Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3634

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200903071/1/H1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BI4222, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen de speelinrichting aan het Hof van Holland/Hof van Blois te Zaandam (hierna: het perceel) en tegen het voetballen door de jeugd op het perceel.

Wetsverwijzingen
Wet op de Ruimtelijke Ordening
Wet op de Ruimtelijke Ordening 10
Woningwet
Woningwet 44
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2009/504
JOM 2010/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200903071/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], allen wonend te [woonplaats], gemeente Zaanstad,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 maart 2009 in zaak nr. 08/6828 in het geding tussen:

[appellanten]

en

het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad (hierna: het college) geweigerd handhavend op te treden tegen de speelinrichting aan het Hof van Holland/Hof van Blois te Zaandam (hierna: het perceel) en tegen het voetballen door de jeugd op het perceel.

Bij besluit van 19 september 2008 heeft het college het door [appellanten] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder wijziging en aanvulling van de motivering ervan.

Bij uitspraak van 16 maart 2009, verzonden op 20 maart 2009, heeft de rechtbank Haarlem (hierna: de rechtbank) het door [appellanten] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 oktober 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. S. Toxopeus-Hulsebos en mr. A. ten Bruin, beiden ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. In juli 2006 heeft de gemeente Zaanstad de speelinrichting op het perceel geplaatst. Op het perceel rust ingevolge het bestemmingsplan "Rosmolenwijk" (hierna: het bestemmingsplan) de bestemming "Verblijfsdoeleinden groen (VDg)". Niet meer in geschil is dat de speelinrichting niet in strijd is met het bestemmingsplan en dat voor het plaatsen daarvan geen bouwvergunning is vereist.

2.2. [appellanten] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college hun bezwaar ten onrechte gedeeltelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij voeren hiertoe aan dat aan de keuze van het college om op het perceel een speelinrichting te plaatsen een besluit ten grondslag moet liggen, waarbij rekening had moeten worden gehouden met hun belangen als omwonenden. Voorts voeren zij aan dat de keuze voor het perceel in strijd is met het op 21 september 2006 door de gemeenteraad van Zaanstad vastgestelde Beleidsplan speel- en jongerenvoorzieningen 2007-2008.

2.2.1. Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het college geweigerd handhavend op te treden tegen de speelinrichting, omdat volgens het college geen sprake is van een overtreding. Een besluit tot weigering om handhavend op te treden is een besluit waartegen bezwaar of beroep in de zin van de Algemene wet bestuursrecht openstaat, ook indien, zoals hier het geval is, de reden tot weigering is gelegen in het ontbreken van een bevoegdheid om handhavend op te treden.

In het besluit op bezwaar van 19 september 2008 heeft het college - naar niet in geschil is - zich terecht op het standpunt gesteld dat plaatsing van het speeltoestel in overeenstemming is met het bestemmingsplan en voorts dat daarvoor geen bouwvergunning is vereist. Hieruit volgt dat het college zich eveneens terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een overtreding, zodat het niet bevoegd is handhavend op te treden. Dat, naar door Van [appellanten] gesteld, zij als omwonenden inspraak hadden moeten hebben in de keuze van de locatie voor plaatsing van het speeltoestel, doet daar niet aan af. Het college had derhalve hun bezwaar in zoverre niet niet-ontvankelijk maar ongegrond moeten verklaren. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

2.3. [appellanten] betogen voorts dat de rechtbank heeft miskend dat het gebruik van het perceel door voetballende jongeren in strijd is met het bestemmingsplan. Zij wijzen in dit verband op de uitspraak van de Afdeling van 13 juni 2007 in zaak nr. 200606162/1.

2.3.1. Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de planvoorschriften zijn de op de gronden op de plankaart aangewezen voor "Verblijfsdoeleinden groen (VDg)" voor ten minste 50% bestemd voor:

a. groenvoorzieningen;

b. waterpartijen;

c. speeltoestellen;

d. kunstobjecten:

en voor het overige bestemd voor:

e. buurtontsluitingswegen;

f. voet- en fietspaden;

g. bermen;

h. parkeer- en nutsvoorzieningen;

i. (ondergrondse) inzamelplaats voor (gescheiden) afval.

Ingevolge artikel 25, eerste lid, is het verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven bestemming.

2.3.2. Het betoog slaagt niet. In het door [appellanten] bedoelde geval werd een structureel gebruik van de desbetreffende gronden voor sportbeoefening door volwassenen in strijd geacht met de aldaar geldende bestemming voor plantsoenen en andere groenvoorzieningen. In dit geval is echter geen sprake van volwassenen die wekelijks op vaste tijdstippen voetbalwedstrijden spelen. Het thans aan de orde zijnde gebruik kan niet worden aangemerkt als sportbeoefening, maar dient te worden beschouwd als spel, hetgeen niet in strijd is met de op het perceel geldende bestemming. Dat [appellanten], naar gesteld, van dit gebruik op ongeregelde tijden afhankelijk van de weersomstandigheden overlast ondervinden, leidt niet tot een ander oordeel, evenmin als de omstandigheid dat zich op 200 m afstand een kunstvoetbalveld voor de jeugd bevindt.

De rechtbank heeft dan ook terecht geoordeeld dat geen sprake is van strijdig gebruik van de gronden, zodat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen aanleiding bestaat handhavend op te treden.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het beroep gericht tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van [appellanten] ongegrond is verklaard, en voor het overige bevestigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 19 september 2008 van het college alsnog in zoverre gegrond verklaren. Dat besluit komt eveneens in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal op na te melden wijze in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen is niet gebleken.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 16 maart 2009 in zaak nr. 08/6828, voor zover daarbij het beroep van [appellanten] gericht tegen de gedeeltelijke niet-ontvankelijkverklaring van hun bezwaar tegen het besluit van 14 maart 2008 ongegrond is verklaard;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep in zoverre gegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad van 19 september 2008, kenmerk AWB/2008/0426 Z/2008/64857, voor zover het bezwaar van [appellanten] tegen het besluit van 14 maart 2008 gedeeltelijk niet-ontvankelijk is verklaard;

V. verklaart dat bezwaar ongegrond;

VI. bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het besluit van 19 september 2008;

VII. bevestigt de uitspraak voor het overige;

VIII. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad aan [appellanten] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, ambtenaar van Staat.

w.g. Van den Brink w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

488.