Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3651

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200900582/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 4 juni 2004 en 16 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) aan [appellanten sub 1] respectievelijk vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vestigen van een camping met bijbehorende voorzieningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900582/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],

2. het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 12 december 2008 in zaak nr. 06/1635 in het geding tussen:

[wederpartij A],

[wederpartij B],

[wederpartij C]

en

het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 4 juni 2004 en 16 juni 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren (hierna: het college) aan [appellanten sub 1] respectievelijk vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het vestigen van een camping met bijbehorende voorzieningen op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 11 april 2005 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] (hierna: [wederpartijen]) daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 18 januari 2006, verzonden op 19 januari 2006, heeft de rechtbank Roermond (hierna: de rechtbank) het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 11 april 2005 vernietigd.

Bij besluit van 2 augustus 2006 heeft het college het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de besluiten van 4 juni 2004 en 16 juni 2004 onder aanvulling van de motivering gehandhaafd.

Bij uitspraak van 12 december 2008, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank het door [wederpartijen] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 2 augustus 2006 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 21 januari 2009, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 januari 2009, hoger beroep ingesteld. [appellant sub 1] heeft zijn hoger beroep aangevuld bij brief van 11 februari 2009.

[wederpartijen] hebben een verweerschrift ingediend.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 september 2009, waar [appellant sub 1] en het college, vertegenwoordigd door mr. L.G.M.H. Bohnen en J. Tielen, zijn verschenen. Voorts zijn [wederpartijen], vertegenwoordigd door mr. P.J.G. Goumans, advocaat te Deurne, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. Het geding spitst zich toe op de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat het bedrijf van [appellant sub 1] een omvang heeft van minder dan 3 Nederlandse Grootte Eenheden (hierna: NGE), zodat het college de in het geding zijnde vrijstelling en bouwvergunning voor een camping met 15 kampeerplaatsen, alsmede het aanbrengen van sanitaire voorzieningen in een schuur (hierna: het bouwplan) niet in redelijkheid heeft kunnen verlenen.

2.2. De rechtbank heeft in haar uitspraak van 18 januari 2006 overwogen dat het college, nu hij het voeren van een agrarisch bedrijf als voorwaarde hanteert om kleinschalig kamperen toe te staan, de besluiten van 4 juni 2004 en 16 juni 2004 heeft genomen in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht. Hierbij heeft zij in aanmerking genomen dat het college ter zitting in beroep desgevraagd niet heeft kunnen aangeven waarop zijn standpunt is gebaseerd dat de fruitteeltactiviteiten en wijnbouw op het perceel een omvang hebben van meer dan drie NGE en hoeveel NGE nodig zijn om te kunnen spreken van een agrarisch bedrijf.

2.3. Aan het besluit van 2 augustus 2006 ligt ten grondslag dat de omvang van het bedrijf op het perceel door Area adviseurs in haar berekening van 27 januari 2006 is vastgesteld op 5,2 NGE. Voorts ligt aan dit besluit ten grondslag dat in paragraaf 5.1 van de toelichting op het nieuwe bestemmingsplan staat dat de minimum bedrijfsomvang voor toekenning van een agrarisch bouwkavel aan een agrarisch bedrijf is vastgesteld op 3 NGE. Tegen het toepassen van deze norm is niet in hoger beroep opgekomen.

2.4. [appellant sub 1] en het college betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college voor het bouwplan terecht vrijstelling en bouwvergunning heeft verleend. Hiertoe voeren zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet bevoegd was vrijstelling als bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de WRO te verlenen, omdat de omvang van het agrarisch bedrijf op het perceel, gelet op haar eigen bevindingen tijdens het onderzoek ter plaatse, moet worden vastgesteld op minder dan 3 NGE. In dit verband voeren zij aan dat de rechtbank een deel van de grond voor druiventeelt ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten, door voorbij te gaan aan het feit dat deze grond wel voor druiventeelt wordt gebruikt. Er stonden slechts tijdelijk geen wijnranken, vanwege sterfte van een deel van de aanplant in het vorig seizoen. Thans worden de wijnranken op dit deel van het perceel weer geteeld, aldus [appellant sub 1] en het college. Verder is met een berekening van 15 juli 2009 volgens het college en [appellant sub 1] wederom aangetoond dat de bedrijfsomvang meer dan 3 NGE bedraagt. [wederpartijen] hebben bovendien nimmer een berekening van een andere deskundig te achten persoon of instantie overgelegd, aldus het college en [appellant sub 1]. [appellant sub 1] betoogt tot slot dat niet duidelijk is welke NGE-normen de rechtbank bij haar berekening heeft toegepast.

2.4.1. Ter zitting is komen vast te staan dat de rechtbank bij haar berekening is uitgegaan van de NGE-normen zoals die golden ten tijde van het nemen van het besluit op bezwaar van 2 augustus 2006. Hoewel dit niet in de uitspraak van de rechtbank staat vermeld, treft het betoog geen doel nu de juiste normen als uitgangspunt zijn genomen.

[appellant sub 1] heeft ter zitting toegelicht dat hij in 2002 de bestaande wijngaard op het perceel heeft voortgezet en dat ongeveer de helft hiervan niet bruikbaar was. Dit deel is opnieuw ingeplant. Later is hij ook het deel van het perceel onder de hoogspanningskabels ten behoeve van druiventeelt gaan gebruiken. Een deel van de nieuwe aanplant is echter afgestorven. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is het enkele feit dat de wijngaard ten tijde van de schouw slechts voor de helft was ingeplant onvoldoende voor het oordeel dat deze niet geheel ten behoeve van het bedrijf in gebruik was. Er kunnen immers aanwijzingen bestaan dat de druiventeelt op dit deel van het perceel wordt hervat. Hiervan was ten tijde van het besluit op bezwaar van 2 augustus 2006 echter geen sprake. Uit de ruimtelijke onderbouwing blijkt verder niet dat [appellant sub 1] ten tijde van de aanvraag reeds voornemens was het deel van het perceel onder de hoogspanningskabels als wijngaard te gaan gebruiken. Ter zitting is voorts vastgesteld dat dit deel van het perceel op de kaart bij het inrichtingsplan, dat als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing is gevoegd, niet als zodanig is ingetekend. Verder zijn op verzoek van het college een viertal berekeningen opgesteld. In de berekening van 27 januari 2006, die ten grondslag ligt aan het besluit op bezwaar van 2 augustus 2006, is de bedrijfsomvang vastgesteld op 5,2 NGE. In de volgende drie berekeningen is de bedrijfsomvang steeds neerwaarts bijgesteld, waarbij deze in de laatste berekening van 15 juli 2009 is vastgesteld op 3,3 NGE. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden, is twijfelachtig of de bedrijfsomvang meer dan 3 NGE bedraagt. Gelet hierop, heeft het college zijn besluit op bezwaar van 2 augustus 2006 genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit besluit derhalve terecht, zij het op onjuiste gronden, vernietigd.

De betogen falen.

2.5. Uit het voorgaande volgt dat het college opnieuw dient te beslissen op het door [wederpartijen] gemaakte bezwaar. Met het oog daarop en ter voorkoming van onnodige vervolgprocedures overweegt de Afdeling het volgende.

[wederpartijen] hebben aangevoerd dat het college voor het verlenen van de vrijstelling geen gebruik kon maken van de door het college van gedeputeerde staten van Limburg (hierna: gedeputeerde staten) afgegeven verklaring van geen bezwaar. In de brief van 1 juni 2004 aan het college hebben gedeputeerde staten volstaan met de mededeling dat zij geen bezwaar hebben tegen het bouwplan. De verklaring van geen bezwaar is derhalve ongemotiveerd, zodat het college bij nemen van een nieuw besluit hiervan geen gebruik kan maken.

Voorts lijkt het de Afdeling aangewezen dat in het kader van het nieuw te nemen besluit het aantal NGE opnieuw wordt berekend, doch door een andere deskundige.

Verder ziet de bij besluit van 4 juni 2004 verleende vrijstelling op het vestigen van een camping met een omvang van niet meer dan 15 kampeerplaatsen. De door [wederpartijen] gevreesde groei van de camping en de gevolgen daarvan vinden derhalve geen grondslag in het besluit.

[wederpartijen] hebben ter zitting medegedeeld dat zij hun beroepsgrond dat de minicamping leidt tot verkeersonveilige situaties niet handhaven. Tot slot hebben [wederpartijen] ter zitting medegedeeld dat zij hun beroepsgrond dat het college ten onrechte vrijstelling heeft verleend, omdat de minicamping gelegen is naast een tankstation, alsmede binnen de stankcirkel van een veehouderijbedrijf op het perceel Waldfeuchterbaan 170, evenmin handhaven.

2.6. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd met verbetering van de gronden waarop deze rust.

2.7. Het college dient ten aanzien van [wederpartijen] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren tot vergoeding van bij [wederpartijen] en anderen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

III. verstaat dat de secretaris van de Raad van State van het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren griffierecht ten bedrage van € 433,00 (zegge: vierhonderddrieëndertig euro) heft.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Soede

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

270-593.