Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3595

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
18-11-2009
Zaaknummer
200905760/2/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 juni 2009, kenmerk 2009-35643, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hilversum (hierna: de raad) bij besluit van 16 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, eerste partiële herziening" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200905760/2/R2.

Datum uitspraak: 10 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Maatschappij tot beheer van de buitenplaats "Uytwijck", gevestigd te Hilversum,

verzoekster,

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 23 juni 2009, kenmerk 2009-35643, heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Hilversum (hierna: de raad) bij besluit van 16 oktober 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied, eerste partiële herziening" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Maatschappij tot beheer van de buitenplaats "Uytwijck" (hierna: Uytwijck) bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 5 augustus 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 2 september 2009.

Bij eerstgenoemde brief heeft Uytwijck de voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 27 oktober 2009, waar Uytwijck, vertegenwoordigd door mr. S.F. Griessen en vergezeld door haar [directeur], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.H.J. van Riessen, advocaat te Amsterdam, en bijgestaan door dr. V.J.T. Loehr, ambtenaar in dienst van Rijkswaterstaat, en ing. B.J. Derix, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts zijn als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door G.J.J. Ruighaver, ambtenaar in dienst van de gemeente, en [belanghebbende].

2. Overwegingen

2.1. Het oordeel van de voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.2. Het plan betreft een partiële herziening van het bestemmingsplan "Buitengebied", vastgesteld op 11 september 2002 (hierna: het voorgaande plan). Het plan voorziet onder meer in de aanleg van ecoducten over de Rijksweg A27, de spoorweg Hilversum-Utrecht en de Utrechtseweg ter hoogte van de Zwaluwenberg.

2.3. Uytwijck betoogt dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan het plan, voor zover dit voorziet in de aanleg van voormelde ecoducten. Zij beoogt met haar verzoek onomkeerbare gevolgen van de inwerkingtreding van dit deel van het plan te voorkomen. Daartoe voert zij enkele formele bezwaren aan. Zij betoogt, voor zover hier van belang, dat ten onrechte niet de in de bijlage bij de plantoelichting genoemde stukken bij het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen.

2.4. Het college stelt zich op het standpunt dat het voorgaande plan, gelet op de daarin opgenomen algemene wijzigingsbevoegdheid, reeds een goede indicatie van de beoogde situering van de ecologische verbindingszones in het plangebied gaf en dat in het gebied rondom Uytwijck de realisatie van de ecoducten niet was uitgesloten. Nu tegen de goedkeuring van het voorgaande plan op dit punt destijds geen rechtsmiddelen zijn ingesteld, stelt het college zich op het standpunt dat de raad mocht veronderstellen dat de in het plan neergelegde regeling van de ecoducten niet op bezwaren van omwonenden zou stuiten. Gelet hierop zijn er in de toelichting op het ontwerpplan, volgens het college, weinig woorden gewijd aan de ecoducten. Het is dan ook vanuit dit perspectief bezien niet onredelijk dat de onderzoeksrapporten, welke betrekking hebben op de ecoducten, niet met het ontwerpplan ter inzage zijn gelegd, aldus het college. Nu de plankaart voldoende duidelijk is geweest wat betreft de bestemming van de ecoducten, de plantoelichting is herzien en de onderzoeksrapporten wel met het vastgestelde plan ter inzage hebben gelegen, is Uytwijck, volgens het college, niet in haar belangen geschaad.

2.5. Ingevolge artikel 23, eerste lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening, is op de voorbereiding van een bestemmingsplan afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van toepassing, met dien verstande dat:

a. het college van burgemeester en wethouders de kennisgeving, bedoeld in artikel 3:12 van die wet tevens in de Staatscourant plaatst;

b. zienswijzen naar voren kunnen worden gebracht door een ieder.

Ingevolge artikel 3:11, eerste lid van de Awb, legt het bestuursorgaan het ontwerp van het te nemen besluit, met de daarop betrekking hebbende stukken die redelijkerwijs nodig zijn voor een beoordeling van het ontwerp, ter inzage.

Blijkens de wetsgeschiedenis is artikel 3:11 van de Awb te zien als uitwerking van de actieve openbaarmakingsplicht, hetgeen ziet op het uit eigen beweging verstrekken van informatie door een bestuursorgaan. Doel van de terinzagelegging is dat betrokkenen kennis kunnen nemen van het (ontwerp van het) plan, opdat zij kunnen bezien of zij daartegen willen opkomen.

2.6. Bij de toelichting op het vastgestelde plan zijn 19 bijlagen gevoegd.

Onweersproken is dat voormelde stukken niet tezamen met het ontwerpplan ter inzage hebben gelegen. Dit klemt te meer nu - naar uit de stukken blijkt - de toelichting op de plandelen die betrekking hebben op de drie ecoducten in het ontwerp dat ter inzage is gelegd, summier was.

De voorzitter is voorshands van oordeel dat tenminste een aantal van deze stukken dient te worden aangemerkt als stukken die betrekking hebben op het ontwerpplan en die - naar het voorlopig oordeel van de voorzitter - redelijkerwijs nodig waren voor de beoordeling van het ontwerpplan. Dat geldt naar het oordeel van de voorzitter in ieder geval voor:

- bijlage 9: Projectteam Ecocorridor Hilversum-Zuid. 2005. Beslisdocument locatiekeuze ecoducten A27 en spoorverbinding Utrecht-Hilversum met de daarbij gevoegde bijlage "Alternatievennota ecologische verbinding / Ecoducten Zwaluwenberg";

- bijlage 10: Altenburg & Wymenga. 2006. Ecologische beoordeling aanleg ecocorridor Hilversum-Zuid. A&W-rapport 856;

- bijlage 11: Bosch-Slabbers Tuin- en Landschapsarchitecten. 2006. Beknopte notitie over varianten Ecologische verbinding over de Utrechtseweg (N417);

- bijlage 14: Projectteam Ecocorridor Hilversum-Zuid. 2006a. Afweging alternatieven ecoduct N417: maaiveld, halfverdiept en verdiept;

- bijlage 15: Projectteam Ecocorridor Hilversum-Zuid. 2006b. Afweging alternatieven ecoduct spoorlijn Utrecht-Hilversum in relatie tot monumentale boogportalen;

- bijlage 19: Goudappel Coffeng. 2008. Ecoduct Utrechtseweg N417 nabij Hilversum. Akoestisch onderzoek.

2.6.1. Voor zover het college ter zitting heeft betoogd dat de terinzagelegging achterwege kon worden gelaten omdat - gelet op de bestaande wijzigingsbevoegdheid in het voorgaande plan, waartegen destijds niet is geageerd - geen bezwaren van omwonenden werden verwacht, is dit standpunt naar het oordeel van de voorzitter onjuist reeds omdat voormelde wijzigingsbevoegdheid de verwezenlijking van de drie ecoducten niet zonder meer mogelijk maakte. Voorts was een aantal van de onderzoeken ten tijde van de vaststelling van het voorgaande plan nog niet uitgebracht en is niet uitgesloten dat deze onderzoeken ook voor de omwonenden van belang hadden kunnen zijn bij de ontwikkeling van hun zienswijze.

2.7. Gelet op het vorenstaande verwacht de voorzitter dat het bestreden besluit in de bodemprocedure geen stand zal houden. Ter voorkoming van onevenredig nadeel voor Uytwijck ziet de voorzitter daarom aanleiding tot inwilliging van het verzoek tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan, voor zover het ziet op plandelen die de aanleg van de voornoemde ecoducten mogelijk maken.

2.8. Gelet op het vorenstaande ziet de voorzitter aanleiding de hierna te melden voorlopige voorziening te treffen.

2.9. Het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland van 23 juni 2009, kenmerk 2009-35643, voor zover het betreft de plandelen met de bestemming "Natuurgebied, categorie bos en heide (Nbh)" met de aanduiding 'ecoduct (ed)' en de plandelen met de bestemming "Verkeersdoeleinden (V)" met de aanduiding 'ecoduct (ed)' en het plandeel met de bestemming "Militaire doeleinden (Mi)" met de aanduiding 'ecoduct (ed)', voor zover aangegeven op de plankaart "Bestemmingsplan Buitengebied, 1e partiële herziening - Ecoducten A27, spoorlijn Utrecht-Hilversum en Utrechtsweg (aanpassing blad 5)";

II. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland tot vergoeding van bij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Maatschappij tot beheer van de buitenplaats "Uytwijck" in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Holland aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid B.V. Maatschappij tot beheer van de buitenplaats "Uytwijck" het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,00 (zegge: tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. P.J.J. van Buuren, als voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. A.P. de Rooy, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Buuren w.g. De Rooy

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009

466-602.