mag bedragen dan op de plankaart is aangegeven, met dien verstande dat in het bouwvlak op de plankaart aangeduid als "bouwvlak 2" maximaal 30% van de oppervlakte van dat bouwvlak de bouwhoogte 19,0 meter mag bedragen.

Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder b, mogen op gronden met de bestemming "Gemengde doeleinden (Ga, Gb)" gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden opgericht met inachtneming dat de goothoogte en de bouwhoogte van een gebouw niet meer mogen bedragen dan op de plankaart staat aangegeven.

2.19.1. Volgens het stedenbouwkundig programma van eisen in de plantoelichting geldt de huidige bebouwingsdichtheid, te lezen als de toentertijd aanwezige hoeveelheid vierkante meters brutovloeroppervlakte, voor de toekomstige situatie als maximum (bovengronds, 34.000 m²). Het vloeroppervlak van geheel ondergrondse ruimtes telt hierin niet mee en kan dus extra capaciteit betekenen. Kwaliteitscriteria zullen uiteindelijk bepalen welke dichtheid feitelijk kan worden gehaald.

Volgens het stedenbouwkundig programma van eisen zal voorts de bouwhoogte van nieuwbouw voor ten minste 85% beperkt blijven tot drie bouwlagen. Dit komt overeen met een hoogte van ongeveer 8 tot 10 meter.

2.20. De Afdeling overweegt dat in de WRO geen bepaling valt aan te wijzen die de raad ertoe verplicht kwaliteitscriteria in een bestemmingsplan op te nemen terzake van de maximale bebouwingsdichtheid in een plangebied. Ter zitting heeft het college toegelicht dat de in de plantoelichting bedoelde kwaliteitscriteria terzake van de maximale bebouwingsdichtheid zien op het realiseren van voldoende speelgelegenheden in het plangebied. Daargelaten de vraag in hoeverre deze kwaliteitscriteria uiteindelijk zullen bepalen welke dichtheid feitelijk in het plangebied kan worden gehaald, heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de in het plan opgenomen gezamenlijke brutovloeroppervlakte van de bebouwing van maximaal 34.600 m² niet onaanvaardbaar is. De verruiming van 600 m² ten opzichte van het stedenbouwkundige programma van eisen is bestemd voor extra plaatsen in een parkeergarage. Het college heeft deze verruiming in redelijkheid van ondergeschikte betekenis kunnen achten. Bij het vorenstaande komt dat, gelet op artikel 5, derde lid, aanhef en onder i, en artikel 8, derde lid, aanhef en onder e, van de planvoorschriften, is zekergesteld dat een overschrijding van de maximale brutovloeroppervlakte bij bouwvergunningverlening niet zal plaatsvinden.

2.20.1 In de Zienswijzennota heeft de raad toegelicht dat de hoeveelheid bebouwing die hoger kan zijn dan drie bouwlagen afgemeten wordt aan de totale brutovloeroppervlakte. Het college heeft zich hierbij aangesloten. Niet valt in te zien dat het college terzake van de berekening van de maximale hoeveelheid bebouwing die hoger kan zijn dan drie bouwlagen de totale brutovloeroppervlakte niet als maatstaf heeft kunnen hanteren.

Voorts heeft de raad toegelicht dat uit berekening is gebleken dat op minder dan 15% van de totale brutovloeroppervlakte bebouwing wordt gerealiseerd die hoger is dan drie bouwlagen. [appellant sub 1] en anderen hebben niet aannemelijk gemaakt dat het college van een onjuiste berekening is uitgegaan.

De Afdeling overweegt verder dat voor de voorziene bebouwing de maximale bouwhoogten op de plankaart en in de planvoorschriften zijn vastgelegd en dat daarmee is zekergesteld dat overschrijding van de maximale bouwhoogten niet zal plaatsvinden.

Het betoog faalt.

Beschermd stadsgezicht

2.21. [appellant sub 1] en anderen betogen dat het plan onvoldoende voorziet in een zorgvuldige inpassing tussen de naastgelegen wijken die als beschermd stadsgezicht zijn aangewezen.

2.22. Het college stelt zich op het standpunt dat het plangebied in de toekomst deel zal uitmaken van het beschermd stadsgezicht, maar dat aan het plangebied zelf geen bijzondere waarde wordt toegekend. Daarbij zijn er voor het plangebied aanvullende welstandscriteria vastgesteld.

2.23. Volgens het stedenbouwkundig programma van eisen in de plantoelichting krijgt het plangebied een hoog stedenbouwkundig en architectonisch gehalte. Het plangebied kan een eigen ruimtelijke karakteristiek krijgen, maar moet de aangrenzende wijken in hun waarde laten.

Ook staat in de plantoelichting dat het oude hoofdgebouw van het ziekenhuis van cultuurhistorische betekenis is en dat het belangrijk is het gebouw goed te laten integreren in de omgeving. Verder staat in de plantoelichting dat de nieuwe ontwikkelingen gelegenheid bieden de resterende invulling van het terrein wat betreft de structuur en bebouwing beter te laten aansluiten op het omringende stedenbouwkundige patroon.

2.24. Uit de plantoelichting volgt dat bij het realiseren van het plan rekening wordt gehouden met de cultuurhistorische waarde van naastgelegen wijken en dat hieraan zwaarwegend belang wordt toegekend. Daarbij heeft het college in dit verband toegelicht dat voor het plangebied aanvullende welstandscriteria in acht moeten worden genomen. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een verantwoorde inpassing van het plan tussen de naastgelegen woonwijken voldoende is zekergesteld.

Het betoog faalt.

Prijsindicaties

2.25. [appellant sub 1] en anderen betogen dat in het plan geen prijsindicaties zijn opgenomen voor de voorziene woningen.

2.26. Met de raad stelt het college zich op het standpunt dat op grond van de WRO geen prijsindicaties in het plan kunnen worden opgenomen.

2.27. De Afdeling overweegt dat het plan onder de werking van de WRO tot stand is gekomen en dat deze wet niet voorziet in de mogelijkheid tot het opnemen van prijsindicaties voor de voorziene woningen.

Het betoog faalt.

Luchtkwaliteit

2.28. [appellant sub 1] en anderen betogen dat een luchtkwaliteitsonderzoek ontbreekt dat inzicht geeft in de negatieve gevolgen voor de luchtkwaliteit als gevolg van het verdwijnen van groenvoorzieningen.

2.29. Het college stelt zich op het standpunt dat in de nieuwe situatie het aantal verkeersbewegingen in het plangebied zal afnemen en dat als gevolg hiervan de luchtkwaliteit zal verbeteren. De resultaten uit het verrichte luchtkwaliteitsonderzoek bevestigen dat er geen grenswaarden uit het Besluit luchtkwaliteit 2005 (hierna: Blk 2005) worden overschreden.

2.30. Volgens de plantoelichting heeft een luchtkwaliteitsonderzoek plaatsgevonden, waarbij gebruik is gemaakt van het rekenmodel CAR (versie 4.0). Volgens dit onderzoek zullen in de nieuwe situatie geen normen in het Blk 2005 worden overschreden. In de bijlage bij de plantoelichting zijn cijfermatige resultaten uit het luchtkwaliteitsonderzoek opgenomen.

2.31. Op 15 november 2007 is de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) in werking getreden. Bij deze wet is het Blk 2005 ingetrokken. Ingevolge artikel V, voor zover thans aan de orde, van deze wet zijn titel 5.2 van de Wet milieubeheer en bijlage 2 van die wet en de op titel 5.2 berustende bepalingen niet van toepassing op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet met toepassing van artikel 7 van het Blk 2005 vastgesteld besluit. Het plan is vastgesteld na 15 november 2007 en derhalve is titel 5.2 en de daarbij behorende regelgeving van toepassing. Het college heeft dit niet onderkend, aangezien het is uitgegaan van de toepasselijkheid van het Blk 2005 op het plan. De conclusie is dat hetgeen [appellant sub 1] en anderen hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel V van de Wet van 11 oktober 2007 tot wijziging van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen). Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.31.1. De Afdeling ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Hiertoe overweegt zij dat uit het luchtkwaliteitsonderzoek volgt dat aan de grenswaarden voor zwevende deeltjes (PM10) en stikstofdioxide, zoals deze gelden ingevolge bijlage 2 van de Wet milieubeheer, wordt voldaan en dat [appellant sub 1] en anderen niet aannemelijk hebben gemaakt dat aan het luchtkwaliteitsonderzoek gebreken kleven. De conclusie is dat wordt voldaan aan titel 5.2 van de Wet milieubeheer.

Proceskosten

2.32. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van De Stuurgroep Deo niet-ontvankelijk;

II. verklaart het beroep van [appellant sub 1] en anderen gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 24 februari 2009, kenmerk 2009-9475;

IV. bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

V. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan [appellant sub 1] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan één van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Bechinka, ambtenaar van Staat.

w.g. Scholten-Hinloopen w.g. Bechinka

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

371-629.