Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3657

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200902465/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2009:BH8925, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden tegen het met het geldende bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden op de percelen Zeestraat 62 tot en met 66 te Den Haag (hierna: de panden en de percelen), als school, afgewezen.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet
Gemeentewet 125
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:4
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 19
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/152
Module Ruimtelijke ordening 2009/4833
ABkort 2009/502

Uitspraak

200902465/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 20 februari 2009 in zaak nr. 08/5023 in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) het verzoek van [appellant A] en [appellant B] om handhavend op te treden tegen het met het geldende bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden op de percelen Zeestraat 62 tot en met 66 te Den Haag (hierna: de panden en de percelen), als school, afgewezen.

Bij besluit van 5 september 2008 heeft het college het door [appellant A] en [appellant B] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 februari 2009, verzonden op 25 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) onder meer het door [appellant A] en [appellant B] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 8 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft Luzac Onderwijs B.V. een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 november 2009, waar [appellant A] en [appellant B], bijgestaan door mr. J. Geelhoed, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door A.C. Visser, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is Luzac Onderwijs B.V., vertegenwoordigd door mr. R.J. Colenbrander en mr. D.M. Broerse, beiden advocaat te Amsterdam, daar als belanghebbende gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Willemspark I" (hierna: het bestemmingsplan) rust op de percelen de bestemming "Gemengde bebouwing (GB) met erven".

Ingevolge artikel 9, aanhef en onder a tot en met d, van de planvoorschriften zijn de gronden, welke blijkens de kaart als zodanig zijn aangewezen, bestemd voor gebouwen ten behoeve van woondoeleinden, administratieve doeleinden, verblijfsdoeleinden en/of welzijnsvoorzieningen.

2.2. InterCollege heeft het pand aan de Zeestraat 62 te Den Haag sinds september 2006 in gebruik als school. Luzac College heeft de panden aan de Zeestraat 64 en 66 te Den Haag sinds augustus 2007 in gebruik als school. Achter deze drie panden bevindt zich over de gehele breedte van de panden een achterplaats. [appellant B] bewoont een appartement aan de [locatie 1], waarvan de achtertuin grenst aan voormelde achterplaats. Het appartement van [appellant A] aan de [locatie 2] heeft aan de achterzijde een balkon, dat uitziet op die achterplaats.

2.3. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met het bestemmingsplan, zodat het college ter zake handhavend kon optreden.

Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.4. Ingevolge artikel 19, tweede lid, van de WRO kan het college van burgemeester van wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door het college van gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur, aangegeven categorie├źn van gevallen. Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland de in artikel 19, tweede lid, van de WRO bedoelde categorie├źn van gevallen aangewezen.

Op grond van het bepaalde in de onder B. opgenomen algemene lijst voor stedelijk gebied, onderdeel 2., van dit besluit, kan het college van burgemeester en wethouders, voor zover hier van belang, vrijstelling verlenen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en het omzetten van bestaande functies in functies ten behoeve van onder meer voorzieningen van educatieve aard. Verder is de randvoorwaarde van toepassing dat bij het realiseren van bedrijvigheid in de nabijheid van gevoelige functies geen onevenredige hinder ontstaat.

2.5. In het besluit op bezwaar heeft het college vastgehouden aan de weigering tot handhavend optreden over te gaan, omdat, nu met toepassing van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO) vrijstelling zal worden verleend, concreet zich op legalisatie van het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van de panden bestaat.

2.6. [appellant A] en [appellant B] betogen dat de rechtbank er ten onrechte op heeft vertrouwd dat het college aan de te verlenen vrijstelling de voorwaarde zou verbinden dat de achterplaats achter de panden Zeestraat 62 en 64 tijdens schooluren niet door de leerlingen zou worden gebruikt, anders dan voor het stallen en ophalen van (brom)fietsen. Nu, aldus [appellant A] en [appellant B], geen zekerheid bestond dat een toereikende voorwaarde in de vrijstelling zou worden opgenomen en daarom niet was gegarandeerd dat aan de ter plaatse geldende geluidsnormen zou worden voldaan, was het college niet bevoegd om vrijstelling van het bestemmingsplan te verlenen en heeft de rechtbank volgens hen ten onrechte geoordeeld dat concreet zicht op legalisatie bestond.

2.6.1. Ten tijde van het besluit op bezwaar van 5 september 2008 was sprake van concreet zicht op legalisatie, doordat het ontwerpbesluit tot vrijstelling van het bestemmingsplan ter inzage lag (welke vrijstelling inmiddels ook is verleend). Onder deze omstandigheden zou voor de conclusie dat desondanks concreet zicht op legalisatie ontbreekt eerst aanleiding kunnen bestaan indien op voorhand duidelijk zou zijn dat vrijstelling van het bestemmingsplan niet zou kunnen worden verleend. Dat is hier niet aan de orde. De omstandigheid dat partijen erover van inzicht verschillen of de aan vrijstelling te verbinden voorwaarde effectief zal blijken om geluidhinder voor omwonenden te voorkomen, is onvoldoende voor deze conclusie. Het betoog faalt.

2.7. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat concreet zicht op legalisatie bestaat, zodat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren tot handhavend optreden over te gaan.

2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. V. van Dorst, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Dorst

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

357-619.