Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3622

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200808838/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het storten van diverse afvalstoffen en baggerspecie, en het overslaan van bedrijfsafval, bouw- en sloopafval, grof afval afkomstig van milieustraten en particulieren en afvalhout aan de [locatie] te [plaats], gemeente Amersfoort. Dit besluit is op 29 oktober 2008 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 5.16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2010/25
JOM 2010/14
Milieurecht Totaal 2009/3264

Uitspraak

200808838/1/M1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te [woonplaats], gemeente Bunschoten,

en

het college van gedeputeerde staten van Utrecht,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2008 heeft het college van gedeputeerde staten van Utrecht (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer verleend voor een inrichting voor onder meer het storten van diverse afvalstoffen en baggerspecie, en het overslaan van bedrijfsafval, bouw- en sloopafval, grof afval afkomstig van milieustraten en particulieren en afvalhout aan de [locatie] te [plaats], gemeente Amersfoort. Dit besluit is op 29 oktober 2008 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 december 2008, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht.

[vergunninghouder], [appellant] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2009, waar [appellant], in persoon, en het college, vertegenwoordigd door mr. E. Jansen, ing. J.W. Koops, J.G. Versteeg en ir. F.H. de Vries, allen werkzaam bij de provincie, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting, [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. F.P.J.M. Otten en mr. ing. L.J. Wildeboer, advocaten te Utrecht, en [gemachtigden], als partij gehoord.

2. Overwegingen

De vergunde situatie en het bestreden besluit

2.1. Bij besluit van 30 december 2004, kenmerk 2004WEM005562i, heeft het college aan [vergunninghouder], voor zover hier van belang, krachtens de Wet milieubeheer een revisievergunning verleend voor onder meer het verwerken van verschillende soorten afvalstoffen en de aanleg en exploitatie van een baggerberging op het adres [locatie] te [plaats], gemeente Amersfoort.

Bij brief, bij het college ingekomen op 21 december 2007, heeft [vergunninghouder] opnieuw een de gehele inrichting omvattende aanvraag om een revisievergunning ingediend, teneinde de afvalberging ten behoeve van het storten van bagger te kunnen uitbreiden. De aanvraag omvat onder meer een voorgenomen actualisatie van de afvalverwerking, zoals optimalisatie van de geohydrologische isolatie van de afvalberging en het verplaatsen van de fractiescheidingsinstallatie.

Het besluit van 21 oktober 2008 voorziet in het storten van 5,3 miljoen m3 van buiten de inrichting afkomstige afvalstoffen, inclusief 0,7 miljoen m3 gevaarlijke afvalstoffen op de bestaande stortplaats en de beoogde uitbreiding daarvan, het storten van 900.000 m3 baggerspecie waarvan de normen voor de interventiewaarde worden overschreden, het overslaan van maximaal 70.000 ton bedrijfsafval, bouw- en sloopafval en grof afval afkomstig van milieustraten en particulieren per jaar, het scheiden van maximaal 10.000 ton bouw- en sloopafval en 20.000 ton bedrijfsafval en grof afval afkomstig van milieustraten en particulieren per jaar, het breken van maximaal 180.000 ton puin en asfalt per jaar, het mengen van producten, het breken en composteren van maximaal 24.000 ton groenafval per jaar, het reinigen van maximaal 220.000 ton minerale afvalstoffen per jaar, het op- en overslaan en eventueel breken van maximaal 60.000 ton afvalhout per jaar, het (tijdelijk) opslaan van schone en licht verontreinigde grond, zand, bouwstoffen en secundaire grondstoffen, het reinigen van afvalwater, het onttrekken en opwerken van stortgas en het ontwateren van baggerspecie met een vrijkomende waterstroom van in totaal maximaal 12.000 m3. De vergunning is verleend voor de duur van tien jaar gerekend vanaf de inwerkingtreding van het bestreden besluit.

Ontvankelijkheid

2.2. Het college stelt zich op het standpunt dat het beroep op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht gedeeltelijk niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

2.2.1. Ingevolge artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht, voor zover hier van belang, kan geen beroep worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht.

Uit artikel 6:13 vloeit voort dat een belanghebbende geen beroep kan instellen tegen onderdelen van een besluit waarover hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht, tenzij het niet naar voren brengen van een zienswijze hem redelijkerwijs niet kan worden verweten. Bij besluiten inzake een milieuvergunning worden de beslissingen over de aanvaardbaarheid van verschillende categorieën milieugevolgen als onderdelen van een besluit in vorenbedoelde zin aangemerkt.

2.2.2. [appellant] heeft over het ontwerpbesluit zienswijzen naar voren gebracht met betrekking tot een toename van verkeer, geluid en luchtvervuiling als gevolg van de voorgenomen uitbreiding van de inrichting ten opzichte van de eerder vergunde en feitelijk aanwezige situatie, met betrekking tot het in de milieueffectrapportage ontbreken van een vergelijking met het zogenoemde nul-minalternatief, het in de milieueffectrapportage bieden van een onvoldoende basis voor het meewegen van het milieubelang in de besluitvorming en het in de milieueffectrapportage ontbreken van onderzoek naar alternatieve locaties voor de berging van baggerspecie, met betrekking tot onaanvaardbare geluidhinder als gevolg van een toename van zwaar vrachtverkeer buiten de inrichting, geluid ten gevolge van de inrichting zelf onder andere als gevolg van de voorgenomen verplaatsing van de fractiescheidingsinstallatie en met betrekking tot luchtverontreiniging als gevolg van zwevende deeltjes en de risico's van blootstelling aan andere verontreinigende stoffen uit baggerspecie door verspreiding via de lucht.

De door [appellant] naar voren gebrachte zienswijzen bieden onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat deze mede betrekking hebben op de in beroep aangevoerde gronden met betrekking tot de milieuaspecten geur, verontreiniging van bodem en grondwater onder andere door de lozing van afvalwater, de wijze van acceptatie, verwerking en opslag van (afval)stoffen en de opslag van baggerspecie en bouwstoffen, hinder ten gevolge van ongedierte en het onttrekken van grondwater, alsmede met betrekking tot alle aan de vergunning verbonden voorschriften die op deze aspecten betrekking hebben en door [appellant] worden bestreden. Nu naar het oordeel van de Afdeling niet is gebleken dat [appellant] redelijkerwijs niet kan worden verweten dat hierover geen zienswijzen naar voren zijn gebracht, zijn de hierop betrekking hebbende beroepsgronden niet-ontvankelijk.

Anders dan het college betoogt, zijn echter de beroepsgronden gericht tegen voorschrift 1.2.5 dat betrekking heeft op de werktijden, het ontbreken van de verplichting tot het verrichten van regelmatig akoestisch onderzoek en de vrees voor gezondheidsrisico als gevolg van de mogelijke verwaaiing van baggerspecie wel ontvankelijk, omdat deze geen besluitonderdeel betreffen dan wel voldoende grondslag vinden in de ingebrachte zienswijzen.

Algemeen toetsingskader

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

Aanwezigheid en locatie inrichting

2.4. [appellant] betoogt - kort gezegd - dat de beoogde inrichting er in het geheel niet zou mogen komen en hij pleit voor het sluiten van de stortplaats, dan wel een verplaatsing van de inrichting. Verder betoogt [appellant] dat het college het besluit tot vergunningverlening met vooringenomenheid en op een onzorgvuldige wijze heeft genomen.

2.4.1. Uit het stelsel van de Wet milieubeheer volgt dat het bevoegde gezag dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend. In het kader van de beslissing op de voorliggende aanvraag heeft het college de aanvraag getoetst aan de artikelen 8.10 en 8.11 van de Wet milieubeheer. Voor zover [appellant] aanvoert dat de inrichting op een andere locatie gevestigd zou moeten worden, overweegt de Afdeling dat het college is gehouden op grondslag van de aanvraag te beoordelen of voor de in die aanvraag genoemde locatie vergunning kan worden verleend. Of een andere locatie mogelijkerwijs meer geschikt is voor vestiging van de inrichting kan hierbij geen rol spelen. Voor de totstandkoming van het besluit op de aanvraag heeft het college de in de Wet milieubeheer en de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven procedure gevolgd.

In hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college het besluit tot vergunningverlening met vooringenomenheid en/of op een onzorgvuldige wijze zou hebben genomen. De beroepsgrond faalt.

Volledigheid aanvraag

2.5. In hetgeen [appellant] aanvoert met betrekking tot de onvolledigheid van de aanvraag, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanvraag niet voldoet aan het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer of dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag voldoende informatie bevat voor een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu. De beroepsgrond faalt.

Milieueffectrapportage

2.6. [appellant] betoogt dat de afweging in de milieueffectrapportage tussen de aangevraagde situatie, waarbij de stortplaats wordt opgehoogd ten behoeve van de berging van baggerspecie, en de eerder vergunde situatie, waarbij het storten van baggerspecie onder water plaatsvindt, onjuist is. Hij stelt in dit verband dat er anders dan in de eerder vergunde situatie verwaaiing van baggerspecie kan plaatsvinden. [appellant] merkt in dit verband verder op dat in het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage met betrekking tot verwaaiing ten onrechte is geoordeeld dat er geen onderscheidend effect zou zijn en dat het advies op dit punt ten onrechte door het college is overgenomen.

Ook zijn volgens [appellant] in de milieueffectrapportage niet van alle aangevraagde activiteiten de milieuhygiënische gevolgen in kaart gebracht.

Ten slotte betoogt [appellant] dat niet duidelijk is waarom niet voor alle activiteiten de milieueffecten zijn doorgerekend van het zogeheten nul-minalternatief, omdat de in 2004 ten behoeve van de inrichting vergunde situatie niet is gerealiseerd. Hiermee is een afweging gemaakt op basis van verkeerde uitgangspunten en heeft het college geen weloverwogen besluit kunnen nemen.

2.6.1. Uit de stukken blijkt dat de aanvraag mede een vrijwillig opgestelde milieueffectrapportage omvat. In deze milieueffectrapportage is vermeld dat door middel van uitgevoerd onderzoek is berekend welke emissie naar de lucht de inrichting met zich brengt, waarbij twee situaties zijn beoordeeld, te weten de situatie die eerder is vergund en waarbij een aparte berging voor baggerspecie aanwezig is en de aangevraagde situatie waarbij de aangevoerde baggerspecie op de afvalberging wordt gestort. Uit dit onderzoek is gebleken dat de emissie van zwevende deeltjes als gevolg van de opslag van de baggerspecie in de aangevraagde situatie eniger mate kleiner zal zijn dan in de reeds vergunde situatie. Dit houdt verband met de aanwezigheid van een zand- en grondopslag die nodig is bij de aparte berging voor baggerspecie en die in de aangevraagde situatie kan vervallen.

De Commissie voor de milieueffectrapportage kwam in haar toetsingsadvies van 29 mei 2008 tot de conclusie dat in de milieueffectrapportage geen aandacht is besteed aan de verwaaiing van baggerspecie en de mogelijke verspreiding van toxische stoffen die daardoor tot een potentieel gezondheidsrisico zou kunnen leiden. In dit verband merkt de commissie op dat een dergelijk gezondheidsrisico ook zou kunnen optreden in de eerder vergunde situatie en daarmee niet onderscheidend zou zijn ten opzichte van de aangevraagde situatie. De commissie stelt vast dat in de vergunningaanvraag evenals in de aan de vergunning uit 2004 verbonden voorschriften een pakket aan maatregelen is opgenomen waardoor verwaaiing van baggerspecie wordt tegengegaan en de eventuele verspreiding van toxische stoffen kan worden gereduceerd. De commissie beveelt aan bij de verdere uitwerking en besluitvorming te onderzoeken of het beschreven pakket van maatregelen ter voorkoming van stof afdoende is om ongewenste effecten te voorkomen.

Het college heeft naar aanleiding van het advies van de Commissie voor de milieueffectrapportage in de considerans van het bestreden besluit een beoordeling gemaakt van de mogelijke verwaaiing van baggerspecie en de eventuele risico's van verspreiding van toxische stoffen. Het college heeft hierbij betrokken de rapportage van Lichtveld Buis & Partners BV van 14 november 2007 en de daarbij gevoegde rapportage van TNO Bouw en Ondergrond van 2 oktober 2007. In die rapportages zijn berekeningen gemaakt van de emissie van onder meer zwevende deeltjes (PM10) als gevolg van de opslag van baggerspecie, waarbij is betrokken dat baggerspecie met toxische stoffen verontreinigd kan zijn. Bij de berekeningen is uitgegaan van een zogeheten "worst case"-situatie waarbij geen maatregelen worden getroffen om verwaaiing van baggerspecie zoveel mogelijk te beperken. Uit de berekeningen volgt dat verspreiding van zwevende deeltjes door verwaaiing van baggerspecie geen blootstellingsrisico's met zich brengt. Het college heeft voorschrift 2.3.2 aan de vergunning verbonden waarin maatregelen zijn voorgeschreven om verspreiding van stof door verwaaiing te beperken.

2.6.2. Uit de stukken, waaronder de milieueffectrapportage, de aanvraag en het bestreden besluit, blijkt dat in de milieueffectrapportage enkele niet m.e.r.-plichtige activiteiten niet zijn beschreven en beoordeeld, maar dat de milieuhygiënische gevolgen van die activiteiten wel in de aanvraag om vergunning volledig in kaart zijn gebracht. Bij de beoordeling van de aanvraag heeft het college ook die activiteiten betrokken.

2.6.3. Uit de milieueffectrapportage blijkt dat met uitzondering van het aspect luchtverontreiniging voor alle milieuaspecten de effecten zijn beschreven van de aangevraagde situatie, de eerder vergunde situatie en het zogeheten nul-minalternatief, waarmee bedoeld is de situatie dat er geen baggerspeciedepot op de locatie Zevenhuizen wordt gerealiseerd en dat de stortplaats niet wordt opgehoogd ten behoeve van het storten van baggerspecie. Wat het aspect luchtverontreiniging betreft is hiervoor in r.o. 2.6.1 overwogen op welke wijze de beoordeling van dit aspect heeft plaatsgevonden.

De Commissie voor de milieueffectbeoordeling heeft in haar advies geconcludeerd dat in de milieueffectrapportage de essentiële informatie voor de besluitvorming aanwezig is.

2.6.4. Gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen hetgeen in het deskundigenbericht hierover wordt geconcludeerd, is de Afdeling van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de milieueffectrapportage in samenhang met de aanvraag voldoende inzicht biedt in de effecten van het in werking zijn van de inrichting om een goede beoordeling van de gevolgen voor het milieu te kunnen maken. Het beroep faalt in zoverre.

Stofhinder

2.7. Voor zover [appellant] vreest voor risico's van verspreiding van toxische stoffen door de mogelijke verwaaiing van baggerspecie verwijst de Afdeling naar hetgeen hierover in r.o. 2.6.1 is overwogen. In het deskundigenbericht wordt geoordeeld dat op basis van de uitgevoerde berekeningen is aangetoond dat hiervan geen gezondheidsrisico's zijn te verwachten. De Afdeling ziet geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Deze beroepsgrond faalt.

Luchtkwaliteit

2.8. [appellant] betoogt dat het onmogelijk is dat wanneer er meer baggerspecie in de inrichting wordt gestort, er minder emissie van zwevende deeltjes plaatsvindt. Verder zijn er volgens hem ten onrechte geen metingen verricht maar alleen berekeningen gemaakt op grond van schattingen en aannames. [appellant] begrijpt niet dat bij een uitbreiding van de inrichting aan de voor zwevende deeltjes geldende luchtkwaliteitseisen voldaan zou kunnen worden, terwijl er zonder de aangevraagde uitbreiding al een overschrijding plaatsvindt van de vierentwintig-uurgemiddelde concentratie. Ten slotte acht [appellant] het onjuist dat geen onderzoek is verricht of voldaan wordt aan de norm voor zwevende deeltjes PM2,5 en ziet hij niet in waarom pas aan een dergelijke norm zou moeten worden getoetst wanneer het daartoe strekkende in voorbereiding zijnde wetsvoorstel in werking is getreden.

2.8.1. Ingevolge artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer, voor zover hier van belang, kunnen bestuursorganen de bevoegdheid om te beslissen op de aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 8.2 van de Wet milieubeheer, waarvan de uitoefening gevolgen kan hebben voor de luchtkwaliteit, uitoefenen in het geval waarin bij uitoefening of toepassing met inachtneming van het vijfde lid en de krachtens dat lid gestelde regels aannemelijk is gemaakt dat bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met die uitoefening of toepassing samenhangende maatregel of een door die uitoefening of toepassing optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert.

Ingevolge voorschrift 4.1 van bijlage 2 van de Wet milieubeheer gelden voor zwevende deeltjes (PM10) de volgende grenswaarden voor de bescherming van de gezondheid van de mens:

a. 40 microgram per m³ als jaargemiddelde concentratie;

b. 50 microgram per m³ als vierentwintig-uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal vijfendertig maal per kalenderjaar mag worden overschreden.

2.8.2. Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer laat toe dat een milieuvergunning wordt verleend indien de grenswaarde voor de emissieconcentratie van zwevende deeltjes reeds wordt overschreden, mits de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof niet toeneemt als gevolg van de vergunde activiteiten.

Het college stelt zich, onder verwijzing naar het in het kader van de aanvraag uitgevoerde onderzoek naar de gevolgen voor de luchtkwaliteit, waarvan de resultaten zijn neergelegd in de rapportage van Lichtveld Buis & Partners BV van 14 november 2007, op het standpunt dat, hoewel in de bestaande situatie de grenswaarde voor de emissieconcentratie van zwevende deeltjes op een aantal punten reeds wordt overschreden, met de aangevraagde activiteiten de luchtkwaliteit per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft ten opzichte van de onder de onderliggende vergunning toegestane bedrijfsvoering, waarbij zand- en grondopslag in plaats van opslag van baggerspecie de emissie van zwevende deeltjes veroorzaakte. Het college stelt in het verweerschrift dat de berekeningen zijn uitgevoerd met gebruikmaking van kengetallen, die zijn verkregen door in vergelijkbare gevallen uitgevoerde metingen. Mede gelet op hetgeen daaromtrent in het deskundigenbericht naar voren is gebracht is de Afdeling van oordeel dat niet alleen het door middel van berekeningen in plaats van metingen beoordelen van de gevolgen van de aangevraagde activiteiten voor de luchtkwaliteit gebruikelijk is, maar dat in dit geval daarbij realistische uitgangspunten zijn gehanteerd en dat de conclusie van het uitgevoerde onderzoek juist is. In hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid hiervan te twijfelen. Artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer staat derhalve niet aan vergunningverlening in de weg.

2.8.3. Ten aanzien van het standpunt van [appellant] dat ten onrechte geen onderzoek is gedaan naar PM2,5 en niet aan een norm daarvoor is getoetst overweegt de Afdeling het volgende. In artikel 16 in samenhang met Bijlage XIV van Richtlijn 2008/50/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 mei 2008 betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa zijn streefwaarden en grenswaarden gesteld inzake PM2,5 voor de bescherming van de menselijke gezondheid. Hieruit volgt dat de lidstaten ervoor zorgen dat de datum waarop de streefwaarde respectievelijk de grenswaarde van 25 microgram per m³ zou dienen te zijn bereikt, 1 januari 2010 respectievelijk 1 januari 2015 is. Nu de Wet milieubeheer ten tijde van het nemen van het bestreden besluit niet in een grenswaarde voor zwevende deeltjes PM2,5 voorzag, bestond er onder deze omstandigheden voor het college geen aanleiding in het kader van de beoordeling en de verlening van de gevraagde vergunning daarmee rekening te houden. Ook de omstandigheid dat er een wetsvoorstel in voorbereiding was, bood daartoe geen grondslag.

De beroepsgronden falen.

Geluidhinder

2.9. [appellant] stelt dat verschillende maximale geluidniveaus zijn vergund en dat de grenswaarden op de woningen aan de [locatie 2] ontoelaatbaar zijn, terwijl uit de vergunning niet blijkt wat er dient te gebeuren indien de normen worden overschreden. Verder zou er volgens [appellant] elk kwartaal een onafhankelijk akoestisch onderzoek onder verschillende weersomstandigheden dienen plaats te vinden door middel van een Europese aanbesteding en in overleg met de omwonenden. In de omgeving van de fractiescheidingsinstallatie dient vooraf een akoestisch onderzoek plaats te vinden.

2.9.1. Het college heeft voor de beoordeling van het maximale geluidniveau veroorzaakt door de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd, waarin voor respectievelijk de dag-, avond- en nachtperiode als streefwaarde geluidwaarden van 50, 45 en 40 dB(A) en als maximaal toelaatbare waarde geluidwaarden van 70, 65 en 60 dB(A) worden geadviseerd. De in de voorschriften 2.2.2.2 en 2.2.3.2 gestelde grenswaarden voor het maximale geluidniveau overschrijden de laatstgenoemde waarden niet. Het college heeft voor de gestelde grenswaarden aangesloten bij de door de aangevraagde bedrijfssituatie veroorzaakte geluidimmissie op verschillende in de omgeving van de inrichting gelegen woningen. Deze geluidimmissie komt overeen met de beoordelingspunten uit het bij de aanvraag om vergunning gevoegde akoestisch rapport van DHV B.V. van 17 december 2007 en zijn verschillend voor een aantal woningen. Hiermee heeft het college niet meer geluidimmissie willen toestaan dan de aangevraagde bedrijfssituatie veroorzaakt. Gelet hierop acht de Afdeling een toereikende grondslag aanwezig voor het oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de voorschriften 2.2.2.2 en 2.2.3.2 toereikend zijn ter voorkoming dan wel beperking van geluidhinder.

Voor zover [appellant] stelt dat uit de vergunning ten onrechte niet blijkt wat er dient te gebeuren indien de normen worden overschreden, overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en om die reden niet kan slagen.

2.9.2. Uit het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van 17 december 2007, dat deel uitmaakt van de verleende vergunning, volgt dat bij het in werking zijn van de inrichting aan de geldende geluidgrenswaarden kan worden voldaan. De verleende vergunning ziet mede op de verplaatsing van de fractiescheidingsinstallatie naar het terrein Lindeboom. Op die situatie hebben de in de voorschriften 2.2.3.1 en 2.2.3.2 gestelde geluidgrenswaarden betrekking. Uit het akoestisch rapport blijkt dat die bedrijfssituatie mede is beoordeeld en dat aan de in die situatie voor de inrichting geldende geluidgrenswaarden kan worden voldaan. Hieruit volgt dat voorafgaand aan de verplaatsing van de fractiescheidingsinstallatie onderzoek is gedaan naar de akoestische gevolgen daarvan voor de omgeving. [appellant] heeft de juistheid van het akoestisch onderzoek niet met een deskundigenrapport betwist of anderszins concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die voldoende grondslag bieden om aan de juistheid van het akoestisch onderzoek te twijfelen. Voor zover [appellant] betoogt dat onderzoek naar de akoestische situatie onder verschillende weersomstandigheden moet worden uitgevoerd, overweegt de Afdeling dat uit voorschrift 2.2.1.1 volgt dat het meten en berekenen van de geluidniveaus en het beoordelen van de meetresultaten moet plaatsvinden overeenkomstig de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999 van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. In deze handleiding is aangegeven op welke wijze en onder welke weersomstandigheden er bij een akoestisch onderzoek en akoestische beoordeling gewerkt moet worden en welke correcties daarbij in bepaalde omstandigheden moeten plaatsvinden. De weersomstandigheden dienen in het meetrapport te worden vastgelegd. Vaststaat dat het onderzoek waarvan de resultaten zijn beschreven in het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport in overeenstemming met genoemde handleiding is uitgevoerd.

In voorschrift 2.2.5.1 is - kort gezegd - bepaald dat binnen vier weken na het in werking hebben van de fractiescheidingsinstallatie op de [locatie 3] een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd met betrekking tot de akoestische maatregelen die in het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport zijn voorgesteld om tot de voorgeschreven geluidreductie te komen. Indien uit dit onderzoek blijkt dat de geldende geluidgrenswaarden worden overschreden, moet worden aangegeven welke maatregelen binnen welke termijn worden getroffen teneinde aan deze geluidgrenswaarden te voldoen.

Uit het voorgaande volgt dat voldoende is gewaarborgd dat bij het in werking zijn van de inrichting, zoals die is aangevraagd en vergund, aan de daarvoor geldende geluidgrenswaarden zal worden voldaan. Onder deze omstandigheden bestaat er naar het oordeel van de Afdeling dan ook geen aanleiding van [vergunninghouder] nadere onderzoeken naar de akoestische situatie van de inrichting te vergen, zoals [appellant] wenst. Verder staat het [vergunninghouder] vrij voor het uitvoeren van een akoestisch onderzoek naar eigen inzicht te kiezen voor een bureau, waarbij er geen verplichting kan worden opgelegd dit uitsluitend in overleg met anderen te doen of om een zogenoemde Europese aanbesteding te doen. De Wet milieubeheer biedt geen mogelijkheid omtrent één en ander voorschriften aan de vergunning te verbinden.

Deze beroepsgronden falen.

Indirecte hinder

2.10. [appellant] betoogt dat de toename van het verkeer als gevolg van de vergunde situatie in het bestreden besluit niet juist is beoordeeld. Hij merkt hierbij op dat daarbij ook de toename van het verkeer in de omgeving had moeten worden betrokken, te meer nu in de bestaande situatie ter plaatse van de woningen aan de [locatie 3] en de [locatie 4] niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde voor verkeersgeluid.

2.10.1. Voor de beoordeling van geluidbelasting veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting is in het kader van de beoordeling van een aanvraag om vergunning krachtens de Wet milieubeheer uitsluitend van belang het aan- en afrijdende verkeer voor zover dit nog niet dan wel niet meer is opgenomen in het heersende verkeersbeeld dat wordt bepaald door het overige zich op de weg bevindende verkeer. Alleen dat verkeer en de daardoor veroorzaakte geluidbelasting is aan het in werking zijn van de inrichting toe te rekenen. Hierom is een mogelijke toename van het verkeer in de omgeving van de inrichting naar het oordeel van de Afdeling voor deze beoordeling niet relevant en hoefde het college dit dan ook niet bij zijn beoordeling van de aanvraag te betrekken.

Het college heeft voor de beoordeling de circulaire "Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting" van de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de circulaire) gehanteerd, waarin een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en een maximale grenswaarde van 65 dB(A) is aangegeven. In het bij de aanvraag gevoegde akoestisch rapport van 17 december 2007 zijn berekeningen uitgevoerd waaruit blijkt dat ten aanzien van de woning [locatie 3] in de dagperiode een geluidimmissie wordt veroorzaakt van 52 dB(A) en ten aanzien van de woning [locatie 4] in de dag-, avond- en nachtperiode een geluidimmissie wordt veroorzaakt van respectievelijk 65, 50 en 47 dB(A), waarmee de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden. Gelet op hetgeen in het deskundigenbericht hierover is opgemerkt, ziet de Afdeling geen aanleiding aan de juistheid van deze berekeningen te twijfelen. Het college heeft de grenswaarden voor genoemde woningen opgenomen in voorschrift 2.2.4.1 en acht deze grenswaarden in dit geval vanwege de bijzondere omstandigheden waarin deze woningen zich bevinden toereikend.

Wat de woning [locatie 3] betreft heeft het college in dit verband betrokken dat de overschrijding van de voorkeursgrenswaarde met 2 dB(A) aanvaardbaar is vanwege de ligging van de woning in de nabijheid van de rijksweg A1 als gevolg waarvan, zoals is gebleken uit informatie van Rijkswaterstaat, de woning reeds een gevelbelasting ondervindt tussen de 65 en 70 dB Lden, hetgeen aanzienlijk meer is dan de geluidbelasting als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting, de wijziging van het bestemmingsplan waardoor de gronden waarop de woning staat de bestemming "bedrijventerrein" heeft, voldoende aannemelijk is dat de binnenwaarde in de woning niet of nauwelijks hoger zal zijn dan 35 dB(A) en de woning binnen afzienbare tijd zal worden gesloopt.

Wat de woning [locatie 4] betreft heeft het college in dit verband betrokken dat de woning door de ligging in de nabijheid van de rijksweg A1 op grond van informatie van Rijkswaterstaat reeds een gevelbelasting ondervindt van 70 dB Lden, hetgeen aanzienlijk meer is dan de geluidbelasting als gevolg van het verkeer van en naar de inrichting, het treffen van maatregelen in de overdrachtssfeer, gezien de korte afstand van de woning tot de weg, niet realistisch is, het treffen van geluidisolerende maatregelen aan de gevel van de woning kostbaar is, het leefgebied binnen de woning vooral aan de achterzijde is waar de binnenwaarde lager zal zijn, de wijziging van het bestemmingsplan waardoor de gronden waarop de woning staat de bestemming "bedrijventerrein" heeft en de woning binnen afzienbare tijd zal worden gesloopt. In het licht van het laatste zou de bewoner van de woning hebben verklaard de woning uiterlijk in januari 2009 te zullen verlaten.

2.10.2. Ingevolge artikel 8.8, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet milieubeheer betrekt het bevoegd gezag bij de beslissing op de aanvraag in ieder geval de met betrekking tot de inrichting en het gebied waar de inrichting zal zijn of is gelegen, redelijkerwijs te verwachten ontwikkelingen die van belang zijn met het oog op de bescherming van het milieu.

2.10.3. De Afdeling overweegt dat ten aanzien van genoemde woningen weliswaar de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) wordt overschreden, maar dat de in de circulaire aanbevolen maximale grenswaarde van 65 dB(A) niet wordt overschreden. Niet betwist is dat als gevolg van de aanwezigheid van de rijksweg A1 in de onmiddellijke nabijheid van beide woningen de geluidbelasting op de gevel in essentie daardoor wordt bepaald en dat het treffen van maatregelen in de overdrachtssfeer teneinde de geluidbelasting veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting te beperken niet realistisch is. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 24 juni 1997 nr. E03.96.0598 (AB 1997, 298) heeft overwogen, dient in het geval dat aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) niet kan worden voldaan, te worden gewaarborgd dat binnen woningen een equivalente geluidgrenswaarde van 35 dB(A) (etmaalwaarde) niet wordt overschreden. Het college is er wat de woning [locatie 3] betreft van uitgegaan dat de gevel een minimale geluidisolatie heeft van 20 dB(A), zodat de binnenwaarde van 35 dB(A) voor deze woning is gewaarborgd. Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die ertoe leiden dat het standpunt van het college niet kan worden gevolgd. Wat de woning [locatie 4] betreft staat vast dat niet aan de vereiste binnenwaarde wordt voldaan. Het college heeft in beide gevallen uiteindelijk doorslaggevend geacht dat de woningen binnen afzienbare tijd zullen worden gesloopt, waarbij het college wat de woning [locatie 4] betreft heeft betrokken de verklaring van de bewoner de woning uiterlijk in januari 2009 te zullen verlaten. Ter zitting is komen vast te staan dat deze woning en de woning [locatie 3] inmiddels niet meer worden bewoond en er voor beide woningen een sloopvergunning is afgegeven. Verder is ter zitting door [vergunninghouder] aangegeven dat de sloopactiviteiten vanwege de economische crisis weliswaar vertraging hebben opgelopen, maar dat deze activiteiten vermoedelijk binnen twee maanden zullen zijn afgerond. Het college heeft ten tijde van het nemen van het bestreden besluit met deze redelijkerwijs te verwachten ontwikkeling mede rekening kunnen houden.

Op grond van het vorenstaande heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geluidhinder vanwege het verkeer van en naar de inrichting in voldoende mate wordt beperkt. Deze beroepsgrond faalt.

(Controle op) toereikendheid voorschriften

2.11. Ten aanzien van het betoog van [appellant] dat de vergunningvoorschriften 1.2.5, 2.2.5.1, 2.3.3.1 en 5.6.1 niet toereikend zijn, nu daarin geen verplichting is opgenomen omwonenden bij veranderingen, klachten en/of overtredingen van de voorschriften in te lichten, overweegt de Afdeling dat het systeem van de Wet milieubeheer geen verplichting daartoe bevat. Onder deze omstandigheid heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat voormelde voorschriften in zoverre toereikend zijn. Deze beroepsgronden falen.

Niet naleven voorschriften

2.12. Ten aanzien van de vrees van [appellant] dat de vergunning en de daaraan verbonden voorschriften niet worden nageleefd overweegt de Afdeling dat deze beroepsgrond geen betrekking heeft op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en reeds om die reden faalt.

Conclusie

2.13. Het beroep is, voor zover ontvankelijk, ongegrond.

Proceskosten

2.14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het betreft de milieuaspecten geur, verontreiniging van bodem en grondwater onder andere door de lozing van afvalwater, de wijze van acceptatie, verwerking en opslag van (afval)stoffen en de opslag van baggerspecie en bouwstoffen, hinder ten gevolge van ongedierte en het onttrekken van grondwater, alsmede met betrekking tot alle aan de vergunning verbonden voorschriften die op deze aspecten betrekking hebben;

II. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.M. Boll, voorzitter, en mr. W. Sorgdrager en drs. W.J. Deetman, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, ambtenaar van Staat.

w.g. Boll w.g. Plambeck

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

159-489.