Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2940

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200901843/1/H2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 maart 2007 heeft de raad van de gemeente Groningen (hierna: de raad) een verzoek van [appellante] om vergoeding van planschade afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901843/1/H2.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 februari 2009 in zaak nr. 08/388 in het geding tussen:

appellante

en

de raad van de gemeente Groningen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 28 maart 2007 heeft de raad van de gemeente Groningen (hierna: de raad) een verzoek van [appellante] om vergoeding van planschade afgewezen.

Bij besluit van 20 februari 2008 heeft de raad het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 2 februari 2009, verzonden op 5 februari 2009, heeft de rechtbank Groningen (hierna: de rechtbank) het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 maart 2009, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 9 april 2009.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 september 2009, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. G.E. Oude Kotte, werkzaam bij Adviesgroep Langhout & Wiarda juristen, en de raad, vertegenwoordigd door mr. J. Groot, ambtenaar in dienst van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang en voor zover hier van belang, kent de gemeenteraad, voor zover blijkt dat een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2. [appellante], eigenaresse van het perceel met woonboerderij aan de [locatie] te [plaats], heeft verzocht om vergoeding van de vermindering van de waarde van haar woning door de vaststelling van het bestemmingsplan "Kranenburg" door de gemeenteraad op 25 juni 1997 en goedgekeurd door gedeputeerde staten van Groningen op 14 augustus 1997, dat aan gronden ten zuiden van de Peizerweg de bestemming "Bijzondere bebouwing" toekent. Deze gronden zijn bestemd voor wonen, agrarische doeleinden, recreatieve doeleinden, een buurtverzorgende detailhandelsvestiging, verkeersdoeleinden, groenvoorzieningen en water, additionele voorzieningen, waaronder dienstwoningen.

2.2.1. Voorheen gold voor deze gronden het bestemmingsplan "Peizerweg A", vastgesteld door de gemeenteraad op 20 december 1978 en goedgekeurd door gedeputeerde staten van Groningen op 26 februari 1980, dat aan deze gronden de bestemming "Agrarische doeleinden II" toekende. De gronden waren uitsluitend bestemd voor de uitoefening van het agrarische bedrijf.

2.2.2. [appellante] heeft in de bezwaarfase ter motivering van haar verzoek een rapport van Adviesgroep Langhout & Wiarda juristen van 11 juli 2007 (hierna: Langhout) overgelegd. Volgens dit rapport is [appellante] door de planologische wijziging in een planologisch nadeliger situatie komen te verkeren en bedraagt de waarde van haar woning vóór die wijziging € 185.000,00 en na die wijziging € 170.000,00, zodat de schade € 15.000,00 bedraagt.

2.2.3. De raad heeft bij besluit van 20 februari 2008, in navolging van aan hem uitgebrachte rapporten van een schadebeoordelingscommissie van 6 september 2006 en 10 oktober 2007, de afwijzing van het verzoek gehandhaafd. Volgens de raad is [appellante] door de planologische wijziging in een planologisch nadeliger situatie komen te verkeren en bedraagt de waarde van haar woning vóór die wijziging € 185.000,00 en na die wijziging € 175.000,00, zodat de waardevermindering € 10.000,00 bedraagt. Deze waardevermindering kan volgens de raad echter worden gecompenseerd met het voordeel van de nabijheid van de onder het nieuwe planologische regime mogelijk gemaakte oprichting van woonwijk "De Buitenhof" op de betreffende gronden. Volgens de raad stijgt de waarde van de woning van [appellante] omdat in woonwijk "De Buitenhof" dure en hoogwaardige woningen worden gebouwd en haar woning hierdoor in een meer ontwikkelde en verzorgde omgeving komt te liggen en daardoor aantrekkelijker wordt voor een grotere groep potentiële kopers.

2.2.4. De rechtbank heeft overwogen dat de raad de rapporten van de schadebeoordelingscommissie aan het besluit van 20 februari 2008 ten grondslag heeft mogen leggen, omdat niet is gebleken dat deze rapporten onzorgvuldig tot stand zijn gekomen of dat daaraan anderszins gebreken kleven. Deze rapporten bieden volgens de rechtbank een geobjectiveerd inzicht in de feiten en omstandigheden die de conclusie rechtvaardigen dat de waardevermindering van de woning van [appellante] ten gevolge van de planologische wijziging kan worden verrekend met het voordeel van de onder het nieuwe planologische regime mogelijk gemaakte oprichting van woonwijk "De Buitenhof".

2.3. [appellante] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de raad de invloed van dure en hoogwaardige woningen in woonwijk "De Buitenhof" op de waarde van haar woning niet bij de beoordeling van het verzoek mocht betrekken, omdat dit een aspect van feitelijke aard is.

2.3.1. Bij de beoordeling van een verzoek om planschadevergoeding dient te worden bezien of sprake is van een wijziging van het planologische regime waardoor een belanghebbende in een nadeliger positie is komen te verkeren, ten gevolge waarvan hij schade lijdt of zal lijden. Hiertoe dient een vergelijking te worden gemaakt tussen de beweerdelijk schadeveroorzakende planologische maatregel en het voordien geldende planologische regime. Daarbij is niet de feitelijke situatie van belang, doch hetgeen op grond van het oude planologische regime maximaal kon worden gerealiseerd en na de planologische maatregel maximaal kan worden gerealiseerd, ongeacht de vraag of verwezenlijking daadwerkelijk heeft plaatsgevonden. Dit uitgangspunt geldt evenzeer voor de vaststelling van een eventuele waardevermeerdering. De omstandigheid dat in woonwijk "De Buitenhof" dure en hoogwaardige woningen worden gebouwd is, zoals de raad ter zitting bij de Afdeling heeft bevestigd, een gevolg van de feitelijke invulling die is gegeven aan de bebouwingsmogelijkheden onder het nieuwe planologische regime en kan niet worden aangemerkt als een gevolg van de planologische wijziging. De rechtbank heeft niet onderkend dat de raad deze omstandigheid van feitelijke aard niet, in navolging van de aan hem uitgebrachte rapporten van de schadebeoordelingscommissie, met het planologisch nadeel mocht verrekenen. Het betoog slaagt derhalve.

2.4. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Het bij de rechtbank ingestelde beroep dient alsnog gegrond te worden verklaard. Het besluit op bezwaar van 20 februari 2008 komt wegens strijd met artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling zal voorts op na te melden wijze zelf in de zaak voorzien en bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.

2.5. Volgens de aan de raad uitgebrachte rapporten van de schadebeoordelingscommissie bedraagt de waardevermindering van de woning van [appellante] ten gevolge van de planologische wijziging, zonder verrekening van het voordeel van de onder het nieuwe planologische regime mogelijk gemaakte oprichting van woonwijk "De Buitenhof", € 10.000,00. [appellante] heeft de overweging van de rechtbank dat het verschil tussen deze taxatie en die van Langhout marginaal is en dat [appellante] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de taxatie van de schadebeoordelingscommissie zodanige gebreken vertoont dat de raad zich daarop niet heeft mogen baseren, niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling zal daarom, in navolging van de rapporten van de schadebeoordelingscommissie, ten laste van de raad van de gemeente Groningen € 10.000,00, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 juni 2005 tot aan de dag van algehele voldoening, toekennen ter vergoeding van planschade.

2.6. De raad dient op na te melden wijze in de proceskosten van het beroep en hoger beroep te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Groningen van 2 februari 2009 in zaak nr. 08/388;

III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;

IV. vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Groningen van 20 februari 2008, kenmerk di 07.1516736;

V. herroept het besluit van 28 maart 2007, kenmerk RO07.1393626;

VI. veroordeelt de raad van de gemeente Groningen om aan [appellante] te betalen een planschadevergoeding van € 10.000,00 (zegge: tienduizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juni 2005 tot aan de dag van algehele voldoening;

VII. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Groningen tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.288,00 (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IX. gelast dat de raad van de gemeente Groningen aan [appellante] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 368,00 (zegge: driehonderdachtenzestig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. Th.G. Drupsteen, voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. C.H.M. van Altena, leden, in tegenwoordigheid van mr. T.E. Larsson-van Reijsen, ambtenaar van Staat.

w.g. Drupsteen w.g. Larsson-van Reijsen

Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

344.