Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3626

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200902154/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 september 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het [vaartuig], gelegen in de Amstel tegenover huisnummer 85, binnen zes weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbaar water van het stadsdeel voor zover er ligplaats wordt ingenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200902154/1/H3.

Datum uitspraak: 18 november 2009.

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 februari 2009 in zaak nr. 08/1922 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam

(lees: het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum).

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 september 2007 heeft het dagelijks bestuur van het stadsdeel Centrum (hierna: het dagelijks bestuur) [appellant] op straffe van een dwangsom gelast het [vaartuig], gelegen in de Amstel tegenover huisnummer 85, binnen zes weken na dagtekening van dit besluit te verwijderen en verwijderd te houden uit het openbaar water van het stadsdeel voor zover er ligplaats wordt ingenomen.

Bij besluit van 9 april 2008 heeft het dagelijks bestuur het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard, met dien verstande dat de termijn waarbinnen [appellant] aan de last gevolg dient te geven is bepaald op zes weken na verzending van dit besluit.

Bij uitspraak van 12 februari 2009, verzonden op 13 februari 2009, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 27 april 2009.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 september 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. C. Sjenitzer, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door mr. A. Weijenberg, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 125, eerste lid, van de Gemeentewet is het gemeentebestuur bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

Ingevolge artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

Ingevolge artikel 2.2.1 van de Verordening op de haven en het binnenwater 2006 (hierna: de Vhb 2006) wordt verstaan onder:

[…]

b. bedrijfsvaartuig: een vaartuig, daaronder begrepen een object te water, niet zijnde een zee- of binnenschip, hoofdzakelijk gebruikt als of bestemd voor de uitoefening van enig bedrijf of beroep dan wel voor de uitoefening van sociaal-culturele activiteiten;

[…]

d. pleziervaartuig: een schip, hoofdzakelijk gebruikt en bestemd voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie;

e. object: een voorwerp of vaartuig dat in, op of boven het water is aangebracht of afgemeerd en dat niet behoort tot enig andere in de Vhb 2006 genoemde categorie;

[…].

Ingevolge artikel 2.5.2, eerste lid, is het verboden met een object ligplaats in te nemen of een object in, op of boven het water te plaatsen.

Ingevolge het tweede lid kan het college van het eerste lid ontheffing verlenen indien de overige vereiste vergunningen of ontheffingen voor het aanbrengen of plaatsen van die objecten zijn verleend.

Gelet op de Verordening op de stadsdelen van de gemeente Amsterdam moet in de plaats van "het college", zoals opgenomen in artikel 2.5.2 van de Vhb 2006, en "het gemeentebestuur", zoals opgenomen in artikel 125 van de Gemeentewet, "het dagelijks bestuur" worden gelezen.

2.2. Het dagelijks bestuur heeft aan het besluit op bezwaar van 9 april 2008 ten grondslag gelegd dat [appellant] in strijd met artikel 2.5.2, eerste lid, van de Vhb 2006 met een object, te weten het [vaartuig], in de Amstel ligplaats heeft ingenomen. Hierbij heeft het zich op het standpunt gesteld dat het vaartuig niet als een bedrijfsvaartuig in de zin van artikel 2.2.1 van de Vhb 2006 kan worden aangemerkt, omdat [appellant] niet heeft aangetoond dat hij dit hoofdzakelijk gebruikt als of bestemt voor de uitoefening van zijn bedrijf. Aangezien [vaartuig] ook geen pleziervaartuig, woonboot of passagiersvaartuig is, moet het als een object in de zin van dit artikel worden aangemerkt, aldus het dagelijks bestuur.

2.3. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat [vaartuig] een bedrijfsvaartuig als bedoeld in artikel 2.2.1 van de Vhb 2006 is, slaagt niet. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het op de weg van [appellant] ligt dit aan te tonen dan wel aannemelijk te maken.

Daarin is [appellant] volgens de rechtbank niet geslaagd, omdat de door hem overgelegde bunkervergunning en zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel onvoldoende zijn om aan te nemen dat het vaartuig daadwerkelijk bij bedrijfsactiviteiten wordt ingezet. [appellant] heeft niet uiteengezet waarom dit oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn. Het door hem in afschrift overgelegde "aanvraagformulier ligplaatsvergunning bedrijfsvaartuig" van 29 december 2008 en de daarbij gevoegde stukken, waaronder een door hem opgesteld overzicht van met [vaartuig] in 2007 verrichte werkzaamheden, bieden, daargelaten dat deze stukken eerst in hoger beroep zijn ingebracht, geen grond anders te oordelen, omdat deze stukken niet met verifieerbare bewijsstukken, zoals kwitanties of jaarcijfers, zijn gestaafd.

Nu [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat [vaartuig] als een bedrijfsvaartuig is aan te merken, komt de Afdeling niet toe aan zijn betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat, zelfs indien het vaartuig als zodanig zou worden aangemerkt, de regeling Instelling beëindiging vergunningverlening bedrijfsvaartuigen binnenstad en havenatlasgebied van 17 december 1996 aan vergunningverlening in de weg zou staan en legalisatie daarom niet mogelijk zou zijn.

2.4. [appellant] betoogt verder tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat indien [vaartuig] niet als bedrijfsvaartuig kan worden gekwalificeerd, [vaartuig] als pleziervaartuig moet worden aangemerkt. Dit subsidiaire standpunt van [appellant], inhoudende dat hij het vaartuig hoofdzakelijk voor niet-bedrijfsmatige varende recreatie gebruikt en bestemt, verdraagt zich niet met zijn primaire stellingname dat hij het vaartuig hoofdzakelijk gebruikt als en bestemt voor de uitoefening van zijn bedrijf. De rechtbank heeft in dit verband terecht overwogen dat [appellant] zelf tijdens de hoorzitting in de bezwaarprocedure op 24 januari 2008 heeft verklaard dat het vaartuig niet als een pleziervaartuig valt te typeren. Het betoog faalt.

De rechtbank heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat hieruit volgt dat het dagelijks bestuur [vaartuig] heeft mogen kwalificeren als een object in de zin van artikel 2.2.1 van de Vhb 2006.

2.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep ongegrond is.

De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Klein

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.

176-598.