Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3628

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200902347/1/H1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van het perceel [locatie] te Den Haag als recreatie-inrichting (afhaalwinkel/snackbar) te staken en gestaakt te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902347/1/H1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 19 februari 2009 in zaak nr. 08/887 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 mei 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (hierna: het college) [appellant] onder aanzegging van bestuursdwang gelast de exploitatie van het perceel [locatie] te Den Haag als recreatie-inrichting (afhaalwinkel/snackbar) te staken en gestaakt te houden.

Bij besluit van 14 januari 2008 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 februari 2009, verzonden op 20 februari 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 3 april 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 oktober 2009, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. A.G.M. Haase, advocaat te Den Haag, en het college, vertegenwoordigd door mr. T.J. Smittenaar-van der Geer, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Niet in geschil is dat [appellant] in het pand op het perceel zijn [bedrijf] exploiteert en daar vis verkoopt. Voorts is niet in geschil dat zich in dit pand tafels en stoelen bevinden zodat de klanten van [bedrijf] de door hen gekochte vis ter plaatse kunnen consumeren.

2.2. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het handhavingsbesluit is gebaseerd op een ontwerpbestemmingsplan.

2.2.1. Dit betoog faalt. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat ter plaatse het bestemmingsplan "Transvaal" geldt. Er is geen enkel aanknopingspunt voor het oordeel dat dit bestemmingsplan slechts een ontwerp betreft en ter plaatse een ander bestemmingsplan geldt.

2.3. Het gebruik dat [appellant] van het perceel maakt, voor zover hij zijn klanten de gelegenheid biedt de door hen gekochte vis ter plaatse te consumeren, is in strijd met de ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Transvaal" (hierna: het bestemmingsplan) op het perceel rustende bestemming "Gedetailleerde gemengde bebouwing met bijbehorende erven (GB-gd)", alsmede met artikel 2 van de Leefmilieuverordening Recreatie-inrichtingen c.a. (hierna: LMV), zoals dit gold ten tijde van het besluit van 23 mei 2007. Hieruit volgt dat het college bevoegd was handhavend op te treden.

2.4. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet zicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.

2.5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden af had moeten zien.

2.5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van het besluit op bezwaar van concreet zicht op legalisatie geen sprake was. Het college heeft overwogen niet bereid te zijn mee te werken aan een vrijstelling krachtens artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en een ontheffing krachtens artikel 3 van de LMV. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd bestaan geen aanknopingspunten voor het oordeel dat op voorhand moet worden geconcludeerd dat het ter zake door het college ingenomen standpunt rechtens onhoudbaar is. Dat [appellant], zoals hij betoogt, gelet op voormeld standpunt van het college, geen verzoek om vrijstelling of ontheffing heeft ingediend doet voorts niet ter zake. Het ontbreken van concreet zicht op legalisatie is niet gelegen in de omstandigheid dat [appellant] niet een dergelijk verzoek heeft ingediend, maar in de omstandigheid dat het college niet bereid is aan een dergelijk verzoek mee te werken.

De rechtbank heeft voorts terecht overwogen dat het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. De enkele omstandigheid dat door het college niet tegen het strijdige gebruik van het perceel werd opgetreden, terwijl [appellant] sinds 1999 aldaar zijn bedrijfsactiviteiten ontplooide en medewerkers van de gemeente in het kader van controles zijn zaak bezocht hebben, brengt niet met zich dat daarmee het rechtens te honoreren vertrouwen is gewekt, dat tegen dit gebruik nimmer zou worden opgetreden. Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is immers nodig dat het bevoegde bestuursorgaan ter zake mededelingen doet waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Daarvan is niet gebleken.

Het is voorts niet gebleken dat handhavend optreden in het onderhavige geval zodanig onevenredig is dat het college hiervan had moeten afzien. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college het belang bij handhaving van de wettelijke voorschriften in redelijkheid heeft kunnen laten prevaleren boven de bedrijfseconomische belangen van [appellant]. Dat [appellant] [bedrijf] al sinds 1998 exploiteert en hij geen overlast veroorzaakt kan, wat daar verder van zij, evenmin als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt.

De rechtbank heeft, gelet op het voorgaande, terecht overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college van handhavend optreden had behoren af te zien.

Het betoog faalt.

2.6. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P. Lodder, ambtenaar van Staat.

w.g. Offers w.g. Lodder

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

17-580.