Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2009:BK2933

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
11-11-2009
Datum publicatie
11-11-2009
Zaaknummer
200901110/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2008, kenmerk 2007-003132, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van artikel 5, vierde lid, onder a, van de voorschriften van het door de raad van de gemeente Culemborg (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Terweijde" (hierna: het plan).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

200901110/1/R2.

Datum uitspraak: 11 november 2009

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], gevestigd te [plaatst], en andere,

en

het college van gedeputeerde staten van Gelderland,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2008, kenmerk 2007-003132, heeft het college van gedeputeerde staten van Gelderland (hierna: het college) opnieuw besloten over de goedkeuring van artikel 5, vierde lid, onder a, van de voorschriften van het door de raad van de gemeente Culemborg (hierna: de raad) bij besluit van 8 februari 2007 vastgestelde bestemmingsplan "Terweijde" (hierna: het plan).

Tegen dit besluit hebben [appellante] en andere bij brieven, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op 12 februari 2009 en 16 februari 2009, beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 13 maart 2009.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft het college van burgemeester en wethouders namens de raad een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 augustus 2009, waar [appellante] en andere, vertegenwoordigd door B. Buitenhuis en A. Menhart van Bestuursrechtelijk Adviesbureau Menhart, en het college, vertegenwoordigd door P.G.A.L. Evers, ambtenaar in dienst van de provincie, zijn verschenen. Voorts is ter zitting als partij gehoord de raad, vertegenwoordigd door H.M. Bonouvrié, ambtenaar in dienst van de gemeente. Eveneens is daar als partij gehoord [belanghebbenden], vertegenwoordigd door [gemachtigde] en mr. E.A.M. van Gaal-Gerritsen, advocaat te Tiel.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken in het geding gebracht.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), gelezen in samenhang met artikel 10:27 van de Algemene wet bestuursrecht, rust op het college de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te onderzoeken of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dient het college rekening te houden met de aan de raad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast heeft het college erop toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.

2.2. Het bestemmingsplan voorziet in een juridisch-planologische regeling voor de woonwijk Terweijde, die in het zuidoosten van Culemborg ligt. Het betreft een in hoofdzaak actualiserend bestemmingsplan.

2.3. Bij besluit van 18 september 2007, kenmerk 2007-003132, heeft het college goedkeuring aan het plan verleend met uitzondering van artikel 5, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften. Tegen dit besluit hebben [appellante] en andere beroep ingesteld. De Afdeling heeft bij uitspraak van 24 september 2008 in zaak nr. 200708511/1, het besluit van het college vernietigd voor zover daarbij goedkeuring is onthouden aan artikel 5, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften. Het college heeft bij het thans bestreden besluit goedkeuring verleend aan dit voorschrift.

2.4. [appellante] en andere stellen in beroep dat het college ten onrechte goedkeuring heeft verleend aan artikel 5, vierde lid, onder a, van de planvoorschriften, omdat daarmee wat betreft de gronden die op de plankaart zijn aangewezen als "Gemengd gebied", welke gronden zijn geconcentreerd in en om het winkelcentrum Chopinplein, onder voorwaarden vrijstelling kan worden verleend voor het nieuwvestigen van horeca.

2.5. [appellante] en andere betogen dat het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen nu zij nimmer in de gelegenheid zijn gesteld om hun bedenkingen mondeling toe te lichten, in tegenstelling tot hetgeen daarover in het goedkeuringsbesluit is opgenomen. Daarnaast stellen zij dat het college in het thans bestreden goedkeuringsbesluit niet op de bedenkingen is ingegaan.

2.5.1. Ter zitting is door het college toegelicht dat de passage in het goedkeuringsbesluit, inhoudende dat degenen die bedenkingen hebben ingebracht in de gelegenheid zijn gesteld hun bedenkingen nader toe te lichten, per abuis hierin is opgenomen. De Afdeling overweegt dat per 1 juli 2005 de hoorplicht ingevolge artikel 27, derde lid, van de WRO is komen te vervallen. Gezien het feit dat het ontwerpplan niet vóór 1 juli 2005 ter inzage is gelegd, is het college niet wettelijk verplicht om [appellante] en andere te horen in het kader van deze bestemmingsplanprocedure. Voorts is gesteld noch gebleken dat sprake zou zijn van bijzondere omstandigheden die uit het oogpunt van zorgvuldigheid tot een dergelijke hoorplicht zouden nopen.

Zoals uit het bestreden besluit van 12 december 2008 blijkt, was in het besluit van 18 september 2007 door een omissie goedkeuring onthouden aan het aan de orde zijnde voorschrift en had het college in plaats daarvan bedoeld goedkeuring te verlenen aan het voorschrift. In de heroverweging in het bestreden besluit verwijst het college naar het besluit van 18 september 2007 waarin de bedenkingen reeds gemotiveerd zijn weerlegd. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college in het thans bestreden besluit niet op de bedenkingen is ingegaan.

Het betoog faalt derhalve.

2.6. [appellante] en andere vrezen dat ten aanzien van horeca een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau zal plaatsvinden. Zij betogen dat de vrijstellingsbevoegdheid in het plan onvoldoende objectief is begrensd, waardoor het woon- en leefklimaat in ernstige mate zal worden aangetast. [appellante] en andere stellen dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de wenselijkheid van de vrijstellingsbevoegdheid en dat een nader onderzoek en een belangenafweging door het college ten onrechte worden doorgeschoven naar een eventuele toepassing van de vrijstellingsbevoegdheid. [appellante] en andere voeren voorts aan dat binnen het verzorgingsgebied geen ruimte voor uitbreiding van horeca aanwezig is. Eveneens is uitbreiding van horeca in de wijk in strijd met het gemeentelijke horecabeleid dat uitgaat van concentratie van horeca in het centrum van Culemborg, zo stellen [appellante] en andere.

2.6.1. Het college stelt zich in navolging van de raad op het standpunt dat een vrijstellingsbevoegdheid voor het nieuwvestigen van horeca in een als gemengd bestemd gebied niet ongebruikelijk is en dat op het moment van het verlenen van de vrijstelling onderzocht dient te worden of het nieuwvestigen van horeca niet bezwaarlijk is in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft hieraan toegevoegd dat de vrijstelling slechts onder voorwaarden kan worden verleend en dat de nota "Integraal Horecabeleid Gemeente Culemborg" (hierna: de horecanota) als toetsingskader geldt bij het eventueel toepassen van die bevoegdheid.

2.6.2. Ingevolge artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften kan het college van burgemeester en wethouders met betrekking tot gronden met de bestemming "Gemengd gebied" vrijstelling verlenen voor het nieuwvestigen van horeca op de begane grond in de categorieën I, II en IV, mits in voldoende mate is verzekerd dat geen onevenredige verkeers- of parkeeroverlast zal optreden voor de omringende bebouwing en functies en dit geen nadelige invloed heeft op de woon- of leefsituatie.

Ingevolge de begripsbepalingen in artikel 1 van de planvoorschriften wordt onder een horecabedrijf verstaan een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik worden verstrekt, waarbij in het plan onderscheid is gemaakt in de categorieën I tot en met VII, respectievelijk winkelgebonden daghoreca, maaltijdverstrekkers, logiesverstrekkers, spijsverstrekkers, drankverstrekkers, discotheken en nachtzaken en coffeeshops.

2.6.3. De horecanota is opgesteld naar aanleiding van een uitgevoerd horecastructuuronderzoek en met inachtneming van aanbevelingen uit een zogenoemde horecastructuurvisie, zo blijkt uit de horecanota die ter zitting is overgelegd. Blijkens zijn schriftelijke reactie heeft de raad de uitgangspunten uit de horecanota onder meer vertaald naar de voornoemde vrijstellingsbevoegdheid in het plan. Verder wordt in de schriftelijke reactie gesteld dat uit de horecanota volgt dat ruimte bestaat voor aanvullende horeca en dat geen sprake is van een volledig opgevuld verzorgingsgebied.

Niet is gebleken dat onderzoek is gedaan naar de maatschappelijke behoefte aan uitbreiding van dag- en verblijfsrecreatieve horeca buiten het centrum van Culemborg. Het enkele gegeven dat uit de horecanota blijkt dat een horecastructuuronderzoek is uitgevoerd, is daarvoor niet afdoende. De tot de bijlagen van de horecanota behorende horecastructuurvisie, welke mogelijk op dit punt duidelijkheid kon scheppen, alsmede het rapport waarin de bevindingen van het horecastructuuronderzoek zijn neergelegd, zijn niet ter beschikking van de Afdeling gesteld. De door de raad ter zitting naar voren gebrachte stelling dat de Kamer van Koophandel Rivierenland de maatschappelijke behoefte heeft onderzocht, wordt niet door de aan de Afdeling ter beschikking staande stukken onderbouwd. Volgens de ten aanzien van het plan door de Kamer van Koophandel Rivierenland naar voren gebrachte zienswijze en bedenkingen ontbreekt daarentegen voor de wijk Terweijde een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van onder meer de marktruimte en het verzorgingsgebied, zowel in de plantoelichting als in de horecanota. Het standpunt van de raad dat ruimte bestaat voor aanvullende horeca en dat geen sprake is van een volledig opgevuld verzorgingsgebied acht de Afdeling voor zover dit betrekking heeft op de wijk Terweijde, gelet op het voorgaande, onvoldoende onderbouwd. Doordat het college het planvoorschrift niettemin heeft goedgekeurd, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.

2.6.3.1. De conclusie is dat hetgeen [appellante] en andere hebben aangevoerd aanleiding geeft voor het oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht te worden vernietigd.

Gelet op het hiervoor overwogene behoeven de overige door [appellante] en andere aangevoerde argumenten geen bespreking meer.

2.6.4. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep gegrond;

II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Gelderland van 12 december 2008, kenmerk 2007-003132, voor zover daarbij goedkeuring is verleend aan artikel 5, vierde lid, aanhef en onder a, van de planvoorschriften;

III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Gelderland tot vergoeding van bij [appellante] en andere in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 644,00 (zegge: zeshonderdvierenveertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere;

IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Gelderland aan [appellante] en andere het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 288,00 (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de andere.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.W.M. Kooijman, ambtenaar van Staat.

w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Kooijman

lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009

177-612.