Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2945

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200901793/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 januari 2009, kenmerk 143626, heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Pekela (hierna: de raad) bij besluit van 4 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kleinschalige verblijfsrecreatie" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200901793/1/R2.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

en

het college van gedeputeerde staten van Groningen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 januari 2009, kenmerk 143626, heeft het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: het college) besloten over de goedkeuring van het door de raad van de gemeente Pekela (hierna: de raad) bij besluit van 4 november 2008 vastgestelde bestemmingsplan "Kleinschalige verblijfsrecreatie" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellanten] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 maart 2009, beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2009, waar [appellanten], vertegenwoordigd door mr. H. Martens van Stichting Univé Rechtshulp, en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J. van der Kooi, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door D. van Dijk, ambtenaar in dienst van de gemeente.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het plan voorziet, vanwege het vervallen van de Wet op de openluchtrecreatie (hierna: Wor) op 1 januari 2008, in een planologische regeling voor kleinschalig kamperen op agrarische bedrijfspercelen. Het betreft een zogenoemd facetbestemmingsplan, waarbij de voorschriften van een aantal geldende bestemmingsplannen in de gemeente worden aangevuld.

2.3. Het beroep van [appellanten], woonachtig aan [locatie], richt zich tegen artikel 2, lid B, onder 1, voor zover daarin voor het perceel Zuiderveensterweg 5 een uitzondering wordt gemaakt op het verbod om gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken ten behoeve van verblijfsrecreatie met een kleinschalig karakter en op dat perceel vijf kampeerplaatsen worden toegelaten. [appellanten] betogen dat hierdoor op het perceel ten onrechte kleinschalige verblijfsrecreatie zonder vrijstelling toegestaan wordt, waardoor geen eisen ter voorkoming van overlast kunnen worden gesteld. [appellanten] stellen voorts dat de overlast die zij reeds ondervinden zal toenemen als gevolg van de vergroting van maximaal vijf kampeermiddelen naar vijftien kampeermiddelen, de toename van het aantal verkeersbewegingen en de mogelijkheid om het gehele jaar te kamperen. Zij voeren in dit verband aan dat de zich op het perceel bevindende caravans door de eigenaar van het perceel worden gebruikt om in de omgeving werkzame werknemers te huisvesten. [appellanten] voeren verder nog aan dat het plan wat betreft het perceel in strijd is met toekomstig provinciaal beleid, omdat kleinschalig kamperen wordt toegelaten zonder dat hiervoor vrijstelling wordt vereist.

2.4. Het college stelt dat het plan weliswaar toestaat dat het gehele jaar vijftien kampeermiddelen op het perceel aanwezig zullen zijn, maar dat niet aannemelijk is dat zich dat in de praktijk zal voordoen. Voorts betoogt het college dat het algemene verbod geldt voor gronden waarop nog geen verblijfsrecreatie aanwezig is. Verder acht het college het bij recht toestaan van kleinschalige verblijfsrecreatie gerechtvaardigd, omdat op het perceel reeds sinds lange tijd een kampeervoorziening bestaat. Omdat voldoende voorschriften in het bestemmingsplan zijn opgenomen, valt geen overlast te vrezen die zou leiden tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat, zo stelt het college.

2.5. Blijkens de toelichting bij het plan heeft de raad beoogd grip te krijgen en te houden op het kleinschalig kamperen op agrarische bedrijfspercelen. Hiertoe is in het plan een algemeen verbod opgenomen voor het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatie met een kleinschalig karakter.

Artikel 2, sub B, onder 1, van de planvoorschriften bepaalt dat dit verbod niet van toepassing is op het perceel Zuiderveensterweg 5, met dien verstande dat maximaal vijf kampeerplaatsen zijn toegestaan en deze kampeerplaatsen uitsluitend zijn toegestaan op het perceel Oude Pekela F109.

Ingevolge artikel 2, sub A, onder b, van de planvoorschriften wordt onder kampeerplaats verstaan een afgeschermd terrein van beperkte omvang waarop één tot ten hoogste drie kampeermiddelen voor een familie of een bij elkaar horende groep personen kunnen worden geplaatst.

Ingevolge artikel 2, sub A, onder a, van de planvoorschriften wordt onder een kampeermiddel verstaan een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, een en ander voorzover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

2.6. Uit het bestreden besluit blijkt dat op het perceel sinds vele jaren een kleinschalige verblijfsrecreatieve voorziening aanwezig is, waarvoor sinds 1994 diverse ontheffingen zijn verleend krachtens de Kampeerwet en de Wor. Ter zitting is een namens het college van burgemeester en wethouders op 3 april 2007 krachtens de Wor verleende ontheffing overgelegd, krachtens welke voor de periode van 15 maart 2007 tot en met 31 oktober 2007 toestemming wordt verleend voor het houden van een kampeerterrein met daarop vijf kampeermiddelen op het perceel Zuiderveensterweg 5. Uit dit besluit blijkt dat ontheffing is gevraagd omdat op dat perceel (eveneens) kampeerders verbleven, die gedurende het gehele jaar op een boorlocatie in de omgeving werkten.

2.7. Vast staat dat ingevolge het plan het maximaal toegestane aantal kampeermiddelen wordt vergroot van vijf naar vijftien. Voorts staat vast dat gedurende het gehele jaar op de desbetreffende gronden kan worden gekampeerd, terwijl dit onder de vigeur van de Wor slechts mogelijk was voor ten hoogste de periode van 15 maart tot en met 31 oktober.

De Afdeling overweegt allereerst dat niet is gebleken dat het college bij zijn oordeelsvorming rekening heeft gehouden met de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. Integendeel heeft het college in het verweerschrift aangegeven het maximale gebruik niet reëel te vinden. De Afdeling overweegt voorts dat niet is uitgesloten dat de verruiming in het plan extra verkeers- en parkeeroverlast met zich kan brengen. Dat in de voorschriften van het plan waarborgen zijn opgenomen om overlast voor [appellanten] - als gevolg van de in het plan geboden verruiming - zo veel als mogelijk te beperken, is de Afdeling onvoldoende gebleken. Zo wordt de omschrijving van het begrip kampeerplaats als genoemd in artikel 2, sub A, onder b, van de planvoorschriften, onvoldoende duidelijk geacht, nu hieruit niet blijkt wat onder 'beperkte omvang' dient te worden begrepen. Voorts heeft de raad ter zitting weliswaar toegezegd dat de eigenaar van het terrein zal worden aangemaand om afgeschermde terreinen te realiseren, echter nu de locatie van de afscheidingen niet in het plan vastligt kan de verplichting tot het enkele afscheiden van kampeerplaatsen het plaatsen van meerdere grote kampeermiddelen per kampeerplaats niet verhinderen. Daarbij wordt eveneens van belang geacht dat bijvoorbeeld geen maximale oppervlakte ten aanzien van de kampeerplaatsen en/of ten aanzien van (een aantal van) de kampeermiddelen in het plan is opgenomen. Dat in feitelijke zin geen ruimte zal zijn om meerdere grote kampeermiddelen per kampeerplaats neer te zetten, hetgeen de raad ter zitting heeft aangevoerd, vindt geen steun in het plan. Ook anderszins is niet gebleken dat het plan voldoende waarborgen bevat om mogelijke overlast op het perceel van [appellanten], dat grenst aan het perceel Zuiderveensterweg 5, tot een minimum te beperken. Gelet op het voorgaande had de raad het plan in deze vorm niet mogen vaststellen. Het college heeft dit niet onderkend.

2.8. De conclusie is dat hetgeen [appellanten] hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het plan is vastgesteld in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid. Door het plan niettemin goed te keuren, heeft het college gehandeld in strijd met artikel 3:2 van de Awb in samenhang met artikel 10:27 van de Awb. Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit dient te worden vernietigd, voor zover het betreft de goedkeuring van planvoorschriften die zien op het perceel Zuiderveensterweg 5.

De Afdeling ziet aanleiding om zelfvoorziend goedkeuring aan bedoelde planvoorschriften te onthouden. Gelet op het hiervoor overwogene behoeven de overige door [appellanten] aangevoerde gronden van het beroep geen bespreking meer.

2.9. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Groningen van 27 januari 2009, kenmerk 143626, voor zover het betreft de goedkeuring van de in artikel 2, lid B, onder 1, van de planvoorschriften genoemde zinsnede "en op de gronden behorende bij Zuiderveensterweg 5 te Oude Pekela zoals aangegeven in bijlage 2 van deze voorschriften" en de passage "Ter plaatse van de gronden behorende bij Zuiderveensterweg 5 te Oude Pekela (bijlage2) zijn maximaal vijf kampeerplaatsen toegestaan, met dien verstande dat: nieuwe voorzieningen buiten het hoofdgebouw niet zijn toegestaan; de kampeerplaatsen uitsluitend zijn toegestaan op het perceel Oude Pekela F109";

III. onthoudt goedkeuring aan de planvoorschriften, aangehaald onder II.;

IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 27 januari 2009 voor zover het betreft het onder III. vermelde;

V. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Groningen tot vergoeding van bij [appellanten] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 352,29 (zegge: driehonderdtweeënvijftig euro en negenentwintig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;

VI. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Groningen aan [appellanten] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,00 (zegge: honderdvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

177-612.