Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3319

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
10-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
200904571/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ongewenstverklaring / medische situatie / geen inhoudelijke beoordeling door BMA

Ten tijde van het besluit waren van de zijde van de vreemdeling geen documenten voorhanden waarmee zij haar stelling dat haar medische situatie aan ongewenstverklaring in de weg stond op zodanige wijze kon onderbouwen dat een inhoudelijke beoordeling door het BMA mogelijk was. Nu dat gebrek aan informatie van de zijde van de vreemdeling ertoe heeft geleid dat het voor de staatssecretaris onmogelijk was de medische situatie inhoudelijk bij zijn belangenafweging betreffende de ongewenstverklaring te betrekken, bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het besluit reeds omdat dat niet gebeurd is onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Evenzeer heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris, door zich bij gebrek aan informatie van de zijde van de vreemdeling op het standpunt te stellen dat niet is gebleken van medische omstandigheden die aan ongewenstverklaring in de weg stonden, niet een medisch oordeel aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Dat de vreemdeling thans wel een bepaalde mate van behandeling zou ondergaan of in de toekomst wel baat zal hebben bij behandeling kan, wat daar ook van zij, evenmin leiden tot het oordeel dat de staatssecretaris zich in zijn besluit, op grond van de destijds beschikbare informatie, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de medische situatie van de vreemdeling onvoldoende aanknopingspunten bood om af te zien van ongewenstverklaring. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris die medische situatie niet op zorgvuldige wijze bij zijn belangenafweging heeft betrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200904571/1/V2.

Datum uitspraak: 10 november 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 mei 2009 in zaak nr. 08/28632 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 30 augustus 2006 heeft de minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 15 juli 2008 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 mei 2009, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank 's Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem (hierna: de rechtbank), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 juni 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de medische situatie van de vreemdeling niet op zorgvuldige wijze bij zijn belangenafweging heeft betrokken, nu het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) geen inhoudelijk advies heeft kunnen uitbrengen betreffende die medische situatie. Daartoe betoogt hij dat de vreemdeling ten tijde van belang niet onder behandeling stond, zodat onvoldoende informatie beschikbaar was om tot een inhoudelijk advies te komen, hetgeen niet aan de staatssecretaris kan worden toegerekend. Aan de omstandigheid dat de vreemdeling zich in de toekomst wellicht wel zal laten behandelen en bij die behandeling gebaat kan zijn, kan thans geen doorslaggevende betekenis worden toegekend, aldus de staatssecretaris. Voorts klaagt hij dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij, ondanks het uitblijven van een inhoudelijk BMA-advies, aan zijn besluit een medisch oordeel ten grondslag heeft gelegd.

2.1.1. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris, reeds omdat het BMA geen inhoudelijk advies heeft kunnen uitbrengen omtrent de medische situatie van de vreemdeling, die medische situatie niet op zorgvuldige wijze bij zijn belangenafweging heeft kunnen betrekken. Dat het BMA geen inhoudelijk advies kon uitbrengen, omdat de vreemdeling ten tijde van het besluit niet onder behandeling stond, kan aan dat oordeel niet afdoen, aldus de rechtbank. Bovendien is het, gelet op het beleid inzake BMA-adviezen, zoals neergelegd in paragraaf B8/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), niet aan de niet-medisch gekwalificeerde ambtenaren van de Immigratie- en Naturalisatiedienst zich een eigenstandig oordeel te vormen over de medische situatie van een vreemdeling, aldus de rechtbank.

2.1.2. Ten tijde van het besluit waren van de zijde van de vreemdeling geen documenten voorhanden waarmee zij haar stelling dat haar medische situatie aan ongewenstverklaring in de weg stond op zodanige wijze kon onderbouwen dat een inhoudelijke beoordeling door het BMA mogelijk was. Nu dat gebrek aan informatie van de zijde van de vreemdeling ertoe heeft geleid dat het voor de staatssecretaris onmogelijk was de medische situatie inhoudelijk bij zijn belangenafweging betreffende de ongewenstverklaring te betrekken, bestaat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen grond voor het oordeel dat het besluit reeds omdat dat niet gebeurd is onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Evenzeer heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris, door zich bij gebrek aan informatie van de zijde van de vreemdeling op het standpunt te stellen dat niet is gebleken van medische omstandigheden die aan ongewenstverklaring in de weg stonden, niet een medisch oordeel aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd. Dat de vreemdeling thans wel een bepaalde mate van behandeling zou ondergaan of in de toekomst wel baat zal hebben bij behandeling kan, wat daar ook van zij, evenmin leiden tot het oordeel dat de staatssecretaris zich in zijn besluit, op grond van de destijds beschikbare informatie, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de medische situatie van de vreemdeling onvoldoende aanknopingspunten bood om af te zien van ongewenstverklaring. De rechtbank heeft dan ook ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris die medische situatie niet op zorgvuldige wijze bij zijn belangenafweging heeft betrokken. De grief slaagt.

2.2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank bestreden besluit van 15 juli 2008 beoordelen in het licht van de daartegen in eerste aanleg voorgedragen beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

2.3. In beroep heeft de vreemdeling betoogd dat zij, gelet op haar psychische toestand, niet in staat is in het kader van paragraaf B9 van de Vc 2000 aangifte van mensenhandel te doen. De omstandigheid dat zij is aangehouden in een prostitutiebedrijf en daarbij in het bezit was van een vervalst paspoort is echter reeds voldoende om te concluderen dat sprake is geweest van mensenhandel, zodat zij in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van voormeld beleid, aldus de vreemdeling.

Het in de voormelde paragraaf van de Vc 2000 neergelegde beleid heeft betrekking op de behandeling van een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met de vervolging van mensenhandel als bedoeld in artikel 3.48 van het Vreemdelingenbesluit 2000. De staatssecretaris heeft zich in het besluit van 15 juli 2008 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat een beroep van de vreemdeling op voormeld beleid niet in een procedure die louter betrekking heeft op de ongewenstverklaring van de vreemdeling aan de orde kan komen.

2.4. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.5. Het inleidende beroep is ongegrond.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Haarlem, van 28 mei 2009 in zaak nr. 08/28632;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. P.A. Offers, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.W.M.J. Bossmann, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Bossmann

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2009

314-574.

Verzonden: 10 november 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak