Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3323

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
200907356/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vreemdelingenbewaring / Wbtv / bij gehoor of ophouding is beëdigde tolk of vertaler niet vereist

Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv volgt dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de politie verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Deze bepaling biedt geen grond voor het standpunt dat bij een verhoor in een vreemde taal gedurende een ophouding gebruik moet worden gemaakt van een beëdigde tolk of vertaler. Gesteld noch gebleken is ten slotte dat een andere wettelijke bepaling vereist dat bij het verhoor van de vreemdeling een beëdigde tolk of vertaler diende op te treden. Volgens paragraaf A3/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) dient, indien door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is, de hulp van een tolk te worden ingeroepen, die als voldoende bekwaam en objectief kan worden beschouwd. Niet is gebleken dat bij het verhoor contact met de vreemdeling niet of onvoldoende mogelijk was. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding blijkt niet van een gebrekkige communicatie tijdens het verhoor. Evenmin blijkt hieruit dat de vreemdeling heeft verklaard alleen het Somalisch voldoende te verstaan en spreken. Gelet op het vorenstaande volgt uit de wet noch de Vc 2000 dat bij het verhoor op 18 augustus 2009 een beëdigde tolk of vertaler diende te fungeren. De rechtbank is terecht tot het bestreden oordeel gekomen.

Wetsverwijzingen
Wet beëdigde tolken en vertalers
Wet beëdigde tolken en vertalers 28
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/5

Uitspraak

200907356/1/V3

Datum uitspraak: 4 november 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 11 september 2009 in zaak nr. 09/30087 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 augustus 2009 is [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 11 september 2009, verzonden op 14 september 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en de vreemdeling schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 september 2009, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij daarbij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

De staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In grief 1 klaagt de vreemdeling dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de enkele omstandigheid dat hij in het vervolg van de procedure in het Somalisch is gehoord, onvoldoende is voor twijfel aan de juistheid van de mededeling in het op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding dat hij de Engelse taal in voldoende mate beheerst. Hiertoe betoogt de vreemdeling dat hij, gelet op de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 15 april 2009 in zaak nr. 09/11274 (JV 2009/255), in strijd met artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (hierna: de Wbtv) op 18 augustus 2009 is gehoord in het Engels zonder dat gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk, hij heeft verklaard alleen het Somalisch in voldoende mate te verstaan en spreken en aantoonbaar sprake is geweest van miscommunicatie.

2.1.1. Ingevolge artikel 28, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wbtv, voor zover thans van belang, maakt de politie in het kader van het vreemdelingenrecht uitsluitend gebruik van beëdigde tolken of vertalers.

Ingevolge het derde lid, voor zover thans van belang, kan in afwijking van het eerste lid gebruik worden gemaakt van een tolk die geen beëdigde tolk is of van een vertaler die geen beëdigde vertaler is, indien wegens de vereiste spoed een ingeschrevene in het register niet tijdig beschikbaar is of indien het register voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat.

2.1.2. Uit de bewoordingen en de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 28, eerste lid, van de Wbtv volgt dat deze bepaling, behoudens toepassing van het derde lid, onder meer de politie verplicht tot het inschakelen van beëdigde tolken of vertalers, indien gebruik van een tolk of vertaler nodig wordt geacht. Deze bepaling biedt geen grond voor het standpunt dat bij een verhoor in een vreemde taal gedurende een ophouding gebruik moet worden gemaakt van een beëdigde tolk of vertaler. Gesteld noch gebleken is ten slotte dat een andere wettelijke bepaling vereist dat bij het verhoor van de vreemdeling een beëdigde tolk of vertaler diende op te treden.

2.1.3. Volgens paragraaf A3/3.8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) dient, indien door moeilijkheden met de taal geen of onvoldoende contact met de opgehouden persoon mogelijk is, de hulp van een tolk te worden ingeroepen, die als voldoende bekwaam en objectief kan worden beschouwd.

2.1.4. Niet is gebleken dat bij het verhoor contact met de vreemdeling niet of onvoldoende mogelijk was. Uit het proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding blijkt niet van een gebrekkige communicatie tijdens het verhoor. Evenmin blijkt hieruit dat de vreemdeling heeft verklaard alleen het Somalisch voldoende te verstaan en spreken.

2.1.5. Gelet op het vorenstaande volgt uit de wet noch de Vc 2000 dat bij het verhoor op 18 augustus 2009 een beëdigde tolk of vertaler diende te fungeren. De rechtbank is terecht tot het bestreden oordeel gekomen. De grief faalt derhalve.

2.2. In grief 3 klaagt de vreemdeling onder meer dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris in de proceskosten heeft veroordeeld voor het indienen van het beroepschrift en verschijnen op een zitting.

Hiertoe betoogt de vreemdeling dat bij de rechtbank twee zittingen hebben plaatsgevonden.

2.2.1. In beroep heeft op 31 augustus 2009 een zitting plaatsgevonden. Op 3 september 2009 heeft de rechtbank het onderzoek heropend, waarna op 7 september 2009 een tweede zitting heeft plaatsgevonden. Op beide zittingen is de gemachtigde van de vreemdeling verschenen. De door de vreemdeling gemaakte kosten voor het verschijnen op de tweede zitting komen daarom eveneens voor vergoeding in aanmerking. In zoverre slaagt de grief derhalve.

2.3. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft, te worden vernietigd en voor het overige te worden bevestigd.

2.5. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 11 september 2009 in zaak nr. 09/30087, voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft;

III. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

IV. veroordeelt de staatssecretaris van Justitie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.127,00 (zegge: elfhonderdzevenentwintig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het dient aan de secretaris van de Raad van State (bankrekening Raad van State 192323091) onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald.

Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. M.A.A. Mondt Schouten, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, ambtenaar van Staat.

w.g. Troostwijk

voorzitter

w.g. Van Gemert

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

279

Verzonden: 4 november 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak