Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2939

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200900811/1/H1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan Veste Residenties B.V. (hierna: Veste) vrijstelling verleend voor de bouw van een appartementencomplex, bestaande uit 28 appartementen en een halfverdiepte parkeerkelder (hierna: het project) op het perceel hoek Prins Hendrikstraat/Franklin Rooseveltlaan (hierna: het perceel) te Breda.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

200900811/1/H1.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. [appellanten sub 1], wonend te [woonplaats],

2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 19 december 2008 in zaak nrs. 08/964, 08/967 t/m 08/972, 08/974 en 08/975 in het geding tussen onder meer:

[appellanten sub 1],

[appellanten sub 2],

en

het college van burgemeester en wethouders van Breda.

1. Procesverloop

Bij besluit van 10 april 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van Breda (hierna: het college) aan Veste Residenties B.V. (hierna: Veste) vrijstelling verleend voor de bouw van een appartementencomplex, bestaande uit 28 appartementen en een halfverdiepte parkeerkelder (hierna: het project) op het perceel hoek Prins Hendrikstraat/Franklin Rooseveltlaan (hierna: het perceel) te Breda.

Bij besluit van 6 juni 2007 heeft het college bouwvergunning verleend voor het project.

Bij besluit van 8 januari 2008 heeft het college het door [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] (hierna in enkelvoud: [appellant sub 2]) tegen de besluiten tot verlening van vrijstelling en bouwvergunning gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 19 december 2008, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank Breda (hierna: de rechtbank) de door [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben [appellanten sub 1] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 januari 2009, en [appellant sub 2] bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 januari 2009, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 oktober 2009, waar [appellanten sub 1] van wie [gemachtigden], in persoon, zijn verschenen. Voorts zijn [appellant sub 2], in persoon en bijgestaan door mr. G.L.M. Teeuwen, rechtsbijstandverlener te Amsterdam, en het college, vertegenwoordigd door drs. J.A.F. Koning, mr. N. Mastilovic en S.A.L. Sleen-Verhoeven, ambtenaren in dienst van de gemeente, en ing. K.E. van der Heijden, adviseur, verschenen. Veste was ter zitting vertegenwoordigd door mr. R.J.N. Sintnicolaas, advocaat te Oosterhout, [directeur] en [adviseur].

2. Overwegingen

2.1. Het bouwplan voorziet in de oprichting van een appartementencomplex met 28 woningen en een parkeerkelder. Het bouwwerk is L-vormig. De lange zijde ligt aan de Prins Hendrikstraat; de korte zijde is haaks op die straat georiƫnteerd en ligt gedeeltelijk naast het perceel van [appellant sub 2]. Het bouwwerk grenst aan diens woning en bestaat daar uit twee bouwlagen, samen ongeveer 9,5 m hoog. De hoogte van het bouwwerk loopt op in de richting van de Franklin Rooseveltlaan tot ongeveer 19 m (zes bouwlagen). De op het perceel aanwezige villa Beukenhof krijgt een gemeenschappelijke functie ten behoeve van de woningen.

2.3. Ingevolge het bestemmingsplan "Breda-Zuid" rust op het perceel de bestemming "Woongebied (W)" met de aanduiding "ontwikkelingslocatie".

Vast staat dat het bouwplan niet in overeenstemming is met de planvoorschriften betreffende verkaveling, bebouwingspercentage, goothoogte en voorgevelrooilijn.

Om niettemin bouwvergunning te kunnen verlenen, heeft het college vrijstelling verleend met toepassing van artikel 19, eerste lid, van de WRO en met gebruikmaking van een door het college van gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant op 6 maart 2007 verleende verklaring van geen bezwaar.

2.4. Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de WRO kan de gemeenteraad, behoudens het gestelde in het tweede en derde lid, ten behoeve van de verwezenlijking van een project vrijstelling verlenen van het geldende bestemmingsplan, mits dat project is voorzien van een goede ruimtelijke onderbouwing en vooraf van gedeputeerde staten de verklaring is ontvangen, dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben.

Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk, intergemeentelijk of regionaal structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied. De gemeenteraad kan de in de eerste volzin bedoelde vrijstellingsbevoegdheid delegeren aan burgemeester en wethouders.

2.6. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten vrijstelling te verlenen voor het project wegens de bij realisering daarvan te verwachten schade aan hun woningen. Volgens [appellant sub 2] stond ten tijde van het besluit op bezwaar niet vast dat geen schade zou ontstaan aan bouwwerken in de omgeving. [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] stellen verder dat bij de sloop van de woning Prins Hendrikstraat 23 aanzienlijke schade zal optreden en dat damwanden zijn voorzien in de fundering van de woning van [appellant sub 2] aan de [locatie].

2.6.1. Het betoog faalt. Wat de gevreesde schade ten gevolge van de uitvoering van het bouwplan betreft, heeft de rechtbank terecht en op goede gronden overwogen dat die schade bij de belangenafweging in het kader van vrijstellingverlening slechts een rol kan spelen indien op voorhand vaststaat dat de uitvoering van bouwwerkzaamheden onvermijdelijk leidt tot schade aan de omgeving. Niet aannemelijk is geworden dat daarvan ten tijde van het besluit op bezwaar sprake was. Het college heeft zich gebaseerd op twee rapporten van Inpijn-Blokpoel, Ingenieursbureau Sliedrecht; een rapport van 10 december 2004, met kenmerk VB-5511, met een funderingsadvies, en een rapport van 1 april 2005, met kenmerk VB-5511-A, met een grondkerings- en bemalingsadvies. In deze rapporten is vermeld op welke wijze de werkzaamheden kunnen worden uitgevoerd zonder dat ingrijpende schade optreedt. Geadviseerd wordt de damwand trillingsvrij aan te brengen door deze in de bodem te drukken of trillingsarm te funderen. Ter zitting heeft het college, in reactie op de stelling van [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] dat de verwijdering van tijdelijke damwanden zal leiden tot schade, het standpunt ingenomen dat indien die verwachting gerechtvaardigd blijkt tijdens het werk ervoor kan worden gekozen de damwanden in de grond te laten zitten. Voorts heeft het college ter zitting toegelicht dat tijdens de uitvoering van het bouwwerk monitoring zal plaats vinden van eventuele zettingen en trillingen.

Wat schade door sloop van de woning Prins Hendrikstaat 23 betreft, is van belang dat daarvoor een sloopvergunning is verleend. De in hoger beroep aangevoerde klachten dat ten gevolge van de sloop schade aan de woning van [appellant sub 2] is opgetreden, dat de sloop is gestaakt en dat bij hervatting ervan meer schade is te verwachten, richten zich tegen de sloopvergunning. Die sloopvergunning was geen onderwerp van het geding bij de rechtbank, zodat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.

2.7 [appellanten sub 1] betogen tevergeefs dat de rechtbank ten onrechte in de voorziene plaats van de damwand nabij de woning van [appellant sub 2] geen aanleiding heeft gezien het besluit op bezwaar te vernietigen. Vaststaat dat de in het bouwplan oorspronkelijk voorziene plaats van de damwand wegens de situering ten opzichte van de fundering van de woning van [appellant sub 2] niet geschikt is. Uit de stukken komt naar voren en ter zitting heeft Veste bevestigd dat de damwand bij de uitvoering van het bouwplan op enkele tientallen centimeters van de oorspronkelijk voorziene plaats zal worden gerealiseerd. Niet aannemelijk is geworden dat het appartementencomplex daardoor niet op de in het bouwplan opgenomen plaats kan worden gerealiseerd. Dat de toerit van de parkeergarage naast de woning van [appellant sub 2] niet, zoals het college heeft gesteld, ten minste 3,58 m breed zal blijven, zoals op tekening BR101 staat vermeld, is niet gebleken. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat het college in verband met de plaats van de damwand niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen voor het project.

2.8. [appellant sub 2] en [appellanten sub 1] betogen verder dat de rechtbank heeft miskend dat het college, gelet op de betrokken belangen, niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen. Zij vrezen wegens de ligging en hoogte van het voorziene bouwwerk dicht bij hun woningen een aanzienlijke aantasting van hun woongenot en privacy, alsmede minder zon op hun percelen en lichtinval in hun woningen.

2.8.1. Uit de stukken, waaronder de ruimtelijke onderbouwing van het project, komt naar voren dat de ramen in de voorziene bouwwerken op minimaal vier m afstand van de erfgrenzen worden gesitueerd en dat in de ramen van de slaapkamers die uitzicht kunnen bieden op de naastgelegen percelen semi-transparante beglazing tot twee m hoogte wordt aangebracht. Het zicht vanuit de voorziene bouwwerken is hierdoor, indien de ramenkozijnen gesloten zijn, verminderd. Voorts wordt een rij bomen geplant aan de zijde van de Strijenlaan. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat enige aantasting van privacy kan optreden indien de ramen van de slaapkamers van de appartementen zijn geopend, maar dat deze aantasting, gelet op de aard van het gebruik van de kamers, niet zodanig zal zijn dat het college om die reden niet in redelijkheid vrijstelling heeft kunnen verlenen.

2.8.2. Naar de gevolgen van het bouwplan voor de bezonning van de percelen van [appellanten sub 1] en [appellant sub 2] nabij het perceel is onderzoek verricht. Daarbij is de bezonningssituatie op 20 juni, 20 maart en 20 december onderzocht. Het college stelt zich op grond van de resultaten van dit onderzoek op het standpunt dat enige vermindering van bezonning en daarmee ook lichttoetreding in de woningen zal optreden, maar dat dit niet zodanig is dat om die reden geen vrijstelling kon worden verleend. In hetgeen is aangevoerd, bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank dit standpunt onjuist had moeten achten.

2.9. [appellant sub 2] stelt dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat ernstige geluid-, stank-, verkeershinder door het gebruik van de naast zijn woning voorziene ingang van de parkeergarage zal optreden. Volgens hem is onvoldoende onderzoek verricht naar het geluid dat de afsluiting van de parkeergarage, met een roldeur of hek, produceert. Ook zal volgens [appellant sub 2] een verkeersonveilige situatie ontstaan omdat de toegang tot de parkeergarage is gesitueerd in een onoverzichtelijke bocht van de Prins Hendrikstraat. Hij acht het niet juist dat daarnaar geen onderzoeken zijn verricht. Daarnaast vreest [appellant sub 2] parkeerhinder bij realisering van het appartementencomplex.

2.9.1. Het bouwplan voorziet in de bouw van een verdiepte parkeergarage met 40 parkeerplaatsen. De garage wordt ontsloten aan de Prins Hendrikstraat naast de woning van [appellant sub 2]. De toerit van de parkeergarage krijgt een hellinghoek van 15 graden. Uit de stukken komt naar voren dat verwacht wordt dat het gebruik van de appartementen vijf verkeers-bewegingen per dag per appartement genereert. Omdat de parkeergarage aan de oostzijde, dus naast de woning van [appellant sub 2], vrijstaand wordt uitgevoerd met een luchtspouw, zal geen contactgeluid optreden. Voorts komt uit de stukken naar voren dat het plafond van geluidisolerend materiaal zal worden voorzien.

Wat het gebruik van de parkeergarage betreft, heeft de rechtbank overwogen dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan de bevindingen, neergelegd in een memo van 4 augustus 2008 van de deskundige De Pooter, waarin wordt geconcludeerd dat geluidhinder door het gebruik van de parkeergarage te verwaarlozen is. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat het college geen aanleiding heeft moeten zien wegens geluidhinder de vrijstelling niet te verlenen.

Ook is niet aannemelijk dat het gebruik van de parkeergarage tot een zodanige stankhinder leidt, dat het college in verband daarmee geen vrijstelling heeft mogen verlenen.

Voor zover [appellant sub 2] vreest voor een verkeersonveilige situatie ter plaatse, is op voorhand niet aannemelijk geworden dat die niet met het treffen van verkeersmaatregelen zal kunnen worden verholpen. Uit de stukken blijkt dat op de Prins Hendrikstraat maximaal 30 km/uur mag worden gereden. Daarnaast heeft het college ter zitting onweersproken gesteld dat omdat in de bocht van de Prins Hendrikstraat reeds lang een bushalte is gelegen, het verkeer nu ook al rekening houdt met stilstaand of langzaam rijdend verkeer ter plaatse.

In de gehanteerde parkeernorm van 1,3 parkeerplaats per appartement is rekening gehouden met bezoekers. Verder is gebleken dat, anders dan [appellant sub 2] stelt, het ook voor bezoekers mogelijk wordt om te parkeren in de parkeergarage van het appartementencomplex. Mede gelet hierop heeft het college, zoals ook de rechtbank heeft overwogen, zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat in de omgeving geen onaanvaardbare parkeerdruk zal ontstaan.

2.10. De hoger beroepen zijn ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.W. Mouton, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Claessens w.g. Van Heusden

voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

163.