Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3603

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200904080/1/H3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [wederpartij] een onttrekkingsvergunning verleend ten behoeve van kamerverhuur voor het pand [locatie] te [plaats].

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2010/13
ABkort 2009/521

Uitspraak

200904080/1/H3.

Datum uitspraak: 18 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Groningen,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 april 2009 in zaak nr. 08/1149 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te [woonplaats]

en

het college van burgemeester en wethouders van Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2008 heeft het college van burgemeester en wethouders van Groningen (hierna: het college) aan [wederpartij] een onttrekkingsvergunning verleend ten behoeve van kamerverhuur voor het pand [locatie] te [plaats].

Bij besluit van 6 november 2008 heeft het college, voor zover thans van belang, het door [partij] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 26 mei 2008 herroepen en de gevraagde onttrekkingsvergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 17 april 2009, verzonden op 22 april 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard en het besluit van 6 november 2008 vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2009, hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft [partij] op de voet van artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 2 november 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. P.J. van de Sande, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [wederpartij] in persoon, bijgestaan door mr. E. Wiarda, werkzaam bij adviesbureau Langhout & Wiarda te Oranjewoud, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 30, eerste lid, aanhef en onder a, van de Huisvestingswet is het verboden een woonruimte die behoort tot een door de gemeenteraad in de huisvestingsverordening daartoe met het oog op het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad aangewezen categorie, zonder vergunning van burgemeester en wethouders aan de bestemming tot bewoning te onttrekken, of voor een zodanig gedeelte aan die bestemming te onttrekken, dat die woonruimte daardoor niet langer geschikt is voor bewoning door een huishouden van dezelfde omvang als waarvoor deze zonder zodanige onttrekking geschikt is.

Ingevolge artikel 31 wordt een vergunning als bedoeld in artikel 30, eerste lid, verleend, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge artikel 24, aanhef en onder c van de Huisvestingsverordening 2006 van de gemeente Groningen is het verboden om zonder een onttrekkingsvergunning van het college een woonruimte, aangewezen in artikel 2, derde lid, van zelfstandige in onzelfstandige woonruimte om te zetten.

Ingevolge artikel 27, eerste lid, verleent het college de onttrekkingsvergunning, tenzij het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad groter is dan het met het onttrekken aan de bestemming tot bewoning gediende belang en het belang van het behoud of de samenstelling van de woonruimtevoorraad niet door het stellen van voorwaarden en voorschriften voldoende kan worden gediend.

Ingevolge het tweede lid kan het college de vergunning weigeren indien vaststaat of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat verlening van de onttrekkingsvergunning zou leiden tot een ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu in de omgeving van de woonruimte waarop de aanvraag betrekking heeft.

2.1.1. Bij de invulling van het criterium ontoelaatbare inbreuk op een geordend woon- en leefmilieu hanteert het college beleidsregels. In zijn vergadering van 15 mei 2007 heeft het besloten een tijdelijk maximum van 25% aan kamerverhuurpanden per straat in te stellen voor de duur van een jaar. Dit besluit is gepubliceerd op 25 mei 2007.

In zijn vergadering van 22 april 2008 heeft het college besloten om de besluitvorming op aanvragen om een onttrekkingsvergunning op grond van de Huisvestingswet aan te houden tot de inwerkingtreding van het nieuwe beleid kamerverhuurpanden maar tot uiterlijk acht weken na dit besluit, en de aanvragen vervolgens te beoordelen naar het op dat moment geldende beleid. Dit besluit is gepubliceerd op 30 april 2008.

In zijn vergadering van 3 juni 2008 heeft het college besloten geen onttrekkingsvergunningen meer te verlenen indien het percentage van de vergunningen per straat boven de 15% van het aantal woningen uitkomt. Lopende aanvragen zullen naar dit beleid worden beoordeeld. Dit besluit is gepubliceerd op 11 juni 2008.

2.2. Aan het besluit op bezwaar van 6 november 2008, waarbij de onttrekkingsvergunning alsnog is geweigerd, heeft het college ten grondslag gelegd dat bij de eerdere verlening van de onttrekkingsvergunning bij het primaire besluit van 26 mei 2008 is gehandeld in strijd met het toen geldende beleid, zoals bekend gemaakt op 30 april 2008, zodat de onttrekkingsvergunning ten onrechte was verleend. Volgens het nieuwe, op 11 juni 2008 bekend gemaakte beleid diende de onttrekkingsvergunning te worden geweigerd. Naar het oordeel van het college deden zich geen bijzondere omstandigheden voor op grond waarvan zou moeten worden afgeweken van dit beleid en diende doorslaggevend gewicht te worden toegekend aan het belang van het behoud en de samenstelling van de woonruimtevoorraad en aan de belangen van [partij].

2.3. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college niet onderkend dat de aanvraag van [wederpartij] diende te worden beoordeeld aan de hand van het ten tijde van de indiening van die aanvraag, 19 mei 2008, geldende beleid. Aanhouden van de aanvraag, als gevolg van het besluit van het college van 22 april 2008, achtte de rechtbank niet aanvaardbaar omdat dit tot gevolg zou hebben dat de aanvraag zou worden beoordeeld aan de hand van ten tijde van de indiening van de aanvraag nog niet ingevoerd beleid.

2.4. Het college bestrijdt dit oordeel van de rechtbank met succes. Volgens vast jurisprudentie geldt als uitgangspunt dat bij het nemen van een besluit op bezwaar het recht moet worden toegepast zoals dat op dat moment geldt. Dit geldt eveneens voor beleidsregels. Ten tijde van het besluit op bezwaar gold het beleid zoals bekend gemaakt op 11 juni 2008. Volgens dit beleid dienen aanvragen ingediend na 30 april 2008 naar dit beleid te worden beoordeeld. Naar het oordeel van de Afdeling bestaat geen aanleiding in dit geval van het hierboven genoemde uitgangspunt af te wijken. De enkele omstandigheid dat [wederpartij] door de toepassing van het nieuwe beleid in een ongunstiger positie komt, is hiervoor onvoldoende. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat het college zich in het besluit op bezwaar terecht op het standpunt heeft gesteld dat het besluit van 26 mei 2008 tot verlening van de onttrekkingsvergunning is genomen in strijd met het op 30 april 2008 bekend gemaakte beleid om de besluitvorming op aanvragen om een onttrekkingsvergunning aan te houden. Reeds omdat toepassing van dit beleid niet zou leiden tot overschrijding van de wettelijke beslistermijn, valt niet in te zien dat het college niet bevoegd was de besluitvorming aan te houden. Het op 25 mei 2007 gepubliceerde 25%-beleid gold bovendien slechts voor een jaar. Ten tijde van het primaire besluit, van 26 mei 2008, kon [wederpartij] hieraan dan ook geen rechten meer ontlenen.

Niet in geschil is dat volgens het beleid, zoals bekend gemaakt op 11 juni 2008, de onttrekkingsvergunning diende te worden geweigerd. Dit beleid is naar het oordeel van de Afdeling niet onredelijk. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college de onttrekkingsvergunning toch had dienen te verlenen, is niet gebleken. Het college heeft de gevraagde onttrekkingsvergunning in redelijkheid in bezwaar alsnog kunnen weigeren.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 26 mei 2008 van het college alsnog ongegrond verklaren.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 17 april 2009 in zaak nr. 08/1149;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M. Vlasblom, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.A. Idema, ambtenaar van Staat.

w.g. Vlasblom w.g. Idema

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009

512.