Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3596

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200906563/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Westland het bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland" vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200906563/2/R3.

Datum uitspraak: 10 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland,

verzoeker,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 mei 2009 heeft de raad van de gemeente Westland het bestemmingsplan "Parapluherziening bestemmingsplannen buitengebied Westland" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van Delfland (hierna: het college) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 26 augustus 2009, beroep ingesteld.

Bij deze brief heeft het college de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 12 oktober 2009, waar het college, vertegenwoordigd door mr. R.J.J. Aerts, advocaat te Den Haag, mr. T. Dreessen en J.P. Meijerink, en de raad, vertegenwoordigd door mr. D. Otto en mr. C. Menheer, ambtenaren in dienst van de gemeente, en mr. J.C. van Strin, advocaat te Naaldwijk, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het college kan zich niet verenigen met het bestreden besluit.

Het college voert hiertoe aan dat het plan de waterberging onvoldoende waarborgt. Ook ontbreken normen om de toename van de verharding te reguleren en ontbreekt een watertoets. Vorenstaande klemt te meer nu het plan, anders dan de raad stelt, niet conserverend van aard is, aldus het college.

2.3. De raad heeft het plan vastgesteld en betoogt dat het plan conserverend van aard is, omdat in het plan geen andere bestemmingen aan de gronden worden toegekend. Gelet op het conserverende karakter van het plan kan worden volstaan met hetgeen in de plantoelichting is vermeld over de waterhuishouding en is een meer uitgebreide watertoets niet noodzakelijk, aldus de raad. Voor zover het plan anderszins nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishouding, bijvoorbeeld door middel van een wijzigingsbevoegdheid, is gewaarborgd dat afstemming met de waterbeheerder plaatsvindt, aldus de raad.

2.4. Met het onderhavige plan wordt beoogd een groot aantal bestemmingsplannen te harmoniseren. De beantwoording van de vragen of het plan conserverend van aard is en of een uitgebreide watertoets dan wel nadere planregels noodzakelijk zijn, vergt nader onderzoek, hetgeen het kader van deze procedure te buiten gaat.

2.5. Gezien het vorenstaande ziet de voorzitter zich gesteld voor de vraag of in afwachting van de uitspraak in de bodemprocedure het bestreden besluit dient te worden geschorst. Hiertoe overweegt de voorzitter het volgende. Het college heeft in algemene bewoordingen gesteld dat inwerkingtreding van het plan zal leiden tot onomkeerbare gevolgen. Evenwel heeft het college naar het oordeel van de voorzitter niet inzichtelijk gemaakt voor welke concrete bedreigingen voor de waterhuishouding op korte termijn dient te worden gevreesd.

Voorts heeft de raad gesteld dat in geval van schorsing de voorschriften herleven uit de bestemmingsplannen waarvan het onderhavige plan een herziening vormt, en dat deze bepalingen in het algemeen minder bescherming bieden aan de waterhuishouding dan het onderhavige plan. In dit kader heeft de raad er onder meer op gewezen dat in algemene zin in het onderhavige plan een grotere afstand tussen bebouwing en het hoofdwaternetwerk dient te worden aangehouden, de aan te houden afstanden van bouwwerken tot aan wegen worden vergroot en een afstandsmaat tussen bedrijfswoningen en bedrijfsgebouwen wordt geïntroduceerd, zodat dit plan vermoedelijk tot een afname van het verharde oppervlak zal leiden. Naar het voorlopige oordeel van de voorzitter heeft het college deze stelling niet voldoende gemotiveerd weerlegd.

Evenmin heeft het college door verwijzing naar de ongeveer 40 bouwaanvragen welke op inwerkingtreding van het plan wachten, aannemelijk gemaakt dat de waterhuishoudkundige belangen door inwerkingtreding van het plan onevenredig zullen worden geschaad. Daarbij neemt de voorzitter in aanmerking dat de raad ter zitting heeft gesteld dat ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen welke gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishouding, afstemming met de waterbeheerder is gewaarborgd.

2.6. Gelet op het vorenstaande bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. R.J. Hoekstra, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.F.W. Tuit, ambtenaar van Staat.

w.g. Hoekstra w.g. Tuit

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009

425.