Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3621

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200901619/1/M1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie van (golf)kartonnen dozen ten behoeve van de glastuinbouw, tuinbouw en fruitsector aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 januari 2009 ter inzage gelegd.

Wetsverwijzingen
Wet milieubeheer
Wet milieubeheer 8.10
Wet milieubeheer 8.11
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2011/291

Uitspraak

200901619/1/M1.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellanten sub 1] te [woonplaats],

2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2009 heeft het college van burgemeester en wethouders van Westland (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een vergunning als bedoeld in artikel 8.1 van de Wet milieubeheer verleend voor het oprichten en in werking hebben van een inrichting voor de productie van (golf)kartonnen dozen ten behoeve van de glastuinbouw, tuinbouw en fruitsector aan de [locatie] te [plaats]. Dit besluit is op 23 januari 2009 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 maart 2009, beroep ingesteld.

[vergunninghouder] heeft nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 april 2009, waar [appellanten sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit en mr. ing. R.M. van den Berg, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.D. Verhey (LL.B), mr. K.J.M. Putter, L.A. Buijing, drs. M.M. Matthijsen en ing. R.M.H. Wanningen, werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. H.J. Breeman, advocaat te Rotterdam, [gemachtigden], als partij gehoord.

De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst en bepaald dat het vooronderzoek wordt hervat.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. [vergunninghouder] en het college hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

[appellanten sub 1] en [vergunninghouder] hebben nadere stukken ingediend. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak wederom ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar [appellanten sub 1], in persoon en bijgestaan door mr. V.J. Leijh, advocaat te Amsterdam, [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. E.F.J.A.M. de Wit, en het college, vertegenwoordigd door ing. H.D. Verhey (LL.B), drs. M.M. Matthijsen en ing. R.M.H. Wanningen, allen werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is [vergunninghouder], vertegenwoordigd door mr. F.G. van Dam en mr. H.J. Breeman, beiden advocaat te Rotterdam, [gemachtigden], als partij gehoord.

Ook is de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening, vertegenwoordigd door ing. M. Tennekes en ing. J. Koedoot, ter zitting verschenen.

2. Overwegingen

2.1. [vergunninghouder] voert aan dat het beroep van [appellanten sub 1] niet-ontvankelijk is, omdat zij geen belang meer hebben bij een uitspraak, nu zij hun woning hebben verkocht en op 23 oktober zullen verhuizen.

2.1.1. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] aangevoerd dat zij schade hebben geleden doordat [appellant sub 2] haar werkzaamheden niet langer vanuit huis kon verrichten door de geluid- en geuroverlast. Daardoor is haar omzet gedaald. Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellanten sub 1] hiermee voldoende aannemelijk gemaakt dat zij nog belang hebben bij een beslissing op hun beroep, zodat hun beroep ontvankelijk is.

2.2. Ter zitting hebben [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] hun beroep ingetrokken voor zover het de grond inzake de bevoegdheid van het college betreft. [appellanten sub 1] hebben hun beroep ingetrokken voor zover dit de brandveiligheid betreft.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Het tweede lid, aanhef en onder a, van dit artikel bepaalt dat de vergunning in ieder geval wordt geweigerd indien door verlening daarvan niet kan worden bereikt dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast.

Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden in het belang van het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu aan de vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn om de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk - bij voorkeur bij de bron - te beperken en ongedaan te maken. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat in de inrichting ten minste de voor de inrichting in aanmerking komende beste beschikbare technieken worden toegepast. Uit artikel 8.11, tweede en derde lid, volgt dat de vergunning moet worden geweigerd indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de hiervoor genoemde bepalingen komt het college een zekere beoordelingsvrijheid toe.

2.4. [appellanten sub 1] voeren aan dat het onzorgvuldig is dat het college erkent dat er geurproblemen zijn, maar desondanks een vergunning verleent. Volgens [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] is het besluit onvoldoende gemotiveerd nu, ondanks de geurproblemen, geen geuronderzoek is uitgevoerd. Het is volgens [appellanten sub 1] niet zeker dat voorschrift 2.2.1 kan worden nageleefd.

2.4.1. Ingevolge voorschrift 2.2.1 treft de vergunninghouder alle maatregelen of voorzieningen ter voorkoming van geuroverlast en ter beperking van geurwaarneming buiten de inrichting die redelijkerwijs mogelijk zijn.

Ingevolge voorschrift 2.2.2 dient vergunninghouder, indien op basis van het handhavingsprotocol (PROTOCOL 11: TOEZICHT EMISSIENORMEN) sprake is van een gegronde geurklacht, op verzoek van het bevoegd gezag een onderzoek te verrichten naar de oorzaak van de klachten en de mogelijkheden om geuroverlast te voorkomen.

Ingevolge voorschrift 2.2.3 moeten geuremissiemetingen en verspreidingsberekeningen worden uitgevoerd conform de Nederlandse emissierichtlijn Lucht. De bijbehorende geurconcentratiemetingen moeten worden uitgevoerd volgens de geldende norm (NEN-EN 13725). De resultaten van de metingen en berekeningen moeten worden gerapporteerd in geureenheden. Het meetplan moet worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. De geurimmissie vanwege de inrichting mag 1 (één) geureenheid per kubieke meter, bepaald als uurgemidddelde concentratie, op tuinen en erven bij woningen, niet meer dan 1 procent van de tijd (99-percentiel) overschrijden

2.4.2. Het college stelt zich op het standpunt dat geen overlast te verwachten viel, omdat enkel natuurlijke materialen werden gebruikt. Nadat zich klachten voordeden, zijn de voorschriften 2.2.1 tot en met 2.2.3 in de vergunning opgenomen, zodat een onderzoek geëist zou kunnen worden als zich klachten zouden voordoen.

2.4.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de lijm waarmee de vellen papier aan elkaar gelijmd worden om golfkarton te produceren, geuroverlast kan geven en dat het productieproces niet volledig gesloten is. Tevens is gebleken dat het college naar aanleiding van klachten voorschriften ter voorkoming van geuroverlast aan de vergunning heeft verbonden, zodat handhaving mogelijk was. Daarbij heeft het college aangesloten bij de norm die het college in het algemeen hanteert voor geurhinder. Het college heeft echter niet beoordeeld of voorschrift 2.2.3 naleefbaar is. Gelet hierop acht de Afdeling het besluit in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) in zoverre niet zorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

2.5. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] voeren aan dat het besluit onvoldoende gemotiveerd is, nu het akoestisch rapport ondeugdelijk is. Er hadden volgens hen geluidmetingen verricht moeten worden. Volgens [appellanten sub 1] kan niet aan de geluidnormen voldaan worden.

2.5.1. In hoofdstuk 6 van het "Akoestisch onderzoek in het kader van de aanvraag van een vergunning ingevolge de Wet milieubeheer voor [bedrijf]", versie 10, van Adromi Groep van 29 september 2008 staan de geluidverminderende maatregelen vermeld die zijn getroffen om de geluidbelasting van de omgeving vanwege de activiteiten van [vergunninghouder] zoveel mogelijk te beperken. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat het college ervan is uit gegaan dat deze voorzieningen, zoals omkasting van de golfkartonmachine en geluidsisolatie van de gevels, aanwezig waren, maar niet heeft gecontroleerd of deze voorzieningen voldoende zijn om geluidoverlast te voorkomen. Evenmin heeft het college voldoende onderzocht wat de geluidimmissie vanwege de inrichting is. Gelet hierop heeft het college in strijd met artikel 3:2 van de Awb het besluit niet zorgvuldig voorbereid. Deze beroepsgrond slaagt.

2.6. De beroepen zijn gegrond. Het besluit van 20 januari 2009 komt voor vernietiging in aanmerking. De overige gronden behoeven geen bespreking.

2.7. Het college dient ten aanzien van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart de beroepen gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Westland van 20 januari 2009, kenmerk 24752;

III. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellanten sub 1] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 966,00 (zegge: negenhonderdzesenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Westland tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 805,00 (zegge: achthonderdvijf euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Westland aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellanten sub 1], met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander, en € 145,00 (zegge: honderdvijfenveertig euro) voor [appellant sub 2] vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. M. Oosting, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. W. Sorgdrager, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Bijleveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Oosting w.g. Bijleveld

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

433.