Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2941

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200902392/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van den Haag (hierna: het college) een verzoek van de Stichting 't Hollandsch Huys (hierna: 't Hollandsch Huys) om toekenning van schadevergoeding afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200902392/1/H2.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. de stichting Stichting 't Hollandsch Huys, gevestigd te Den Haag,

2. het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 april 2009 in zaak nr. 08/5281 in het geding tussen:

de stichting Stichting 't Hollandsch Huys,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag.

1. Procesverloop

Bij besluit van 14 november 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van den Haag (hierna: het college) een verzoek van de Stichting 't Hollandsch Huys (hierna: 't Hollandsch Huys) om toekenning van schadevergoeding afgewezen.

Bij besluit van 9 juli 2008 heeft het college het door 't Hollandsch Huys daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het college het besluit van 9 juli 2008 ingetrokken en het door 't Hollandsch Huys gemaakte bezwaar deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 1 april 2009, verzonden op 3 april 2009, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door 't Hollandsch Huys daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 9 juli 2008 vernietigd voor zover het bezwaar van de stichting tegen het besluit van 14 november 2007 niet-ontvankelijk is verklaard en bepaald dat de gemeente Den Haag aan 't Hollandsch Huys het door haar betaalde griffierecht dient te vergoeden. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben 't Hollandsch Huys bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 6 april 2009, en het college bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 15 mei 2009, hoger beroep ingesteld.

't Hollandsch Huys en het college hebben een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 13 oktober 2009, waar 't Hollandsch Huys, vertegenwoordigd door [gemachtigde], werkzaam bij de Stichting Stedebouw & Stadsherstel, en het college, vertegenwoordigd door mr. P.S. Kamminga, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Bij besluit van 30 augustus 2001 is de aan Stichting Vill'ABB (hierna: Vill'ABB) verleende vergunning voor het in stand houden van het kindercentrum 't Hollandsch Huys aan de Stationsweg 170 te Den Haag (hierna: het kindercentrum) met ingang van 1 december 2001 ingetrokken.

Bij brief van 12 december 2001 heeft het college aan Vill'ABB de toegezegd dat niet handhavend zal worden opgetreden totdat op het bezwaarschrift tegen dat besluit is beslist.

Bij besluit van 15 januari 2002 heeft het college het door Vill'ABB gemaakte bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2001 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 juli 2002 heeft de rechtbank het daartegen door Vill'ABB ingestelde beroep tegen dat besluit ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 23 april 2003 heeft de Afdeling het daartegen door Vill'ABB ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak vernietigd, het bij de rechtbank ingestelde beroep alsnog niet-ontvankelijk verklaard en bepaald dat het college alsnog een beslissing op bezwaar dient te nemen, omdat het besluit van 15 januari 2002 als primair besluit aangemerkt moet worden.

Bij besluit van 20 november 2003 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2002 ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 20 december 2005 heeft de rechtbank het daartegen door Vill'ABB ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 november 2003 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven, omdat het college op goede gronden is overgegaan tot intrekking van de vergunning voor het kindercentrum.

Bij uitspraak van 6 september 2006 heeft de Afdeling een door Vill'ABB ingestelde hoger beroep tegen die uitspraak ongegrond verklaard.

2.1.1. Bij brief van 21 februari 2002 heeft het college Vill'ABB gelast het kindercentrum uiterlijk 28 februari 2002 te sluiten onder aanzegging van bestuursdwang.

Vill'ABB is voor genoemde datum tot sluiting van het kindercentrum overgegaan.

Bij besluit van 30 september 2002 is het door Vill'ABB gemaakte bezwaar tegen het besluit van 21 februari 2002 ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.1.2. Op 14 maart 2002 is 't Hollandsch Huys opgericht. Bij besluit van 27 maart 2002 is aan haar een vergunning verleend, voor de periode van 27 maart 2002 tot 1 juni 2002, voor het exploiteren van het kindercentrum.

Bij besluit van 14 mei 2002 is de vergunning ingetrokken.

Bij besluit van 8 augustus 2002 is het door 't Hollandsch Huys daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is in rechte onaantastbaar geworden.

2.2. 't Hollandsch Huys heeft aan haar verzoek om schadevergoeding ten grondslag gelegd dat zij door beweerdelijk onrechtmatig handelen van het college in het jaar 2002 omzetderving en inkomensderving heeft geleden. Daartoe stelt zij dat het college in strijd met de toezegging bij brief van 12 december 2001 dat geen bestuursdwang zou worden toegepast totdat op het bezwaar tegen het besluit van 30 augustus 2001 zou zijn beslist, de sluiting van het kindercentrum heeft afgedwongen, eerst bij Vill'ABB en daarna bij 't Hollandsch Huys.

2.3. Het besluit van 12 augustus 2008 is genomen op advies van de adviescommissie bezwaarschriften. Het college heeft overwogen dat 't Hollandsch Huys geen belanghebbende is ter zake van de door Vill'ABB gestelde schade en het bezwaar in zoverre niet-ontvankelijk verklaard. Voorts heeft het college de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding gehandhaafd, nu het besluit van 8 augustus 2002 voor rechtmatig moet worden gehouden en er derhalve geen grond is voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad. Ook heeft het college geen besluit tot toepassing van bestuursdwang jegens 't Hollandsch Huys genomen.

2.4. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat 't Hollandsch Huys op 1 maart 2002 de exploitatie van het kindercentrum heeft overgenomen van Vill'ABB. Het feitelijk belang van 't Hollandsch Huys is als rechtsopvolger van de Vill'ABB rechtstreeks betrokken bij het besluit van 14 november 2007. Het college heeft dit miskend en het bezwaar van 't Hollandsch Huys tegen het besluit van 14 november 2007 ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft voorts overwogen dat in hetgeen 't Hollandsch Huys heeft aangevoerd om te betogen dat het college na maart 2002 ook jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld en dat het college ten onrechte heeft geweigerd de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden, geen grond biedt voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de door 't Hollandsch Huys gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

2.5. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bezwaar van 't Hollandsch Huys niet-ontvankelijk is met betrekking tot de afwijzing van vergoeding van schade als gevolg van onrechtmatig handelen van de gemeente jegens Vill'ABB. 't Hollandsch Huys is niet aan te merken als rechtsopvolgster van Stichting Vill'ABB en is geen belanghebbende bij het besluit van 14 november 2007, waarbij door het college op aanspraken op schadevergoeding van Vill'ABB werd beslist.

2.5.1. Dit betoog treft doel.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder meer bij uitspraak van 18 augustus 2004 in zaak no. 200308517/1, kan tegen een zuiver schadebesluit alleen ontvankelijk bezwaar worden gemaakt door degene die ook ontvankelijk bezwaar heeft gemaakt of had kunnen maken tegen de - gestelde - schadeveroorzakende besluiten. In dit verband overweegt de Afdeling dat 't Hollandsch Huys niet als belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan worden aangemerkt bij de besluiten van 30 augustus 2001 en 21 februari 2002, reeds omdat 't Hollandsch Huys pas op 14 maart 2002 is opgericht en eerst bij besluit van 27 maart 2002 aan haar een vergunning is verleend voor de exploitatie van het kindercentrum in de periode van 27 maart 2002 tot 1 juni 2002. Vill'ABB of de curator in het faillissement van deze stichting heeft ook zelf het schadebelang behartigd door te procederen tegen het besluit tot intrekking van de vergunning voor de exploitatie van het kindercentrum en het besluit tot aanzegging van bestuursdwang.

Anders dan 't Hollandsch Huys stelt, kan zij niet als rechtsopvolger van Vill'ABB worden aangemerkt, reeds omdat laatstgenoemde stichting tijdens de oprichting van 't Hollandsch Huys nog bestond, de exploitatie van andere kinderdagverblijven heeft voortgezet en ook thans nog bestaat, zij het in staat van faillissement. Uit de verklaring van 3 maart 2002 blijkt dat er wel sleutels zijn overgedragen, maar niet alle activa en passiva. 't Hollandsch Huys heeft daarom bij besluit van 27 maart 2002 een nieuwe vergunning gekregen, nadat bij besluit van 30 augustus 2001 de vergunning van Vill'ABB was ingetrokken.

Anders dan 't Hollandsch Huys stelt, is van een cessie van een vordering uit onrechtmatige daad, waarbij Vill'ABB aanspraken op schadevergoeding zou hebben overgedragen, niet gebleken.

2.6. 't Hollandsch Huys komt in hoger beroep op tegen de overweging van de rechtbank met betrekking tot de schade die zij zou hebben geleden na maart 2002. Het college voert daartegen aan dat geen sprake is van schade geleden door 't Hollandsch Huys die terug te voeren is op onrechtmatig handelen van de gemeente in 2002, nu het bezwaar tegen het besluit van 14 mei 2002, waarbij de aan 't Hollandsch Huys verleende vergunning is ingetrokken, ongegrond is verklaard bij besluit van 8 augustus 2002 en dit besluit in rechte onaantastbaar is geworden, zodat het zowel naar de totstandkoming als naar de inhoud voor rechtmatig moeten worden gehouden.

2.6.1. De Afdeling overweegt dat het college deze schadevordering terecht heeft afgewezen. 't Hollandsch Huys heeft geen beroep ingesteld tegen het besluit van 8 augustus 2002, waarbij het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning ongegrond is verklaard, zodat dit besluit voor rechtmatig moet worden gehouden en er derhalve geen grond is voor schadevergoeding uit onrechtmatige daad. De rechtbank heeft het beroep van 't Hollandsch Huys in zoverre op goede gronden verworpen.

2.7. Het hoger beroep van het college is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd in zoverre daarbij het beroep van 't Hollandsch Huys tegen het besluit van 12 augustus 2008 gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van 't Hollandsch Huys tegen het besluit van 14 november 2007 niet-ontvankelijk is verklaard. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het bij de rechtbank tegen het besluit van 12 augustus 2008 ingestelde beroep, in zoverre daarbij het bezwaar tegen het besluit van 12 augustus 2008 niet-ontvankelijk is verklaard, alsnog ongegrond verklaren.

2.8. Het hoger beroep van 't Hollandsch Huys is ongegrond.

2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep van 't Hollandsch Huys ongegrond;

II. verklaart het hoger beroep van het college gegrond;

III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 1 april 2009 in zaak nr. 08/5281, voor zover daarbij het beroep van 't Hollandsch Huys tegen het besluit van 12 augustus 2008 gegrond is verklaard en dit besluit is vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van 't Hollandsch Huys niet-ontvankelijk is verklaard;

IV. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 11 augustus 2008 ongegrond;

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. W. Konijnenbelt en mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, ambtenaar van Staat.

w.g. Polak w.g. Planken

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

299.