Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK3314

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
04-11-2009
Datum publicatie
16-11-2009
Zaaknummer
200901939/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mvv-vereiste / mantelzorg / familieleden in Nederland / dienstbetrekking in Nederland onvoldoende

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij de Afdeling is gebleken dat de hier te lande woonachtige familieleden van de vreemdeling bestaan uit vier volwassen kinderen, die – met uitzondering van één kind – een partner hebben, en een aantal kleinkinderen van wie sommige reeds dan wel bijna de volwassen leeftijd hebben bereikt. Niet valt in te zien dat deze familieleden gezamenlijk niet in staat kunnen worden geacht om de vreemdeling de benodigde mantelzorg te verlenen gedurende de behandeling van een mvv aanvraag in het land van herkomst, nu deze procedure beperkt van duur is en de familieleden elkaar kunnen afwisselen, zodat het verblijf in Indonesië van elk van hen afzonderlijk nog korter van duur kan zijn. In het enkele feit dat de kinderen van de vreemdeling en een aantal andere familieleden hier te lande een dienstbetrekking hebben, heeft de rechtbank ten onrechte grond gezien voor een andersluidend oordeel. Daartoe wordt van belang geacht dat gesteld noch gebleken is dat de kinderen van de vreemdeling dan wel andere familieleden van hun werkgever niet de mogelijkheid krijgen om in dit verband verlof op te nemen en voorts gebleken is dat één van de partners van de kinderen van de vreemdeling en sommige kleinkinderen geen dienstbetrekking hebben. Reeds gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte aannemelijk gemaakt geacht dat de familieleden van de vreemdeling gedurende de behandeling van een mvv aanvraag in Indonesië niet de benodigde mantelzorg kunnen verlenen.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000
Vreemdelingenwet 2000 16
Vreemdelingenwet 2000 17
Vreemdelingenbesluit 2000
Vreemdelingenbesluit 2000 3.71
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2010/93 met annotatie van mr. S.K. van Walsum

Uitspraak

200901939/1/V2.

Datum uitspraak: 4 november 2009

RAAD VAN STATE

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's Gravenhage van 18 februari 2009 in zaak nr. 08/15177 in het geding tussen:

[vreemdeling]

en

de staatssecretaris van Justitie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2007 heeft de staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 28 maart 2008 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 18 februari 2009, verzonden op 19 februari 2009, heeft de rechtbank 's Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 19 maart 2009, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

De vreemdeling is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2009, waar de vreemdeling, bijgestaan door mr. J.L. Hofdijk, advocaat te Den Haag, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. A.L. de Mik, werkzaam bij het Ministerie van Justitie, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, worden afgewezen, indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) die overeenkomt met het verblijfsdoel, waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 14, niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het een vreemdeling betreft, voor wie het, gelet op diens gezondheidstoestand, niet verantwoord is om te reizen.

Volgens paragraaf B1/4.1.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, dient voor de in artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 neergelegde vrijstelling te worden beoordeeld of een vreemdeling in staat is naar zijn land van herkomst of bestendig verblijf te reizen en in staat kan worden geacht daar de behandeling van een door hem in te dienen mvv-aanvraag af te wachten. Omstandigheden die de feitelijke toegankelijkheid van de medische zorg in het land van herkomst of bestendig verblijf betreffen, worden niet bij de beoordeling betrokken.

Volgens paragraaf B8/5, voor zover thans van belang, wordt de betrokken vreemdeling, indien de medisch adviseur aangeeft dat mantelzorg voor hem noodzakelijk is, in de gelegenheid gesteld aan te geven of er al dan niet personen aanwezig zijn in het herkomstland, die in staat moeten worden geacht mantelzorg te verlenen. Voor zover een vreemdeling stelt dat voor hem in het herkomstland geen mantelzorgnetwerk aanwezig is, dient hij gegevens en bescheiden te overleggen waaruit dit blijkt. Aan niet (in onvoldoende mate) onderbouwde dan wel speculatieve stellingen hieromtrent wordt geen betekenis toegekend. Evenmin rust op het bestuursorgaan de verplichting om onderzoek te doen naar dergelijke stellingen.

2.2. In grief 1 klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat door hem niet is betwist dat de vreemdeling geen familie of vrienden in het land van herkomst heeft die de benodigde mantelzorg kunnen verlenen en dat, gelet op het terzake gevoerde beleid, niet van de vreemdeling gevergd kan worden dat hij aantoont dat zijn hier te lande verblijvende familieleden niet in staat zijn om mee te reizen naar het land van herkomst om aldaar gedurende de behandeling van een mvv aanvraag de benodigde mantelzorg te verlenen, doch dat het voldoende is dat de vreemdeling zulks aannemelijk maakt, aan welke maatstaf de vreemdeling naar haar oordeel heeft voldaan met zijn stellingen daartoe in deze procedure. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank aldus miskend dat de enkele stelling van de vreemdeling dat zijn hier te lande verblijvende familieleden vanwege hun werk niet in staat zijn om met hem mee te reizen naar het land van herkomst, onvoldoende is om aannemelijk gemaakt te achten dat die familieleden gedurende de behandeling van een mvv aanvraag niet de benodigde mantelzorg kunnen verlenen.

2.2.1. Naar aanleiding van het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen het besluit van 7 mei 2007 heeft de staatssecretaris bij brief van 3 maart 2008, voor zover thans van belang, aan de vreemdeling gevraagd om zijn stelling dat zijn kinderen niet met hem naar Indonesië kunnen reizen om aldaar de behandeling van een mvv-aanvraag met hem af te wachten, toe te lichten. Voorts heeft de staatssecretaris in deze brief gevraagd of er andere familieleden (zoals kleinkinderen, schoondochter e.d.) zijn die gedurende de behandeling van een mvv-aanvraag bij de vreemdeling in Indonesië kunnen verblijven en zo nee, waarom niet.

Op deze vragen hebben de kinderen van de vreemdeling namens hem bij brief van 11 maart 2008 geantwoord dat zij, noch andere familieleden vanwege hun werk met de vreemdeling voor langere tijd naar Indonesië kunnen gaan om aldaar gedurende de behandeling van een mvv aanvraag de benodigde mantelzorg te verlenen.

2.2.2. In het besluit van 28 maart 2008 heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat, voor zover thans van belang, het enkele feit dat de kinderen van de vreemdeling in Nederland werken onvoldoende is om aan te nemen dat zij niet voor een periode van enkele maanden naar Indonesië kunnen reizen en dat evenmin grond bestaat om zulks aan te nemen ten aanzien van andere hier te lande woonachtige familieleden van de vreemdeling, waaronder een schoondochter en zeven kleinkinderen.

2.2.3. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting bij de Afdeling is gebleken dat de hier te lande woonachtige familieleden van de vreemdeling bestaan uit vier volwassen kinderen, die – met uitzondering van één kind – een partner hebben, en een aantal kleinkinderen van wie sommige reeds dan wel bijna de volwassen leeftijd hebben bereikt. Niet valt in te zien dat deze familieleden gezamenlijk niet in staat kunnen worden geacht om de vreemdeling de benodigde mantelzorg te verlenen gedurende de behandeling van een mvv aanvraag in het land van herkomst, nu deze procedure beperkt van duur is en de familieleden elkaar kunnen afwisselen, zodat het verblijf in Indonesië van elk van hen afzonderlijk nog korter van duur kan zijn. In het enkele feit dat de kinderen van de vreemdeling en een aantal andere familieleden hier te lande een dienstbetrekking hebben, heeft de rechtbank ten onrechte grond gezien voor een andersluidend oordeel. Daartoe wordt van belang geacht dat gesteld noch gebleken is dat de kinderen van de vreemdeling dan wel andere familieleden van hun werkgever niet de mogelijkheid krijgen om in dit verband verlof op te nemen en voorts gebleken is dat één van de partners van de kinderen van de vreemdeling en sommige kleinkinderen geen dienstbetrekking hebben. Reeds gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte aannemelijk gemaakt geacht dat de familieleden van de vreemdeling gedurende de behandeling van een mvv aanvraag in Indonesië niet de benodigde mantelzorg kunnen verlenen.

De grief slaagt.

2.3. Gelet op het voorgaande behoeft grief 2 geen bespreking meer.

2.4. Grief 3 mist zelfstandige betekenis.

2.5. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling ten aanzien van het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 28 maart 2008 het volgende.

2.6. De vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris – gelet op zijn hoge leeftijd, zijn medische situatie, het ontbreken van een netwerk in het land van herkomst en zijn hier te lande verblijvende kinderen – ten onrechte de weigering om ten aanzien van hem op grond van de hardheidsclausule, neergelegd in artikel 3.71, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000), het mvv-vereiste buiten toepassing te laten, heeft gehandhaafd.

2.6.1. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 16 van de Vw 2000 (Kamerstukken II 1999/2000, 26 732, nr. 7, p. 108/109) valt af te leiden dat de in artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 neergelegde bevoegdheid discretionair van aard en beperkt van omvang is. Gevallen waaromtrent is voorzien dat het mvv-vereiste niet zal kunnen worden tegengeworpen, zijn bij of krachtens artikel 17, eerste lid, van de Vw 2000 van dat vereiste uitgesloten, zodat toepassing van de hardheidsclausule beperkt kan blijven tot zeer uitzonderlijke gevallen die door de regelgever niet zijn voorzien.

2.6.2. In het licht hiervan biedt hetgeen de vreemdeling aan zijn beroep op de hardheidsclausule ten grondslag heeft gelegd, geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris in het besluit van 28 maart 2008 niet in redelijkheid de weigering om het mvv-vereiste op grond van artikel 3.71, vierde lid, van het Vb 2000 buiten toepassing te laten, heeft kunnen handhaven.

2.7. Aan de hiervoor niet besproken bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden komt de Afdeling niet toe. Over die gronden is door de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een oordeel gegeven, waartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Evenmin is sprake van een nauwe verwevenheid tussen het oordeel over die gronden, dan wel onderdelen van het bij de rechtbank bestreden besluit waarop ze betrekking hebben, en hetgeen in hoger beroep aan de orde is gesteld. Deze beroepsgronden vallen thans dientengevolge buiten het geding.

2.8. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het inleidende beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 18 februari 2009 in zaak nr. 08/15177;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins de Vin, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.B.M. Hent, leden, in tegenwoordigheid van mr. I.S. Vreken, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin

voorzitter

w.g. Vreken

ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 4 november 2009

434.

Verzonden: 4 november 2009

Voor eensluidend afschrift,

de secretaris van de Raad van State,

voor deze,

mr. H.H.C. Visser,

directeur Bestuursrechtspraak