Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3635

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200903020/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) geweigerd vrijstelling te verlenen aan [appellant] voor het gebruik van de percelen […] en […] aan de [locatie] te [plaats] met een oppervlakte van 2.580,45 m² voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903020/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Grave,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 19 maart 2009 in zaak nr. 08/910 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Grave.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Grave (hierna: het college) geweigerd vrijstelling te verlenen aan [appellant] voor het gebruik van de percelen […] en […] aan de [locatie] te [plaats] met een oppervlakte van 2.580,45 m² voor niet-agrarische bedrijfsactiviteiten.

Bij besluit van 22 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 25 april 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 mei 2009.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[partijen] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. V.A.E. van Westing, advocaat te Nijmegen, mr. D.R. de Poorter en mr. A.G. Schlösser, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partijen], vertegenwoordigd door mr. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, gehoord.

2. Overwegingen

2.1. [appellant] exploiteert een grondverzet-, sloop en transportbedrijf. Het bedrijf beschikt over een strook grond van 14.291 m², welke ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" (hierna: het bestemmingsplan) positief voor het bedrijf is bestemd. Voorts beschikt het bedrijf over een stuk grond van 2.912 m², waaraan bij de eerste partiële herziening van het bestemmingsplan - die bij besluit van 31 januari 2006 door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant (hierna: gedeputeerde staten) is goedgekeurd - de bestemming "Niet-agrarisch bedrijf" is toegekend. Ingevolge deze bestemming kan [appellant] dat stuk grond gebruiken voor parkeren, groenvoorziening en het uitstallen van showmateriaal, maar niet voor opslag.

[appellant] wenst uitbreiding van zijn bedrijf op gronden waarop ingevolge het bestemmingsplan de bestemming "Agrarisch gebied" rust. Het gebruik dat [appellant] met de uitbreiding van zijn bedrijf van die gronden wenst te maken is in strijd met die bestemming. Het college heeft geweigerd gebruik te maken van de door de raad van de gemeente Grave aan hem gedelegeerde bevoegdheid tot het verlenen van vrijstelling krachtens artikel 19, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid vrijstelling voor het door hem gewenste gebruik van de gronden heeft kunnen weigeren, omdat een uitbreiding van zijn bedrijf met 15% niet in strijd is met het streekplan Noord-Brabant 2002 (hierna: het streekplan). Hij voert hiertoe aan dat hij niet heeft verzocht om uitbreiding van het bebouwingsoppervlak, maar slechts van het bestemmingsoppervlak.

2.2.1. Het college heeft aan de weigering vrijstelling te verlenen ten grondslag gelegd dat de gewenste uitbreiding van het bedrijf in strijd is met het streekplan en dat gedeputeerde staten niet bereid zijn aan een dergelijke uitbreiding medewerking te verlenen. Het college heeft daarbij gewezen op de aan hem gerichte brief van 25 oktober 2006, waarin gedeputeerde staten hebben vermeld dat volgens het streekplan slechts een uitbreiding van maximaal 15% is toegestaan aan bestaande overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven, dat het bedrijf van [appellant] reeds van die mogelijkheid gebruik heeft gemaakt bij de eerste herziening van bestemmingsplan en dat een verdere uitbreiding van het bedrijf in strijd is met het streekplan.

2.2.2. In het streekplan is in paragraaf 3.1.14 onder meer vermeld dat overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven thuis horen op een bedrijventerrein of in een kern. Voorts is vermeld dat bestaande agrarisch-technische hulpbedrijven en agrarisch verwante bedrijven, alsmede paardenhouderijen, een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 25% van het in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingsvlak, of maximaal 25% van het volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte. Ten slotte is vermeld dat bestaande andere niet aan het buitengebied gebonden bedrijven een uitbreidingsruimte krijgen van maximaal 15% van de volgens het bestemmingsplan of verleende vrijstellingen toegestane bebouwingsoppervlakte.

2.2.3. Het betoog van [appellant] dat zijn verzoek niet ziet op uitbreiding van het bebouwingsoppervlak, maar slechts op uitbreiding van het bestemmingsoppervlak, kan niet leiden tot het door hem daarmee bedoelde gevolg. In paragraaf 3.1.14 van het streekplan is beleid beschreven voor bestaande agrarisch-technische hulpbedrijven, agrarisch verwante bedrijven, alsmede voor paardenhouderijen ten aanzien van de maximaal toegestane uitbreiding van zowel het bestemmingsvlak als het bebouwingsoppervlak. Voor de overige niet aan het buitengebied gebonden bedrijven is slechts beleid vermeld voor de maximaal toegestane uitbreiding van het bebouwingsoppervlakte. Uit dit verschil moet worden afgeleid dat in het streekplan voor deze bedrijven uitbreiding van het bestemmingsvlak in het geheel niet is toegestaan.

Nu de door [appellant] gewenste vrijstelling niet ziet op uitbreiding van het ingevolge het streekplan maximaal toegestane bebouwingsoppervlak, wordt niet toegekomen aan zijn betoog dat de door de eerste partiële herziening van het streekplan gerealiseerde uitbreiding van zijn bedrijf niet dient te worden meegerekend bij de vaststelling van de omvang van de oorspronkelijk toegestane bebouwingsoppervlakte als bedoeld in paragraaf 3.1.14 van het streekplan.

2.2.4. Voorts doet [appellant] tevergeefs een beroep op het vertrouwensbeginsel onder verwijzing naar een verslag van juni 2006 van het werkbezoek dat [gedeputeerde] op 30 maart 2006 met een wethouder heeft afgelegd aan het bedrijf van [appellant]. Met dit verslag heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat er namens het college concrete toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan hij het in rechte te honoreren vertrouwen kon ontlenen dat, indien gedeputeerde staten bereid zouden zijn een verklaring van geen bezwaar te verlenen, het college vrijstelling voor de uitbreiding van zijn bedrijf zou verlenen. Evenmin blijkt uit dit verslag dat door een daartoe bevoegd persoon concrete toezeggingen zijn gedaan dat gedeputeerde staten de benodigde verklaring van geen bezwaar zouden verlenen.

2.2.5. Ten slotte faalt het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel, nu hij dit beroep onvoldoende heeft gespecificeerd.

2.2.6. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college, gezien het standpunt van gedeputeerde staten dat zij geen medewerking aan de gewenste uitbreiding willen verlenen en de omstandigheid dat de medewerking van gedeputeerde staten voor het verlenen van een vrijstelling een noodzakelijke voorwaarde is, in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen vrijstelling te verlenen.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

488.