Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3614

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200902733/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 januari 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellante] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902733/1/H3.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2009 in zaak nr. 08/3070 in het geding tussen:

appellante

en

de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2008 heeft de stichting Stichting Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen (hierna: het CBR) het rijbewijs van [appellante] voor alle categorieën ongeldig verklaard.

Bij besluit van 8 juli 2008 heeft het CBR het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 april 2009, hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 oktober 2009, waar [appellante], in persoon, en het CBR, vertegenwoordigd door drs. M.M. van Dongen, werkzaam bij het CBR, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 131, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: de WVW 1994), voor zover thans van belang, besluit het CBR indien een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 130, eerste lid, is gedaan, in de bij ministeriële regeling aangewezen gevallen dat betrokkene zich dient te onderwerpen aan een onderzoek naar zijn rijvaardigheid of geschiktheid.

Ingevolge artikel 132, eerste lid, zoals dit luidde ten tijde en voor zover thans van belang, is degene die zich ingevolge het in artikel 131, eerste lid, bedoelde besluit dient te onderwerpen aan een onderzoek, verplicht de daartoe vereiste medewerking te verlenen.

Ingevolge het tweede lid, voor zover thans van belang, besluit het CBR bij gebreke van de in het eerste lid bedoelde medewerking onverwijld tot ongeldigverklaring van het rijbewijs van de houder.

Ingevolge artikel 133, eerste lid, voor zover thans van belang, worden tijd en plaats van het onderzoek overeenkomstig bij algemene maatregel van bestuur vastgestelde regels vastgesteld.

Ingevolge 133, eerste lid, van het Reglement rijbewijzen (Stb. 2004, 483; hierna: het Reglement), voor zover thans van belang, worden tijdstip en plaats van het in artikel 131 van de WVW 1994 bedoelde onderzoek naar de rijvaardigheid of geschiktheid door het CBR vastgesteld.

Ingevolge het tweede lid worden, indien betrokkene niet op de voor het onderzoek vastgestelde tijd en plaats aanwezig is, tijd en plaats van het onderzoek door het CBR opnieuw vastgesteld, tenzij naar het oordeel van het CBR geen sprake is van een geldige reden van verhindering.

2.2. Het CBR heeft het rijbewijs van [appellante] voor alle categorieën ongeldig verklaard omdat zij niet de vereiste medewerking heeft verleend aan een haar opgelegd onderzoek naar de rijvaardigheid. [appellante] is bij dit onderzoek niet verschenen, en het CBR stelt zich op het standpunt dat van een geldige reden van verhindering niet is gebleken.

2.3. [appellante] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat zij de oproep om mee te werken aan een onderzoek naar de rijvaardigheid niet heeft ontvangen. Volgens [appellante] is dit een geldige reden van verhindering, aangezien zij niet wist wanneer het onderzoek zou plaatsvinden. Het CBR had haar daarom de gelegenheid moeten geven op een andere datum aan het onderzoek mee te werken, aldus [appellante].

2.3.1. Bij aangetekend en onaangetekend verzonden besluit van 24 augustus 2006 heeft het CBR aan [appellante] een onderzoek naar de rijvaardigheid opgelegd. In de begeleidende brief bij dit besluit is vermeld dat [appellante] binnenkort een oproep voor dit onderzoek zal ontvangen en dat alle toekomstige aangetekende correspondentie niet meer door een onaangetekende kopie zal worden gevolgd.

2.3.2. Bij aangetekende brief van 25 september 2007 heeft het CBR [appellante] opgeroepen voor een onderzoek naar haar rijvaardigheid op 7 december 2007. Deze brief is retour gekomen met als reden van onbestelbaarheid "niet afgehaald".

2.3.3. Vaststaat dat het CBR de oproep voor het onderzoek op 25 september 2007 aangetekend naar het juiste adres heeft verzonden. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat [appellante] niet op geloofwaardige wijze heeft ontkend dat zij het afhaalbericht voor deze oproep heeft ontvangen. De niet met bewijzen gestaafde stelling van [appellante] dat het vaker voorkomt dat aan haar geadresseerde post abusievelijk bij de buren wordt bezorgd, heeft de rechtbank hiervoor terecht onvoldoende geacht, te meer nu niet is gesteld dat ook aangetekend verzonden stukken vaker op het verkeerde adres worden afgeleverd. Voorts heeft de rechtbank terecht gewicht toegekend aan de, ter zitting bij de Afdeling herhaalde, mededeling van [appellante] dat het afhaalbericht mogelijk bij haar thuis is zoekgeraakt. De stelling van [appellante] dat het afhaalbericht wellicht in het ongerede is geraakt omdat zij als gevolg van het overlijden van haar vader destijds een hectische en emotionele tijd doormaakte en er in de betreffende periode veel mensen bij haar thuis kwamen, heeft de rechtbank terecht niet tot een ander oordeel gebracht. In aanvulling op hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen, neemt de Afdeling hierbij in aanmerking dat het CBR de oproep voor het onderzoek reeds op 25 september 2007 heeft verzonden, terwijl [appellante] desgevraagd heeft medegedeeld dat haar vader op 14 oktober 2007 is komen te overlijden.

2.3.4. Nu niet is gebleken van een geldige reden van verhindering, was het CBR, anders dan [appellante] heeft betoogd, niet gehouden om ingevolge artikel 133, tweede lid, van het Reglement een nieuwe datum voor het onderzoek vast te stellen. Het CBR heeft terecht geconcludeerd dat [appellante] niet de vereiste medewerking aan het onderzoek heeft verleend, hetgeen ingevolge artikel 132, tweede lid, van de WVW 1994 leidt tot ongeldigverklaring van het rijbewijs. De rechtbank is terecht tot hetzelfde oordeel gekomen.

2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. P.A. Offers en mr. B.P. Vermeulen, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.C. de Winter, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. De Winter

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

419.