Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3661

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200903204/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van 18 appartementen aan de Oranjestraat ongenummerd te Middelbeers, gemeente Oirschot (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903204/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante] en anderen, gevestigd onderscheidenlijk wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2009 in zaak nr. 08/1051 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Oirschot.

1. Procesverloop

Bij besluit van 5 december 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Oirschot (hierna: het college) geweigerd aan [appellante] vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het oprichten van 18 appartementen aan de Oranjestraat ongenummerd te Middelbeers, gemeente Oirschot (hierna: het perceel).

Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en dat besluit onder aanpassing van de motivering ervan in stand gelaten.

Bij uitspraak van 19 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellante], [appellante b] (hierna: de beheersmaatschappij), [appellant c] en [appellant d] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2009, waar [appellante], de beheersmaatschappij, [appellant d] en [appellant c], vertegenwoordigd door mr. M.M.A.A. van Oosterhout, advocaat te Tilburg, [appellant d], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Nijpels, advocaat te 's-Gravenhage, zijn verschenen.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. De Afdeling stelt vast dat zowel het bezwaarschrift tegen het besluit van 5 december 2006 als het beroepschrift tegen het besluit van 31 januari 2008 zijn ondertekend door de gemachtigde van [appellante], mr. M.M.A.A. van Oosterhout. In het bezwaarschrift is vermeld dat bezwaar wordt gemaakt namens [appellante] tegen het aan haar gerichte besluit van 5 december 2006, terwijl daarin eveneens [appellant c] en [appellant d] worden genoemd. In het beroepschrift is vermeld dat namens [appellante] beroep wordt ingesteld tegen het besluit van 31 januari 2008 en wordt ook [appellant d] genoemd. Gelet op de hiervoor beschreven vermeldingen moet het bezwaar worden geacht te zijn ingediend door [appellante], [appellant c] en [appellant d], terwijl beroep moet worden geacht te zijn ingediend door [appellante] en [appellant d]. Hieruit volgt dat [appellant c] geen beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 31 januari 2008 en dat de beheersmaatschappij noch bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 5 december 2006 noch beroep heeft ingesteld tegen het besluit van 31 januari 2008.

Ingevolge artikel 6:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover thans van belang, kan geen beroep worden ingesteld tegen een op bezwaar of in administratief beroep genomen besluit door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten geen bezwaar te hebben gemaakt of administratief beroep te hebben ingesteld tegen het oorspronkelijke besluit. Ingevolge artikel 6:24 van die wet is deze regeling in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.

Gelet op het vorenstaande dient het hoger beroep, voor zover ingesteld door de beheersmaatschappij en [appellant c], niet-ontvankelijk te worden verklaard.

2.2. [appellante] en [appellant d] betogen dat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren hiertoe onder meer aan dat [appellante] de bouwaanvraag heeft ingediend en reeds om die reden belanghebbende is bij het besluit tot weigering van de bouwvergunning. Voorts wijzen zij erop dat [appellant c], als eigenaar van het perceel, op 23 oktober 2003 voor de bouwplannen op het perceel een algehele last en volmacht heeft verstrekt aan [appellante] om op te treden namens [appellant c] .

2.2.1. In de aanvraag om bouwvergunning van 23 augustus 2006 is in de rubriek aanvrager vermeld: "[appellant d] Projectbegeleiding & adv.". Als vertegenwoordiger van deze rechtspersoon is vermeld: "[appellant d]". Voorts is vermeld dat de rechtspersoon geen eigenaar of huurder is, maar gevolmachtigde voor: "[appellant c]". Ten slotte is op de aanvraag vermeld dat de aanvrager de aanvraag niet door een gemachtigde laat verzorgen.

2.2.2. Op 22 februari 2006 is een overeenkomst gesloten als aanvulling op de hiervoor onder 2.2 vermelde algehele last en volmacht van 23 oktober 2003. In deze aanvullende overeenkomst is vermeld dat [appellant d] zijn werkzaamheden in het kader van de herontwikkeling op het perceel heeft uitgevoerd in de hoedanigheid van eigenaar/directeur van [appellante], dat hij per 1 januari 2006 zijn werkzaamheden heeft ondergebracht in de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Beheersmaatschappij [appellant d], handelende onder de naam: [appellant d] Projectbegeleiding en Advies. Voorts is in die aanvullende overeenkomst vermeld dat [appellant d] Projectbegeleiding en Advies alle rechten en verplichtingen aanvaardt uit de op 2 oktober 2003 gesloten overeenkomst en dat waar in het verleden, respectievelijk de toekomst "[appellante]" is vermeld, dient te worden gelezen "[appellant d] Projectbegeleiding en Advies".

2.2.3. Gelet op de omstandigheid dat [appellant d] zowel eigenaar/directeur is van [appellante] als van een besloten vennootschap die handelt onder de naam [appellant d] Projectbegeleiding en Advies, onder welke naam hij tevens de werkzaamheden van [appellante] met betrekking tot de bouwaanvraag heeft willen voortzetten, is er geen plaats voor de conclusie dat [appellante] niet als indiener van de aanvraag kan worden aangemerkt. Hieruit volgt dat het belang van [appellante] direct betrokken is bij het besluit van 5 december 2006 op die aanvraag, zodat zij bij dat besluit belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Voorts zijn het bezwaar- en het beroepschrift ingediend door de gemachtigde van [appellante], zodat de rechtbank ten onrechte op grond van artikel 1:2 van de Awb het beroepschrift niet-ontvankelijk heeft verklaard.

2.3. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Ingevolge artikel 44, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet op de Raad van State dient de zaak in beginsel te worden teruggewezen. Naar het oordeel van de Afdeling behoeft de zaak echter geen nadere behandeling door de rechtbank, zodat zij de zaak met toepassing van artikel 45 van de Wet op de Raad van State zonder terugwijzing zal afdoen.

2.4. [appellante] en [appellant d] hebben in beroep betoogd dat het college te lang heeft gewacht met het nemen van een besluit op bezwaar. Zij hebben hiertoe aangevoerd dat het bezwaarschrift op 12 januari 2007 is ingediend, terwijl het besluit op bezwaar eerst op 31 januari 2008 is genomen.

2.4.1. Dit betoog slaagt niet. Vast staat dat het college de beslistermijn voor het nemen van een bezwaarschrift zoals vermeld in artikel 7:10 van de Awb heeft overschreden. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 12 januari 2005 in zaak nr. 200404561/1) betekent overschrijding van die termijn echter niet dat dit besluit reeds op die grond voor vernietiging in aanmerking komt. Er valt immers geen wettelijk voorschrift aan te wijzen dat bepaalt dat in een geval als het onderhavige het desbetreffende besluit niet in stand kan blijven. Evenmin bestaat er grond voor het oordeel dat [appellante] en [appellant d] door deze gang van zaken zodanig in hun belangen zijn geschaad, dat het bestreden besluit om die reden wegens strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel enig rechtsbeginsel niet in stand kan blijven.

2.5. [appellante] en [appellant d] hebben voorts betoogd dat het besluit van 31 januari 2008 onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd, omdat niet duidelijk is welke zienswijzen tegen het bouwplan zijn ingediend.

2.5.1. Het college heeft in het besluit van 31 januari 2008 vastgehouden aan zijn standpunt dat het niet wenselijk is om vrijstelling krachtens artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het bouwplan te verlenen, omdat het bouwplan vanuit stedenbouwkundig oogpunt niet passend is in de omgeving en geen aanvaardbare ruimtelijke invulling voor het perceel vormt. Het heeft dit standpunt onderbouwd met het stedenbouwkundig advies van Bureau Verkuylen van 20 oktober 2006 (hierna: het advies Verkuylen), dat op verzoek van het college naar aanleiding van de ingediende zienswijzen is opgesteld. Het heeft in het besluit op bezwaar de inhoud van de ingediende zienswijzen kort samengevat. In het advies Verkuylen is geconcludeerd dat het bouwplan vanwege de massa niet past in de omgeving, omdat daardoor de hoofdstraat ondergeschikt wordt gemaakt aan de zijstraat. Voorts wordt daarin vermeld dat op het perceel een landelijke typologie meer op zijn plaats is dan de typologie van de stedelijke villabouw uit de jaren dertig van het bouwplan en dat het perceel gezien de ligging meer geschikt is voor grondgebonden woningen dan voor appartementen.

Het college heeft aldus voldoende draagkrachtig gemotiveerd waarom het geen vrijstelling wenst te verlenen voor het onderhavige bouwplan. Voor zover [appellante] en [appellant d] beogen te betogen dat hun niet voldoende duidelijk is geweest welke zienswijzen zijn ingediend, kan dat niet leiden tot het door hen gewenste gevolg, reeds omdat zij in hun pleitnota bij de bezwaarschriftencommissie van 17 april 2007 inhoudelijk zijn ingegaan op elk van de afzonderlijk ingediende zienswijzen.

2.6. Voorts hebben [appellante] en [appellant d] een beroep op het vertrouwensbeginsel gedaan. Zij hebben daartoe aangevoerd dat het college door publicatie op 12 april 2006 van het voornemen tot het verlenen van de vrijstelling zich bereid heeft verklaard vrijstelling en bouwvergunning te verlenen, zodat zij erop mochten vertrouwen dat dit zou gebeuren. De wijziging van de samenstelling van het college in mei 2006, die huns inziens aan de weigering om vrijstelling te verlenen ten grondslag ligt, had daarom geen rol mogen spelen.

2.6.1. Dit betoog slaagt niet. Een college kan niet de bevoegdheid worden ontzegd om, zoals in dit geval aan de orde, in verband met zienswijzen die zijn ingediend naar aanleiding van tegen het voornemen tot het verlenen van vrijstelling een stedenbouwkundig advies te vragen en op grond van dat advies terug te komen van een aanvankelijke bereidheid medewerking te verlenen aan een vrijstellingsprocedure op basis van artikel 19 van de WRO. Dat, zoals gesteld, de samenstelling van het college na de terinzagelegging van het voornemen tot het verlenen van vrijstelling is gewijzigd, doet aan die bevoegdheid niet af. Evenmin konden [appellante] en [appellant d] aan de omstandigheid dat het college, zoals naar hun zeggen bleek uit voorafgaand overleg tussen hen en de toenmalige wethouder, bereid was vrijstelling te verlenen en dat voornemen tot vrijstelling ter inzage heeft gelegd, niet het in rechte te honoreren vertrouwen ontlenen dat de vrijstellingsprocedure voor hen in gunstige zin zou worden afgerond. Indien die opvatting juist zou zijn zou aan die procedure alle zin ontvallen.

2.7. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank ingestelde beroep van [appellante] en [appellant d] tegen het besluit van 31 januari 2008 alsnog ongegrond verklaren. De Afdeling ziet voorts geen aanleiding om te bepalen dat ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de door [appellante] en [appellant d] gestelde schade, het onderzoek wordt heropend, zoals vermeld in artikel 8:73, tweede lid, van de Awb. Aan het bepaalde in het tweede lid wordt immers slechts toegekomen, indien het eerste lid van toepassing is. Daarvan is in dit geval geen sprake, reeds omdat het beroep ongegrond is.

2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

2.9. Redelijke toepassing van artikel 43, eerste lid, van de Wet op de Raad van State brengt met zich dat het door [appellante] en [appellant d] betaalde griffierecht door de secretaris van de Raad van State aan hen wordt terugbetaald.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door de beheersmaatschappij en [appellant c], niet-ontvankelijk;

II. verklaart het hoger beroep, voor zover ingesteld door [appellante] en [appellant d], gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2009 in zaak nr. 08/1051;

IV. verklaart het bij de rechtbank door [appellante] en [appellant d] ingestelde beroep ongegrond;

V. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan [appellante] en [appellant d] het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 447,00 (zegge: vierhonderdzevenenveertig euro) voor de behandeling van het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

488.