Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3601

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200904282/1/H1 en 200904282/2/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200904282/1/H1 en 200904282/2/H1.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 7 mei 2009 in zaak nr. 08/515 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 september 2006 heeft het college van burgemeester en wethouders van Noordenveld (hierna: het college) aan [vergunninghoudster] vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het oprichten van een woning (hierna: het bouwplan) op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 5 juni 2007 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 juli 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Assen het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 5 juni 2007 vernietigd en het college opgedragen opnieuw op het bezwaar van [appellant] tegen het besluit van 14 september 2006 te beslissen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Bij besluit van 22 april 2008 heeft het college het door [appellant] tegen het besluit van 14 september 2006 gemaakte bezwaar gegrond verklaard en opnieuw vrijstelling en bouwvergunning verleend voor het bouwplan.

Bij uitspraak van 7 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Assen (hierna: de rechtbank) het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 juni 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 10 juli 2009.

Bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 oktober 2009, heeft [appellant] de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 26 oktober 2009 heeft [appellant] nadere stukken ingediend.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 29 oktober 2009, waar [appellant], in persoon en bijgestaan door mr. R. Sieben, gemachtigde, en het college, vertegenwoordigd door H. Westerhof, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting [vergunninghoudster], vertegenwoordigd door Z.M. Hussain, gemachtigde, als partij gehoord.

2. Overwegingen

2.1. In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.2. In het betoog van [appellant] dat het restaurant waarbij het bouwplan is voorzien wordt gedreven door [belanghebbende] heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat [vergunninghoudster] de bouwvergunning en de vrijstelling niet rechtens heeft kunnen aanvragen. Zij kan derhalve in onderhavige procedure worden aangemerkt als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

2.3. [appellant] betoogt - zakelijk weergegeven - dat de rechtbank heeft miskend dat onvoldoende is gegarandeerd dat niet twee (bedrijfs)woningen op het perceel zullen ontstaan. Daartoe voert hij aan dat het college zich rekenschap had dienen te geven van het beoogde gebruik van de nieuwe woning.

2.3.1. Dit betoog faalt. De voorzitter stelt vast dat de vrijstelling en bouwvergunning mede gelet op de daaraan ten grondslag liggende verklaring van geen bezwaar en de ruimtelijke onderbouwing verleend zijn voor de bouw van een bedrijfswoning bij het horecabedrijf "Het Norgerhout". Aan de vergunning is de voorwaarde verbonden dat de huidige inpandige bedrijfswoning na de ingebruikneming van de nieuwe woning niet meer als woning mag worden gebruikt. Ingeval in afwijking hiervan de te realiseren bedrijfswoning niet als bedrijfswoning zal worden gebruikt dan wel de thans bestaande inpandige bedrijfswoning in gebruik blijft, zal het college in beginsel gehouden zijn daartegen handhavend op te treden. Het college heeft ter zitting desgevraagd verklaard, dat in een zodanig geval te zullen doen. Er bestaan geen concrete aanknopingspunten om ervan uit te gaan, dat [vergunninghoudster] niet aan de voorwaarden zal voldoen. Bij eventuele overdracht of ingebruikneming van de bedrijfswoning door anderen zal deze als bedrijfswoning in gebruik moeten blijven. Indien onverhoopt niet aan de voorwaarden zal worden voldaan en het college nalatig zou blijven te handhaven, kan [appellant] om handhaving verzoeken en rechtsmiddelen aanwenden. In hetgeen [appellant] ter zake heeft aangevoerd heeft de rechtbank derhalve terecht geen grond gevonden om het bestreden besluit te vernietigen.

2.4. Hetgeen [appellant] aanvoert ten aanzien van de aanwezigheid van andere bouwwerken op het perceel met betrekking waartoe hij bij het college een verzoek om handhaving heeft gedaan kan, wat daar ook van zij, in de onderhavige procedure geen rol spelen.

2.5. [appellant] betoogt voorts dat het college in de bodemkwaliteit op het perceel aanleiding had moeten zien de vrijstelling en bouwvergunning te weigeren, nu het perceel voorheen behoorde tot een kleiduivenschietbaan, en het college van gedeputeerde staten van Drenthe (hierna: gedeputeerde staten) op basis van een bodemonderzoek in 1992 had aangegeven dat er een bodemsanering zou moeten plaatsvinden.

2.5.1. Ook dit betoog slaagt niet. Het college heeft aan de besluitvorming bodemonderzoeken van Klijn Bodemonderzoek B.V. (hierna: Klijn) van 31 juli 2006 en 9 november 2007 ten grondslag gelegd. [appellant] heeft een second opinion verkennend bodemonderzoek van CSO-Milfac Adviesbureau van 20 oktober 2009 overgelegd. In deze second opinion wordt geconcludeerd dat het onderzoek van Klijn van 31 juli 2006 is uitgegaan van een onjuiste hypothese en dat te weinig aandacht is besteed aan de historie van het terrein en voorts wordt gesteld dat geen onderzoek is gedaan naar de grondwal en wordt aanbevolen nader onderzoek uit te voeren. In het rapport van Klijn van 9 november 2007 wordt evenwel verslag gedaan van nader bodemonderzoek en geconcludeerd dat er vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen belemmeringen ten aanzien van het gebruik van het terrein en de geplande bouwactiviteiten bestaan. Gelet op de conclusies uit dit nadere bodemonderzoek heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college geen vrijstelling en bouwvergunning voor het bouwplan kon verlenen in verband met de bodemkwaliteit. Dat, zoals [appellant] betoogt, bij het laatste onderzoek van Klijn een andere onderzoeksopzet zou zijn gekozen dan bij het eerste onderzoek, maakt niet dat aan de resultaten uit dat onderzoek geen waarde kan worden toegekend. Voorts is het bouwplan niet voorzien op de locatie waar de grondwal is gelegen. Bij brief van 11 juni 2008 hebben gedeputeerde staten naar aanleiding van vragen van [appellant] met betrekking tot de eerder vastgestelde saneringsplicht, hem bericht dat gelet op de overgelegde onderzoeken geen aanleiding meer bestond om saneringsmaatregelen te vragen.

2.6. Voorts betoogt [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat het college in de belangenafweging onvoldoende aandacht heeft besteed aan de inbreuk van het bouwplan op de privacy van [appellant]. Daarbij stelt hij dat de in het besluit van 29 april 2008 opgenomen beplantingsvoorwaarde ontoereikend en niet handhaafbaar is.

2.6.1. Dit betoog faalt evenzeer. Mede gelet op de afstand van het bouwplan tot de woning van [appellant], heeft de rechtbank terecht geen grond gezien voor het oordeel dat de inbreuk van het bouwplan op de privacy van [appellant] zodanig is dat het college om die reden geen vrijstelling had mogen verlenen. Door het aanbrengen van beplanting zoals opgenomen in de beplantingsvoorwaarde wordt het zicht op de woning enigszins beperkt. Voor zover [appellant] beoogt dat de beplantingsvoorwaarde uitgaat van de verkeerde locatie van de situering van de woning, faalt dit betoog. Ter zitting is gebleken dat er bij partijen geen misverstand over bestaat, dat de beplanting dient te worden gesitueerd ter hoogte van de erfgrens en tussen de te realiseren woning en woning van [appellant]. Niet valt in te zien dat de beplantingsvoorwaarde niet handhaafbaar zou zijn. Ook hier geldt, dat indien onverhoopt niet aan de voorwaarde wordt voldaan, het college in beginsel handhavend dient op te treden en [appellant] rechtsmiddelen ten dienste staan om dit af te dwingen. Dat de voorkeur van [appellant] uitgaat naar een andere beplantingsvoorwaarde, vastgelegd in een notariële akte, maakt niet, dat het college niet in redelijkheid de opgelegde voorwaarde voldoende heeft kunnen achten.

2.7. Voor zover [appellant] stelt te twijfelen aan de uitkomsten van het Flora en Fauna onderzoek van BügelHajema van 30 juni 2005 oordeelt de voorzitter met de rechtbank dat de enkele omstandigheid dat [appellant] vraagtekens plaatst bij dit advies, niet maakt dat het college zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat uit dat rapport volgt dat er uit het oogpunt van bescherming van flora en fauna geen reden bestond de gevraagde vrijstelling te weigeren.

2.8. Met betrekking tot hetgeen [appellant] overigens heeft aangevoerd wordt overwogen, dat de rechtbank in de overwegingen van haar uitspraak hierop is ingegaan. [appellant] heeft in het hoger beroepschrift geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Gelet hierop ziet de Afdeling ook daarin geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.9. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.10. Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Wijers, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Wijers

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

444