Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3646

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200901508/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Xella Cellenbeton Nederland B.V. (hierna: Xella) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fabriek voor de productie van cellenbeton en kalkzandsteen op het perceel Waaldijk 95 te Vuren. Dit besluit is op 22 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/294

Uitspraak

200901508/1/M2.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Xella Cellenbeton Nederland B.V., gevestigd te Vuren, gemeente Lingewaal,

appellante,

en

het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Xella Cellenbeton Nederland B.V. (hierna: Xella) een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een fabriek voor de productie van cellenbeton en kalkzandsteen op het perceel Waaldijk 95 te Vuren. Dit besluit is op 22 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft Xella bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 maart 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 31 maart 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2009, waar Xella, vertegenwoordigd door mr. J.L. Stoop, advocaat te Roermond, en R. Savelkoul en de gemeente, vertegenwoordigd door Ph. Hoek, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Xella voert aan dat de in het bestreden besluit gestelde geluidgrenswaarden in combinatie met de typering 'rustige woonwijk' eventuele uitbreidingsplannen in de weg staan. Hierbij merkt Xella op dat de oude geluidnorm op punt 8 minder streng was. Volgens Xella wordt daarmee ten onrechte inbreuk gemaakt op bestaande rechten.

2.1.1. Het college stelt dat de geluidnormen zijn gebaseerd op het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport en de activiteiten zoals die in de aanvraag zijn beschreven. Er is daarbij uitgegaan van het ter plaatse heersende achtergrondgeluidniveau en niet van de typering streefwaarden voor een 'rustige woonwijk'. Uit de aanvraag blijkt dat Xella aan de gestelde geluidnormen kan voldoen. De toekomstige activiteiten waar naar wordt verwezen zijn niet in de aanvraag beschreven en konden volgens het college bij het bestreden besluit geen rol spelen.

2.1.2. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. De toekomstige activiteiten waar Xella naar verwijst, zijn niet in de aanvraag beschreven en konden derhalve bij het bestreden besluit geen rol spelen. Uit het bij de aanvraag gevoegde geluidrapport blijkt dat aan de gestelde normen kan worden voldaan. Dat de geluidnorm uit de oude vergunning op punt 8 minder streng was doet er derhalve niet aan af dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat de bestreden geluidnormen aan de vergunning verbonden konden worden. Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.2. Xella voert aan dat de in vergunningvoorschrift 2.5.1 opgelegde maatregelen tegen de verspreiding van stof onnodig beperkend zijn. Volgens haar is het maandelijks en zo nodig dagelijks vegen van het tasterrein voldoende om stofoverlast en verwaaiing te voorkomen.

2.2.1. Het college stelt dat de in voorschrift 2.5.1 opgenomen maatregelen zijn gebaseerd op de Nederlandse emissierichtlijn. Het doel van het voorschrift is het voorkomen van zichtbare stofverspreiding. Volgens het college wordt aan het voorschrift voldaan indien dit door een of meerdere in het voorschrift genoemde maatregelen wordt bereikt.

2.2.2. Voorschrift 2.5.1 bepaalt dat stofverspreiding ten gevolge van verkeer op en vanaf het opslagterrein zodanig dient te worden beperkt dat zichtbare stofverspreiding buiten de inrichting wordt voorkomen. Dit moet worden gerealiseerd door tenminste:

- het aantal verkeersactiviteiten op het terrein zo gering mogelijk te houden;

- transport op het terrein zo mogelijk continu mechanisch of pneumatisch plaats te laten vinden;

- autoverkeer te beperken tot verharde wegen die regelmatig schoongemaakt worden (voor de frequentie van het schoonmaken zie voorschrift 2.7.2);

- het afschermen van wegen van het onverharde terrein;

- de snelheid van voertuigen op het terrein te beperken;

- de wegen van het terrein te sproeien.

2.2.3. In tegenstelling tot wat het college in het verweerschrift stelt behelst voorschrift 2.5.1 niet dat de daar genoemde maatregelen slechts behoeven te worden getroffen voor zover noodzakelijk om zichtbare stofverspreiding buiten de inrichting te voorkomen. In het voorschrift worden de minimaal te treffen maatregelen genoemd. Nu het college dit blijkens zijn toelicht ter zitting niet heeft beoogd is het bestreden voorschrift reeds hierom in strijd met het algemeen rechtsbeginsel dat vereist dat een beslissing met de nodige zorgvuldigheid wordt genomen. Het beroep is in zoverre gegrond.

De Afdeling ziet, mede in aanmerking genomen dat ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat met aanpassing van de tekst van het voorschrift door het vervangen van het woord 'ten minste' het gewenste resultaat kan worden bereikt, aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht zelf voorziend het betrokken voorschrift aan te passen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.3. Xella voert aan dat vergunningvoorschrift 2.12.4 waarin een onderzoek naar het uitvoeren van maatregelen ter voorkoming van een stofexplosie overeenkomstig de zogenoemde ATEX-richtlijnen wordt geëist, overbodig is. Zij stelt dat reeds twee ATEX-hoofdlijnrapporten zijn ingediend en dat de daarin opgenomen maatregelen zijn uitgevoerd. Tevens stelt zij dat de arbeidsinspectie hiermee heeft ingestemd en dat de richtlijnen alleen betrekking hebben op de Arbo-regelgeving en niet op de Wet milieubeheer.

2.3.1. Het college stelt dat de gevolgen van een stofexplosie zich niet beperken tot de grenzen van de inrichting en dat de Wet milieubeheer alleen daarom al ook op stofexplosies betrekking heeft. Tevens stelt het college dat in de vergunningaanvraag is aangegeven dat een onderzoek naar de noodzaak tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van stofexplosies zal worden uitgevoerd. De uitgevoerde onderzoeken zijn echter niet bij de aanvraag gevoegd en betreffen niet alle plaatsen waar een stofexplosie mogelijk is. Het college is daarom van mening dat de uitkomsten van de twee ATEX-hoofdlijnrapporten daarom ook niet konden worden meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag en dat de eis tot het uitvoeren van een dergelijk onderzoek gerechtvaardigd is. Verder stelt het college dat in het kader van de handhaving bezien kan worden of met de uitgevoerde onderzoeken en het nemen van de daarin opgenomen maatregelen aan het bestreden voorschrift wordt voldaan.

2.3.2. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat op diverse plaatsen in de inrichting stoffen worden opgeslagen die tot een stofexplosie aanleiding kunnen geven. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft gesteld dat het voorschrift waarin een onderzoek naar de noodzaak tot het nemen van maatregelen ter voorkoming van stofexplosies is opgenomen aan de vergunning diende te worden verbonden. Deze beroepsgrond faalt.

2.4. Het beroep is gedeeltelijk gegrond. Het besluit van 14 januari 2009 komt voor vernietiging in aanmerking, voor zover het vergunningvoorschrift 2.5.1 betreft. De Afdeling zal op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit. Het beroep is voor het overige ongegrond.

2.5. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gedeeltelijk gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal van 14 januari 2009, voor zover het het woord 'tenminste' in vergunningvoorschrift 2.5.1 betreft;

III. bepaalt dat in vergunningvoorschrift 2.5.1 tweede volzin het woord 'moet' wordt vervangen door 'kan' en het woord 'tenminste' door 'onder andere';

IV. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 14 januari 2009;

V. verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Xella Beton Nederland B.V. in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lingewaal aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Xella Beton Nederland B.V. het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

315.