Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3643

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200901235/1/M2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een slachterij/slagerij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 8 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/292

Uitspraak

200901235/1/M2.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Lochem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Lochem (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een slachterij/slagerij op het perceel [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 8 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 18 februari 2009, beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 oktober 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [appellanten] voeren, onder meer, aan dat in het bestreden besluit ten onrechte geen maximum aan de slachtcapaciteit wordt gesteld en dat als uitgegaan wordt van de aangevraagde slachtcapaciteit deze capaciteit zich niet verhoudt tot de aangevraagde hoeveelheid slachtafval.

Tevens stellen zij dat het college nu geen maximum aan de slachtcapaciteit is gesteld, niet kan volhouden dat op grond van de Bijzondere Regeling B5 "Vleesindustrie" (hierna: de Bijzondere Regeling) van de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) geen geuronderzoek behoeft te worden uitgevoerd.

2.1.1. Het college stelt in de considerans van het bestreden besluit dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning, waardoor een maximum aan de slachtcapaciteit wordt gesteld. Verder zijn aan de vergunning voorschriften verbonden waaraan de opslag en afvoer van afval moeten voldoen. In casu wordt zes ton dierlijk afval per jaar aangevraagd. Indien blijkt dat er meer afval ontstaat zal dit volgens het college opnieuw moeten worden aangevraagd.

Het college stelt verder dat de aangevraagde slachtcapaciteit per uur weliswaar hoger ligt dan het in de Bijzondere Regeling genoemde niveau waaronder een geuronderzoek niet noodzakelijk is, maar dat een dergelijk onderzoek toch niet is vereist omdat het slachten niet continu plaatsvindt.

2.1.2. De Afdeling stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat de aanvraag deel uitmaakt van de vergunning. In de aanvraag en de aanvulling op de aanvraag worden van elkaar verschillende slachtcapaciteiten genoemd, zodat onduidelijk is welk maximum aan de slachtcapaciteit wordt gesteld. Tevens worden in de aanvraag verschillende hoeveelheden slachtafval genoemd, zodat ook onduidelijk is hoeveel slachtafval wordt aangevraagd en vergund. Voorts blijkt dat de aangevraagde slachtcapaciteit per uur hoger ligt dan het in de Bijzondere Regeling genoemde niveau waaronder een geuronderzoek niet noodzakelijk is. De omstandigheid dat het slachten volgens het college niet continu plaatsvindt doet hieraan niet, daargelaten of dit uit het bestreden besluit blijkt, aan af.

Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat het besluit reeds hierom in strijd met de in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Deze beroepsgrond treft doel en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De overige bezwaren behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

2.2. Het beroep is gegrond. Het besluit van 18 december 2008 komt voor vernietiging in aanmerking.

2.3. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Lochem van 18 december 2008, kenmerk VH/2006.9642;

III. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Lochem aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van drs. G.K. Klap, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Klap

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

315.