Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3652

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200900642/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBALK:2008:BH0118, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap KPN Mobiel Nederland B.V. (hierna: KPN Mobiel) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een antennedrager voor mobiele communicatie op het perceel Nieuwedam 1 te Schoorl (hierna: het perceel).

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 8:75
Besluit proceskosten bestuursrecht
Besluit proceskosten bestuursrecht 1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/47

Uitspraak

200900642/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 december 2008 in zaak nr. 08/1160 in het geding tussen:

[appellant],

[wederpartij]

en

het college van burgemeester en wethouders van Bergen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Bergen (hierna: het college), voor zover thans van belang, aan de besloten vennootschap KPN Mobiel Nederland B.V. (hierna: KPN Mobiel) vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het geheel vernieuwen van een antennedrager voor mobiele communicatie op het perceel Nieuwedam 1 te Schoorl (hierna: het perceel).

Bij besluit van 8 april 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 december 2008, verzonden op 19 december 2008, heeft de rechtbank Alkmaar (hierna: de rechtbank), voor zover thans van belang, het door [appellant] tegen dit besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 april 2008 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dit besluit geheel in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 23 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.J.M. Hink, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is ter zitting KPN Mobiel, vertegenwoordigd door drs. K.J.W. de Jong, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] betoogt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2008 ten onrechte in stand heeft gelaten. Hiertoe voert hij onder meer aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bij besluit van 26 juni 2008 door de gemeenteraad vastgestelde beleidsnotitie "Masten voor mobiele telecommunicatie gemeente Bergen" (hierna: de beleidsnotitie) in de weg staat aan de voor de in het geding zijnde antennedrager verleende vrijstelling en bouwvergunning. In dit verband voert hij aan dat de antennedrager op een afstand van minder dan 300 meter van een woonwijk wordt geplaatst. Voorts had volgens hem onderzoek moeten plaatsvinden naar alternatieve locaties op de vereiste afstand tot de woonwijk.

2.1.1. In artikel 5.2, onder 0, van de beleidsnotitie staat dat bestaande rechten worden gerespecteerd en dat de gemeente niet zal overgaan tot het verwijderen van zendmasten of het intrekken van verleende bouwvergunningen. Bij zijn besluit tot vaststelling van de beleidsnotitie heeft de gemeenteraad voorts een motie aangenomen, waarin wordt overwogen dat het college bij iedere nieuwe aanvraag voor het plaatsen van een antennedrager bij voorkeur zoekt naar een locatie, die zich bevindt op tenminste 300 meter van de bebouwde kom en op of nabij grijze functies, zoals bedrijven-, sport- en parkeerterreinen en/of belangrijke doorgaande wegen en/of nabij reeds bestaande horizonvervuilende elementen.

2.1.2. Artikel 5.2, onder 0, van de beleidsnotitie is inhoudelijk ongewijzigd ten opzichte van de ten tijde van het besluit op bezwaar van 8 april 2008 geldende beleidsregel. Anders dan [appellant] betoogt, heeft de rechtbank terecht overwogen dat sprake is van bestaande rechten als bedoeld in dit artikel. De bouwvergunning was al ruim voor de vaststelling van de ten tijde van het besluit op bezwaar van 8 april 2008 geldende beleidsregel verleend. Dat de bouwvergunning nog niet in rechte onaantastbaar was, doet aan het voorgaande niet af. Ook de motie gaat hiervan uit, nu deze slechts van toepassing is op nieuwe aanvragen voor het plaatsen van een antennedrager. Voor zover [appellant] aanvoert dat het college onvoldoende heeft onderzocht of een andere locatie tot de mogelijkheden behoorde, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat het college eerst en vooral heeft te beslissen omtrent de aanvraag zoals deze is ingediend. Indien hetgeen met de aanvraag beoogd is op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door de verwezenlijking van alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Daarvan is geen sprake. Hierbij betrekt de Afdeling dat op het perceel reeds een antennedrager van 31 meter hoogte aanwezig was en de vergunde antennedrager deze zal vervangen.

Gelet op het vorenstaande, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de beleidsnotitie niet in de weg staat aan de voor de in het geding zijnde antennedrager verleende vrijstelling en bouwvergunning. Zij is dan ook terecht tot de slotsom gekomen dat de rechtsgevolgen van het besluit van 8 april 2008 in stand gelaten konden worden.

Het betoog faalt.

2.2. [appellant] betoogt voorts dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college opnieuw moet beslissen op zijn verzoek om vergoeding van de kosten die hij in verband met zijn bezwaar tegen het besluit van 25 april 2006 heeft moeten maken. Hiertoe voert hij aan dat de rechtbank zijn beroep gegrond heeft verklaard en het besluit van 8 april 2008 heeft vernietigd.

2.2.1. Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), voor zover thans van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.2.2. Van een herroeping van het besluit van 25 april 2006 als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb is in dit geval geen sprake. Het college is derhalve niet gehouden opnieuw te beslissen op het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten.

Het betoog faalt.

2.3. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Hiertoe voert hij aan dat hij kosten heeft gemaakt in verband met de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening.

2.3.1. Ingevolge artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is de rechtbank bij uitsluiting bevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Ingevolge artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit) kan een veroordeling als hier bedoeld uitsluitend betrekking hebben op in dat artikel aangeduide kosten.

2.3.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 31 mei 1999 in zaak nr. H01.98.0995 (AB 1999, 312) zijn de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor ambtshalve vergoeding vatbaar, dat wil zeggen ook in de gevallen waarin de rechter daarom niet is verzocht. Deze vergoeding kan op betrekkelijk eenvoudige wijze worden vastgesteld aan de hand van de geobjectiveerde normen, neergelegd in het Besluit. [appellant] heeft bij de rechtbank zelf zijn belangen behartigd. Van door een derde verleende rechtsbijstand, als bedoeld in artikel 1, onder a, van het Besluit, is geen sprake.

Ter verkrijging van een vergoeding van de overige uit het rechtsgeding voortvloeiende proceskosten mag van een partij die dat geding aanhangig maakt worden verlangd dat zij terzake enig initiatief neemt. Om een kostenveroordeling dient in ieder geval uitdrukkelijk te worden gevraagd en de kosten dienen, ter beoordeling van de rechter, te worden gespecificeerd. [appellant] heeft in zijn beroepschrift niet om een kostenveroordeling verzocht. Ook overigens is niet gebleken dat hij bij de rechtbank heeft gesteld kosten te hebben gemaakt die voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. De rechtbank heeft dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Dat [appellant], naar gesteld, heeft verzocht om veroordeling van het college in de kosten van de behandeling van zijn verzoek om voorlopige voorziening, doet hieraan niet af. Dit verzoek heeft geen betrekking op kosten als bedoeld in artikel 8:75, eerste lid, van de Awb.

Het betoog faalt.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak, voor zover aangevallen, dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Soede

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

270-593.